Mijn dagboeken in Boer & Tuinder

januari 22, 2010

Het Veeportaal of “De draak met zeven koppen”.

Hoort bij: Luc Callemeyn — melkbrigade @ 10:01 pm

U kent allicht het sprookje van de draak die een grot moet bewaken met daarin een grote schat. Wie durft te naderen maakt kennis met deze vuurspuwer. In een aangedikte versie is er een draak met zeven koppen, en je moet elke kop afhakken om aan de schat te raken. Een onmogelijke opdracht dus.
Jaren geleden werden alle problemen rond het synchroniseren van diergegevens toegeschreven aan de tekortkomingen van het Sanitel systeem. Maar er leefde hoop want het Veeportaal zou ons veel gelukkiger maken. Het is voor mij een grote ontgoocheling geworden. De start van het Veeportaal is bijna 2 jaar uitgesteld omdat andere partijen steeds maar nieuwe uitbreidingen vroegen. De firma die dit ontworpen heeft was wel de goedkoopste maar kende weinig van landbouw toepassingen. Bij de opstart van het systeem lagen alle aanmeldingen een hele week plat, ik was bij de eersten die het paswoord verkregen maar sommige boeren hebben maanden moeten wachten. Ondertussen konden ze terecht op het telefonisch meldingssysteem dat ook aangepast was en dat nu gemiddeld dubbel zo lang duurde als voorheen. Ik ben er met grote verwachtingen aan begonnen, ik ben niet gespeend van opzoekingslust en ken wat van computers en hun verborgen nukken. Maar hier spande het Veeportaal toch wel de kroon. Na een tijdje kon ik al een geboorte aangeven zonder foutmelding, maar een vertrek invoeren was een ander probleem. Ik heb er mijn tanden op stukgebeten hoe je een favoriete koper kon inbrengen, maar ik kon het niet gewoon worden dat alle invulvelden kriskras door elkaar stonden, onder goedverborgen knopjes die soms zelfs niet overeenkwamen met de handleiding. Het lijkt wel voor “De slimste mens” gemaakt. Op de helpdesk zijn ze heel vriendelijk maar ze blijven dweilen met een kraan halfopen want bijvoorbeeld voor de handleiding of de veelgestelde vragen moet je terug naar de website van DGZ. Waarom staan die oplossingen niet gewoon onder een “Help” tekentje op de pagina die je moet invullen? Toen ik eens een klein uurtje met de helpdesk in gesprek was vertelde de jongedame mij dat zij ook lange tijd op dat misleidende onderwerp had zitten vloeken. Ik dacht: “Ik ook, maar jij mag vloeken in je betaalde uren …”. Kunnen zij nu echt geen nieuw systeem anno 2009 maken waarbij ze uitgaan van de gedachte dat alles gewoon zonder handleiding moet kunnen? Van pure ellende ben ik zo vlug mogelijk overgestapt naar het (betalende) Unifarm management programma waar al die invulvelden toch overzichtelijk kunnen voorgesteld worden, mits een gewone dosis gezond boerenverstand dan wel.
Ik meld al deze technische problemen in dit Dagboek, omdat ik met heel dit systeem dagelijks te maken heb. Ik realiseer hier op mijn bedrijf een kleine 100 geboortes op een jaar, dat zijn dus al minstens 200 aan- en afmeldingen, voeg er dan nog een paar speciale erbij en nog wat opzoekingwerk, het zal duidelijk zijn dat dit systeem mij in het laatste jaar al heel wat hoofdbrekens en gevloek heeft gekost. Nochtans ben ik mij bewust van het enorme potentieel van heel dit Veeportaal. Er kunnen gegevens doorgestuurd worden naar andere programma’s die ze op hun beurt automatisch kunnen verwerken. Denk maar aan melkcontrole, mestbank, premieberekeningen… Zij weten op vandaag beter wat wij zitten hebben op onze boerderij dan wijzelf.
Stilaan wordt ook duidelijk dat het bezitten van onze gegevens big business geworden is. Daarbij is het een interessante gedachte wie nu eigenlijk de eigenaar is van (onze) gegevens, wie die mag verwerken of beheren. De administratieve last op onze bedrijven is enorm. Maar er is goed nieuws en er is slecht nieuws: het goede nieuws is dat er al veel kan uit handen genomen worden door diverse adviesbureaus , het slechte nieuws is dat de administratieve vereenvoudiging volledig op onze kosten zal afgerekend worden.
Op onze laatste Bedrijfleiderskring zaten we met een tiental boeren samen om de boekhouding en het bedrijf te bespreken, toen was er een jonge boer die in de groep gooide dat hij meer wilde aansturen op een samenwerkingsverband met melkquota ringen omdat hij er zeker van was dat hij geen opvolgers had. De groep reageerde perplex, zijn kinderen waren 4 en 6 jaar. Ik denk dat de toekomst elke dag moet gemaakt worden, en dat je morgen maar vruchten kan plukken van hetgeen je vandaag zaait. Het heeft mij wel aan het denken gezet. Ook bij mij kwam de vraag naar boven: “Heb ik een opvolger?”. Ik ben bijna zeker van wel, ik kan mij onmogelijk voorstellen dat een uitgebouwd bedrijf als het onze dat een frisse blik heeft op de toekomst niet zal overgenomen worden. Maar of dat in eigen familie zal gebeuren? Dat zien we wel. Ik heb zelf nog een paar jaartjes te gaan. En ik moet nog een paar draken de kop afhakken.

Luc Callemeyn

Vaarwel 2009!

Hoort bij: Sofie Vansteelandt — melkbrigade @ 9:59 pm

Het is weer bijna zover. De eindejaarsfeesten staan voor de deur en met een beetje geluk wordt het dit jaar misschien een witte Kerst. Nog nooit is de kerstvakantie met zoveel sneeuwpret ingezet. De winter is mislukt als mijn man geen sneeuwman kan maken samen met de kinderen, maar vorige zondag was de sneeuw van prima kwaliteit. En nu maar hopen dat de dooi niet te vlug roet in het eten komt gooien, want meneer en mevrouw Kerstman staan te pronken in ons gazon. Voor mij is sneeuw mooi, zolang hij maar niet begint te smelten. Dan pas begint de miserie: natte voeten, vuile vloeren enzovoort.
Ik heb de eer de laatste dagboekbijdrage van dit jaar te mogen schrijven. Graag wil ik jullie mijn oprechte wensen voor het nieuwe jaar, 2010, meedelen. Ten eerste wens ik iedereen een goede gezondheid toe. Het klinkt misschien oubollig, maar dat is het helaas niet. We staan er niet bij stil wat er allemaal kan gebeuren. We staan ’s morgens op en gaan de hele dag aan de slag. In onze naaste familiekring is er iemand die kanker had, hervallen. Dan pas gaan je ogen open en besef je dat je leven uit meerdere facetten dan werken alleen bestaat. De kerstvakantie is altijd een plezante vakantie. Enerzijds hebben we het druk omdat ons witloof in een dag minder marktklaar gemaakt moet worden. Anderzijds hoeven we niet steeds op onze klok te kijken. Er wordt al eens wat langer geslapen en ’s avonds kunnen de kids wat langer opblijven. Het brengt een aangename sfeer in huis: dicht bij het haardvuur en de brandende kerstlichtjes, dicht bij de pakjes – rara, wat heb ik dit jaar in mijn pakje steken?
Ten tweede wens ik iedere land- en tuinbouwer een faire prijs voor een kwalitatief product. We kunnen er eeuwig over doorzeuren, maar de huidige trend is niet houdbaar. Hoe lang gaat het nu nog duren voordat de boer van zijn onderste trede van de ladder kan komen? Ik formuleer het misschien niet correct: wanneer gaan we voor ons product een leefbare prijs krijgen? We kregen nieuwe aardappelcontracten aangeboden en hoe kun je het raden: contracten met een minprijs. We zijn dus met de contracten voor 2010 goed begonnen.
Vervolgens wens ik iedereen het juiste weertype op het juiste moment toe. Ik klaag absoluut niet. We hebben een uitstekende zomer gehad, alleen mochten de weergoden ons toch wat gunstiger gezind zijn. Een buitje af en toe ging welkom wezen. Wat hebben onze buren water op hun vruchten gesproeid. Ik had er bewondering voor: ieder vrij moment werd gespendeerd aan het bijhalen van water. Je kan toch moeilijk met lede ogen toezien terwijl je oogst verdort. Wijzelf hadden geen vruchten meer op het veld die dringend een slokje water konden gebruiken. Onze witloofwortelen hebben nu wel een kleinere diameter, maar daarmee valt te leven. We hebben de laatste kunnen rooien de avond voordat de vorst in het land was. Er zijn collega-telers die het net niet gehaald hebben en nu wachten op betere weersomstandigheden. Het is telkens een grote opluchting als we de poorten van de koelcellen kunnen dichttrekken. De stress valt weg en de rest – zoals de prijsvorming – heb je gewoon niet in eigen handen.
Laten we eerst het uittreden van het oude en het intreden van het nieuwe jaar vieren. Het zijn telkens zware dagen voor de maag en de lijn. Er zullen mooie, rijkelijke maaltijden geserveerd worden. We hebben weer goeie voornemens om het volgende jaar wat meer op onze lijn te letten, wat meer te sporten. We gaan graag zwemmen, maar helaas de tijd ontbreekt.
Ik zou dit laatste Dagboek van het jaar willen afsluiten met een passend gedicht.

Nieuwjaar…wat mogen we verwachten?
Een jaar vol vreugde, vrede en vriendschap, dat heeft ieder in gedachten.
Wensen die mogen uitkomen.
Beleven van onvervulde dromen.
Geen macht, rijkdom of weelde die alles overheerst.
Gewoon gelukkig zijn met elkander, geven en delen
dat raakt een mens het eerst.
Zie elkaar gewoon graag, geef genegenheid en liefde,
aan eenieder die je lief is,
Begin ermee vandaag en het wordt zeker en vast
een schitterend, sprankelend en boeiend 2010!

Hiermee wil ik de laatste dagboekbijdrage van dit jaar afsluiten. Ik wens jullie – zowel de redactie als de lezers van Boer&Tuinder – prettige feestdagen. Proost!
– Sofie Vansteelandt

PS: Denk eraan dat er tijdens de eindejaarsfeesten strenge alcoholcontroles zijn. Dus, Bob is in the house!

Goedele met melkmuil, mmm …

Hoort bij: Dagboek B&T — melkbrigade @ 9:57 pm

Met een erg goed gevoel kijk ik terug op 2009. We zijn nu in aanloop naar de feestdagen en de jaarwisseling. Ik denk dat we met z’n allen terugkijken op een hectisch jaar, met zelden positief nieuws – de geboorte van een olifantje buiten beschouwing gelaten. Persoonlijk ben ik dus wel tevreden over de resultaten die ik geboekt heb. Ondanks de economische malaise durf ik zeggen dat onze bedrijven het meer dan goed gedaan hebben. Voor mij het bewijs dat kleinschalige, familiale bedrijven echt nog wel toekomst hebben. Nichemarkten bewerken is dan wel een noodzaak, vrees ik. Ik maak hier ook wel een duidelijk onderscheid tussen ondernemers en (louter) producenten, die toch vaak met handen en voeten gebonden zijn aan de handel.
Voor een laatste maal dit jaar wil ik een praktijkvoorbeeld aanhalen. Dit najaar heb ik me gewaagd aan wat klokverkoop, via FloraHolland. Ik kon een mooie partij perfecte, visuele Euonymus fortuneisoorten op korte stammetjes aanbieden. Ik had deze planten zelf uitgeselecteerd en veilingklaar gemaakt. Naar mijn bescheiden mening was het een partij planten met een hoge marktwaarde, waarvoor ik mijn handen in het vuur zou steken. De najaarsverkoop verloopt nu eenmaal een beetje terughoudend en de particuliere verkoop van tuinplanten verplaatst zich toch steeds meer naar het voorjaar. Ik besef natuurlijk maar al te goed dat klokverkoop via de veiling een kwestie is van aanbod en vraag. In eerste instantie had ik er dan ook geen moeite mee toen er afgeklokt werd onder de marktwaarde van mijn planten – wel pijnlijk, natuurlijk. Tegen het einde van de eerste week werd een kar geweigerd voor klokverkoop. Vol verbazing nam ik snel telefonisch contact op met de veiling. Een keurmeester was van mening dat het geen uniforme partij betrof. Wat doe je dan? Rustig blijven? Zeggen dat je het niet eens bent met zijn mening, natuurlijk. Als leverancier trek je onvermijdelijk aan het kortste einde. Maar men was wel blij met mijn aanbod, kwestie van verbreding te hebben van het veilingaanbod. De volgende dag heb ik dan maar alle verpakkingsmateriaal van de veiling, de extra legborden en veilingkarren teruggezonden. Ik ben toch niet gek! Ik ben een ondernemer, geen melkkoe.
Nu wil het (toevallig) zo zijn dat ik nog geen week later ik een mail ontving van een Deense boomkweker die een aantal jaren geleden mijn boomkwekerij had bezocht. Een nieuwe klant dus, die net op zoek was naar mijn Euonymus fortuneisoorten op korte stammetjes. Snel wat foto’s gemaild, aangeboden met de correcte prijs, zelfs een partij van mindere kwaliteit – met een korting die toch nog hoger lag dan wat ik op de veiling kreeg. Een orderbevestiging volgde binnen de 24 uur. Kassa! Dan ben ik trots op wat ik doe en waar ik voor sta. “Laat me, laat me, ik heb het altijd zo gedaan”, zong Ramses Shaffy, die op 1 december overleed.
Toen ik begin november op zoek was naar een leuk boek voor de verjaardag van mijn petekindje Blijke, lag daar Goedele – met gratis Oxfam fair trade chocolade. Voor een eerste maal kon ik de verleiding niet weerstaan en ik kocht het maandblad, vooral voor de reep chocolade. Goedele is ook wel het type vrouw waar ik voor zou kunnen vallen. ‘Met ballen aan het lijf’, zoals ze hier – en waarschijnlijk ook elders – zeggen. Verstandig, charmant, mooi, welbespraakt en niet bang om allerlei taboes bespreekbaar te maken, zonder vulgair of choquerend te zijn. De chocolade was wel oké, maar wat fair trade betreft, blijf ik sceptisch. Ik heb dat met allerlei labels, die toch vaak om commerciële redenen gebruikt worden. Laat dat wel geen reden zijn om een goed doel niet te ondersteunen. In dit nummer van Goedele trof ik per toeval ook een hele reportage over ‘De Melkbrigade’. En Goedele deed het weer. Op een prachtige manier besprak ze de melkcrisis, naar mijn mening geheel objectief. De boeren moesten niet zeuren want … . De boeren moesten blijven protesteren want … . Ook mooie reportages over de melkboer, kaasboer en zuivelbereidingen. De herkenbaarheid van de Groene Kringoverall die boer Paul Goosen droeg, zorgde voor een gevoel van trots. Dit zijn wij ook, de land-en tuinbouwsector.
Ik heb dit najaar een kookcursus gevolgd bij Landelijke Gilde Loenhout. Een erg fijne ervaring, een leuke groep en lekker eten. Ook dat was de ‘schuld’ van de media. De kookprogramma’s waar men ons mee om de oren slaat, zorgden bij mij voor een wrede goesting naar meer. Dat wou ik ook, een hobbykok zijn! Wel, koken bleek ook echt leuk te zijn, werken met natuurproducten. Misschien ga ik hier nog mee verder, als ik ooit meer vrije tijd heb. Deze lessen zorgden voor nog meer respect voor mijn moeder en voor alle mama’s of papa’s die dagelijks instaan voor lekkere, gezonde en natuurlijk evenwichtige maaltijden. Nog even felicitaties richten aan Lutgarde. Prachtig hoe ze de kookmannen wist te sturen naar een lekker kookresultaat, niet altijd even gemakkelijk.
Wat rest er mij nu nog, behalve jullie prettige feestdagen te wensen en een ondernemend 2010.

– Henk van Beek

Uitgeslapen

Hoort bij: Marcel Heylen — melkbrigade @ 9:55 pm

Wanneer u deze dagboekbijdrage onder ogen krijgt, is de 66ste editie van Agribex in volle gang. De liefhebbers van de prijskampen voor rundvee zullen waarschijnlijk al in Brussel geweest zijn en heel wat andere collega’s maken de tweejaarlijkse uitstap naar onze hoofdstad dit weekend – wanneer de kinderen of kleinkinderen niet naar school hoeven. Want ondanks de slechte economische situatie in zowat alle sectoren van de land- en tuinbouw, toch blijft het ‘Landbouwsalon’ nog steeds een klassieker, waar iedereen die binding heeft met de sector geweest wil zijn.
Ik herinner mij nog dat mijn eerste dagboekbijdrage die ik voor Boer&Tuinder schreef net handelde over het bezoek van ons gezin aan Agribex. Ondertussen zijn we bijna acht jaar verder en wanneer ik zo vlug uit het hoofd reken, dan zou dit wel eens ongeveer het vijftigste dagboek kunnen zijn dat ik schrijf. In tegenstelling tot sommige van mijn collega-dagboekschrijvers – die wel eens laten uitschijnen dat het soms moeilijk is om een onderwerp te vinden – moet ik toegeven dat ik meestal zoveel onderwerpen in mijn hoofd heb dat er veel te weinig plaats is om alles te behandelen.
Ik begin gewoonlijk met het zoeken van een geschikte titel, die moet én de nieuwsgierigheid van de lezer prikkelen én aangeven waar het stuk over gaat. Zo had ik ook voor deze week al een titel klaar, en enkele onderwerpen met Agribex als kapstok. Groot was dan ook mijn verbazing toen ik afgelopen vrijdag in dit weekblad de dagboekbijdrage van Kris Van der Velpen onder ogen, kreeg met als titel ‘Nostalgie’. U voelt mij al komen: dat was nu net de titel die ik ook in gedachten had voor mijn stukje. Waarom er dan nu ‘Uitgeslapen’ als titel boven dit schrijven staat, zal verder duidelijk worden.
Zoals de meesten onder u die de melkveehouderij een beetje volgen al wel hier of daar gelezen hebben, realiseerden onze koeien afgelopen jaar de op één na hoogste melkproductie in Vlaanderen, bij de MPR van CRV. Aangezien onze koeien niet kunnen uitleggen hoe ze dat gepresteerd hebben, probeer ik als coach dan maar de nodige duiding te geven aan de geïnteresseerden die om uitleg vragen, vanuit de verschillende invalshoeken (fokkerij, voeding, melktechniek, huisvesting, gezondheidsaspecten…). Vanuit elke sector maakt men dan lijsten van zijn klanten. Zo staan we op de eerste plaats in de lijst van de klanten van onze veevoederfirma, we hebben de hoogste productie van onze melkerij, enzovoort.
U zal wel gemerkt hebben dat ik het over ‘we’ heb. Daar bedoel ik de koeien mee, maar ook ons hele gezin. Want hoewel ik ‘op papier’ de boer ben, is ook de bijdrage van mijn vrouw Chris, onze oudste zoon Hans en in mindere mate van onze jongste zoon Toon, niet te onderschatten. Hoe je het ook draait of keert, boeren en zeker werken met koeien is uiteindelijk een bezigheid die van het hele gezin 365 dagen per jaar aandacht vraagt.
De vele felicitaties doen dan ook deugd en we zijn best trots op die prestatie, maar het plezantste vind ik dat mijn visie in verband met melkveehouderij en fokkerij, die nogal eens afwijkt van die van de zogenaamde specialisten, toch niet zo verkeerd is.
Zo ben ik een fervent voorstander van weidegang voor de koeien, alhoewel er heel wat voorlichters zijn die beweren dat weidegang en hoge melkproducties niet samengaan. Ook de stelling dat hoge eiwitgehaltes en veel melk niet samengaan, spreek ik bij deze tegen, net als de bewering dat een voedermengwagen absoluut noodzakelijk is om hoge melkproducties te kunnen realiseren. Ook robot melken en vrij koeverkeer in de stal – en dan nog in combinatie met weidegang – is volgens velen niet mogelijk.
Het meeste plezier beleefden we aan het bezoek aan onze boerderij van de grote baas van Lely, de producent van onze melkrobot. Het streelde echt wel mijn ijdelheid toen hij een lijst met de top 25 van de robotmelkers in Vlaanderen en Nederland tevoorschijn haalde, waarop ons bedrijf op de tweede plaats staat. Het is toch een hele eer om als Vlaming in de top te staan tussen al die Nederlandse veelmelkers. Op de vraag van de CEO van Lely wat de belangrijkste verandering in mijn leven was sinds we met een robot melken, antwoordde ik spontaan: “Ik ben nu beter uitgeslapen.” Zijn verwonderde blik maakte mij direct duidelijk dat dit wel een woordje uitleg vereiste. Ik vertelde dat ik actief ben in verschillende verenigingen, waardoor ik geregeld naar vergaderingen ga waarvan ik pas na middernacht thuiskom. Vóór we de robot hadden, moest ik wel elke morgen om kwart voor zes uit mijn bed om te melken, waardoor de nachten erg kort waren. Sinds we met een robot melken, heb ik geen wekker meer nodig. Ik slaap de ochtend na een vergadering gewoon uit, zodat ik sindsdien echt uitgeslapen ben de dag na een vergadering. De andere dagen trouwens ook.

– Marcel Heylen

Nostalgie

Hoort bij: Kris Van der Velpen — melkbrigade @ 9:54 pm

Vorige week had ik de eer om tijdens een demonstratie de snoei van Jonagold te mogen voordoen. Het was eerder een twijfelachtige eer, want niemand anders wou dit doen, maar persoonlijk vond ik dat Jonagold en zijn mutanten toch niet mochten ontbreken in een snoeiles. Aanvankelijk was de belangstelling voor mijn demonstratie zeer klein. Ik was blij dat een viertal fruittelers en enkele leerlingen van de school naar mijn verhaal kwamen luisteren. Iedereen was blijkbaar gekomen om naar de perensnoei te kijken – ik had wel niet anders verwacht, zeker niet met de huidige prijsvorming voor de appels. Ik ben dus beginnen voor te snoeien voor de paar enkelingen die zich aan de appels interesseerden. Het was voor mij ook nieuw om iets aan je collega’s te tonen dat iedereen al jaren kent. Toch toonden de mensen interesse en in de loop van de namiddag kwam er toch wat volk kijken en luisteren, al waren sommigen vooral geïnteresseerd in de elektrische plukwagen waarmee ik de koppen mocht snoeien.
Ik moest toen ook terugdenken aan de grote dagen van weleer, toen er op de proeftuin in Glabbeek snoeinamiddagen werden georganiseerd. Wie toen Jonagold zei, zei ook in één adem Jef De Coster. Die man kon dat zo boeiend vertellen en hij heeft ons hier zowat alles van de moderne appelteelt geleerd. Je kan eigenlijk stellen dat mede door zijn inzet en de toenmalige Jonagoldhype menig Hagelands fruitbedrijf er weer bovenop geraakt is. Als je weet dat men toen volop in de Goldencrisis zat, dan was die Jonagold toen een geschenk uit de hemel. Het was dan ook nog goed dat iemand van onze eigen streek zo erachter stond. Toegegeven, je moest die Jonagold wel in drie keer plukken en mooi inleggen, maar dat werd toen goed betaald. Als er in die dagen in Glabbeek ook maar iets georganiseerd werd, was er altijd volk. Dit had misschien niet altijd met de Jonagold te maken, want na zulke bijeenkomsten bleef iedereen minstens even lang napraten …
Peren stonden er toen ook al, maar als je dat plantte, was je een zonderling. Meestal kwam er ook een Nederlander naar de demonstraties om peren voor te snoeien, kwestie van wat variatie te brengen op de uitnodigingen.
Als je in die dagen gevraagd werd om voor te snoeien, dan was het een heel voorrecht. Een gewone fruitteler werd daar zelden voor gevraagd – of je moest al heel vakbekwaam zijn. Het Hageland was toen nog een fruitregio die weliswaar klein was, maar we waren wel met relatief veel telers. We hadden niet alleen een proeftuin, maar ook een eigen veiling. De telers uit het Pajottenland waren onze bondgenoten, want op die ‘mannen uit de Limburg’ had men het hier niet zo begrepen.
In die tijd was er wel veel meer animo en kameraadschap onder de telers. Grote kapitalen werden er toen ook niet verdiend en er werd hard gewerkt. Maar men vergat hier wel niet te leven. Met de tijd trok de proeftuin oostwaarts en er werd totaal vernieuwd, op alle vlakken. De proeftuin in Rillaar ging over naar de KULeuven en Better3Fruit en onze veiling fusioneerde met de Fruitcentrale in Sint-Truiden. Ook onze Groene Kring ‘Jonge Hagelandse fruittelers’ werd één groep met de Groene Kringfruittelers van Zuid-Limburg. Het Hageland wordt nu meer en meer één met de Haspengouwse fruitstreek. We leerden dat die mannen uit Limburg nog de kwaadsten niet zijn en zij hebben van hun kant ook ingezien dat die van Glabbeek ook niet zo simpel zijn als ze er altijd uitzagen.
“Waar blijft de Jonagold in dit verhaal?” hoor ik de lezer al denken. Wel, de Jonagold is er vandaag nog, maar het is allang niet meer de steunpilaar van het Belgische fruitverhaal. De Jonagold op zich van in het begin bestaat ook niet meer; hij heet nu Novajo, Vivista, Decosta, Robijn of Jonagored. Die laatste – de eerste verbetering van het Jonagoldras – is een eigen leven gaan leiden en heeft zich op commercieel vlak een weg weten banen, zodat hij nu in de export alle andere overtreft. Heel wat Jonagoldplantages hebben ondertussen plaats geruimd voor Conférenceperen, die nu al een paar jaar het inkomen van de Belgische fruitteler verzorgen. Hoe lang dit nog zo blijft, kan niemand weten en we moeten voorzichtig zijn om onszelf niet te beconcurreren.
Wie mijn verhaal goed leest, merkt dat ik op een bepaald moment van ‘Hagelandse fruitteler’ overstap naar ‘Belgische fruitteler’, want vandaag gaat het er in de Belgische fruitsector niet meer over waar je vandaan komt maar over wie je bent. Telers in België zijn meer en meer één groep, al is het toch altijd tof als je een klein beetje streekgebonden eigenheid kan behouden.

– Kris Van der Velpen

november 10, 2009

Uit het leven gegrepen.

Hoort bij: Luc Callemeyn — melkbrigade @ 8:33 pm

Voor wie het zich nog zou herinneren: in mijn vorige Dagboek had ik het over de Mestbank die mij een boete toestuurde van bijna 10.000 € te veel. Ik kon daar toen echt niet mee lachen heb hier alle details uit de doeken gedaan. Dat ik geen gangster ben, maar dat ik op het verkeerde moment een terechte actie heb gedaan die me nu nog altijd zuur opbreekt. Het kan een ongelooflijk toeval geweest zijn, maar 3 dagen na het verschijnen van mijn Dagboek in Boer & Tuinder kreeg ik een brief van het hoofd van de Mestbank Dhr Struyf met de boodschap dat men mijn dossier zéér aandachtig zou bestuderen. Verleden week kreeg ik aangetekende bericht dat mijn bezwaar ontvankelijk werd beschouwd en dat ik binnenkort de juiste berekening zou mogen verwachten. En eerlijk is eerlijk, er waren ook verontschuldigingen bij voor de aangedane ongemakken. Wel een beetje goedkoop om zich daar zo mee vanaf te maken natuurlijk, ik vraag mij af als ik een inbreuk zou plegen ten overstaan van de Mestbank ter waarde van 10.000€ als ik er ook met een welgemeende “sorry” zou vanaf komen. Een (gedeeltelijke) kwijtschelding van mijn boete zou ik eigenlijk wel geapprecieerd hebben
Het lijkt wel alsof de zomer een tijdje heeft stilgestaan door de aanhoudende droogte. Alles in het najaar is er vlugger dan verwacht. De graangewassen werden vlot binnengehaald, de oogst van de maïs was aan de vroege kant, koeien en jongvee staan al in de stallen, er is alweer geploegd en gezaaid en straks binnen twee weken is het Landbouwsalon er al weer. Zouden we dat kunnen combineren met de pakjestijd? Als je de organisatoren van Agribex mag geloven is er van doemdenken geen sprake. Ofwel zijn die mannen grote luchtfietsers ofwel hebben ze niet echt een zicht op de agrarische markten, denk ik. Noem eens één sector waar er een fatsoenlijk inkomen als loon voor werk kan verdiend worden? Laat staan dat we dan nog zouden investeren in arbeidsgemak, efficiëntie of milieubevorderende ingrepen. Eigenlijk is het wel echt tegenstellend, de voorlichting vertelt ons dat we op het goede moment moeten investeren, en dat is meestal als de markttendensen laag zijn, dan staan we even later (meestal één tot twee jaar) klaar om geld te verdienen tegen dat het een keer goed gaat. Dit zou ook de moment moeten zijn om ons eens goed bij te scholen en nieuwe kennis op te doen. Helaas, de werkelijkheid van de lopende zaken (en de lopende rekening) dwingt vele gezinnen om nog eens een tandje bij te zetten en wat meer te presteren of wat meer dingen zelf te doen die anders zouden uit handen gegeven worden. Ook de vergaderkalender staat vol met interessante lezingen en bijeenkomsten, maar onze tijd is zo beperkt. Ik kan mij er daarbij zeer sterk aan ergeren dat men een melkveehouder om halfacht of acht uur fris gewassen in een vergadering verwacht. Vanwege steeds groter wordende afstanden zou men dan van ons verwachten dat wij om zeven uur al gedaan hebben met ons werk. Misschien kan dat bij vele anderen, maar bij mij meestal niet. Ik heb er geen probleem mee om vroeg op te staan, en misschien ’s avonds iets later binnen te zijn (rond acht uur is zowat mijn gemiddelde), als de dag dan een beetje kan ingedeeld worden met nu en dan een rustpauze. Vele melkveehouders slaan meer de richting van de automatisering en kiezen voor de robot om de koeien te melken. Wat een prachtig stuk techniek! En wat een uitgelezen manier om de boer meer “quality time” te bezorgen. Het komt mij dan ook vreemd voor dat het net deze mensen zijn die je minder op een vergadering ziet dan vroeger, hoewel ze hun tijd toch anders en beter kunnen inrichten. Andere inzichten? Andere horizonten?
In onze streek zijn een paar opendeurdagen geweest met melkveehouders die hun investering in een prachtige nieuwe stal showden aan het grote publiek. En met recht, wat een mooie en moderne en diervriendelijke bouwwerken. Dit zijn meestal boeren die in de euforie van de hoge melkprijs een toekomstvisie ontwikkeld hebben die mijn diepe respect kan wegdragen. Ik twijfel er echter niet aan dat zij gedurende het bouwtraject, en geconfronteerd met de lage prijzen, wel menige keer in hun haar zullen gekrabd hebben, voor zover zij er nog hebben. Ook wij hebben op ons bedrijf een toekomstvisie ontwikkeld, hoewel wij andere sporen volgen. Waar anderen investeren in vergroting en speculeren op groei zoeken wij het eerder in de breedte en proberen wij de zelfde liter melk op een betere manier te valoriseren. Ik denk niet dat het een kwestie is van wie nu het meeste gelijk heeft in zijn visie, de toekomst zal het uitwijzen. Men moet namelijk doen waar men toe in staat is, elk op zijn best mogelijke manier.
Al moet ik vaststellen dat ik steeds minder haar begin te krijgen , en ik vraag mij af of dit een uiting is van erfelijke factoren, van de leeftijd, of van de …..

Luc Callemeyn

november 5, 2009

A lonely countrygirl

Hoort bij: Bernadette Jonckheere — melkbrigade @ 8:27 pm

Mijn tweede zus is nachtverpleegster in het Sint-Jozefsziekenhuis in Izegem, hetzelfde ziekenhuis waar ik drie jaar gewerkt heb, na mijn afstuderen in de jaren tachtig. Enkele personeelsleden geven er al jaren samen een tijdschriftje uit, Het Pilleke – van originaliteit gesproken. Bij toeval is één van die Pillekes hier bij mij terechtgekomen. Mijn moeder, die ook graag leest, is namelijk geabonneerd op Libelle en die Libelles gaan de familie rond, om als laatste bij mij terecht te komen. En laatst zat er dus een Pilleke van mijn zus tussen. Ik heb het uiteraard doorbladerd en de nieuwtjes gelezen. De algemeen chirurg was gestopt, die ene verpleegster had haar eerste kleinkind, de vader of moeder van een andere verpleegster waren gestorven enzovoort. Allemaal bekende namen, die verre herinneringen naar boven brachten. Herinneringen aan een toch wel mooie en toen nog zorgeloze tijd met collega’s van ongeveer mijn eigen leeftijd. Er stond ook een artikel in van Sis uit de operatiezaal, namelijk over die algemeen chirurg die ermee ophield. Ja, Sis, waar ik dikwijls mee zat te eten ’s middags in de refter en die vóór mijn huwelijk uitdrukkelijk beloofd had dat ze mij ooit zou komen bezoeken op mijn boerderij in de Westhoek. Die ‘ooit’ is er nog steeds niet van gekomen en ik verwacht het nu ook niet meer.
Wat mij bij het lezen het meest overviel was een gevoel van eenzaamheid en heimwee naar leeftijdsgenoten, naar collega’s waarmee je over van alles en nog wat kon praten en waar je plezier kon mee maken. Ja, ons beroep is geëvolueerd naar een zeer eenzaam beroep. Zeker voor de vrouw, en alleszins op een boerderij zoals de onze. Als er hier toch nog eens mensen het erf komen opgereden, dan hebben ze mijn man nodig. Met mij kunnen ze blijkbaar niets aanvangen.
Wanneer ik terugblik op die zesentwintig jaren die we boeren, is er toch veel veranderd! Alles steeds meer en groter, maar ook veel eenzamer. Er komt bijna niemand meer op ons erf tenzij we er zelf om gevraagd hebben. En als er toch nog eens iemand komt, dan hebben we allesbehalve veel tijd. De veehandelaar bijvoorbeeld kwam vroeger – na het onderhandelen met Bernard – binnen in de keuken. Hij dronk er een kopje koffie en praatte over koetjes en kalfjes. De voederhandelaar was ook graag gezien. Meestal kwam hij ’s avonds laat en we konden gezellig babbelen met hem. Met de veearts voor het rundvee praatte ik ook graag, over de studies van zijn en onze kinderen en over van alles en nog wat. Ook weggevallen dus.
Toen de kinderen klein waren en ik ze naar en van school haalde, zag ik meestal ook iemand waarmee ik dan een praatje maakte. Dat hoefde daarom niet lang te zijn, maar het deed toch deugd. Later, hier in Vlamertinge, voerden de buurvrouw en ik bij slecht weer de kinderen naar de middelbare school en we zagen elkaar dus regelmatig. Dat is ondertussen ook voorbij. Diezelfde buurvrouw zit telkens een deel van het jaar omringd door maïs op haar hoeve. Ze is altijd blij als de maïs gedorst wordt, zodat ze toch weer iets van de bewoonde wereld ziet. Anders zit ze net op een eiland en als de wind goed zit, hoort ze enkel de pieptoon van onze verreiker als die achteruitrijdt. Dan zegt ze bij zichzelf: “Bernard of Mathieu zijn weer bezig met hun machine.”
Ja, veel volk zien we hier dus niet meer. Terwijl de facturen vroeger gebracht werden, worden ze nu opgestuurd. Pas op, het is niet allemaal donker, want zo worden we ook niet nodeloos beziggehouden, maar soms overvalt me toch een eenzaam gevoel. Ik ben ook niet het type dat gemakkelijk iemand opbelt om uren aan de lijn te hangen.
Gelukkig zijn onze kinderen nog niet allemaal het huis uit en zorgen die voor wat ambiance. En het is ook een geluk dat mijn man en ik goed overeenkomen, anders zou dit toch wel een beetje de hel zijn.
Wat we allebei ook aangenaam vinden, is met personeel werken voor de bloemkooloogst. Wij werken nog niet met Polen, maar met mensen uit de streek. ’s Middags maak ik nog altijd een maaltijd voor hen klaar. De ene keer soep, brood en charcuterie; als ik wat meer tijd heb een eenvoudige, warme maaltijd. Sommigen zullen dit nu stom en onnozel vinden en een vermindering van de winst. Het is inderdaad een extra kost en inspanning, dat weten wij ook wel. Maar we hebben heel aangenaam personeel en er zitten goeie vertellers tussen, zodat wij hier soms plat liggen van het lachen. En die momenten zouden Bernard en ik niet graag missen, ook al heeft het zijn prijs. Het brengt bovendien kleur in ons leven. We leven toch maar één keer en zoals men dan zegt: “Niemand neemt zijn geld mee in zijn graf!” Tenzij de farao’s in Egypte indertijd, maar dat is ook al heel lang geleden.

– Bernadette Jonckheere-

oktober 19, 2009

God en mijn wasbordje

Hoort bij: Henk van Beek — melkbrigade @ 8:29 pm

Een paar dagboeken geleden maakte ik het verwijt dat Cupido de kneepjes van het vak wat aan het verliezen was, althans wat mij betrof. Nu moet ik mijn woorden terugnemen. Hij doet het nog steeds – twee harten raken, recht in het midden, zonder internet, ‘Boer zkt. Vrouw’ of welke andere vorm van bemiddeling dan ook. Gewoon lekker ouderwets, in het café. Twee blikken die elkaar treffen en dan boem, een scheikundige reactie. De eerste schuchtere contacten, een afspraakje maken en dan ben je gelanceerd. Het is allemaal nog pril, maar ‘houden van’ is nu eenmaal een werkwoord en we werken er dan ook aan.
Ik klasseer mezelf niet als praktiserende, maar daarom ook niet als een minder gelovige. Ik ga ervan uit dat God ook mijn geluk goedgezind is. In mijn gelovigheid wil ik ook wel eens denken dat de huidige crisis een straf zou kunnen zijn van diezelfde God, omdat we te gulzig zijn geweest. Nooit genoeg, steeds groter, meer, rijker, verder, hoger, nog niet tevreden dus. Of is dit gewoon een afstraffing van de economie zelf? Vraag en aanbod, overproductie? Zijn we te gulzig geweest? Of is het gewoon een vergissing, want wij zijn nu eenmaal het superieure ras, de mens? Prachtig toch hoe graaf Maurice Lippens zijn foute beslissing verwoordde als ‘een vergissing’? Wel, wees gerust, ik maak zelf ook best wel eens een foutje, en zeker niet met de intentie om schade te berokkenen – ook al is er die dan wel als die fout gebeurt binnen de exploitatie van mijn bedrijf.
Ik durf het bijna niet te zeggen, maar tot op heden heeft de crisis geen vat op mijn omzet. Erger nog, de cijfers van het derde kwartaal lagen net iets hoger dan het vorige jaar. Ik verkeer zeker nog niet in euforie, want het vierde kwartaal is doorslaggevend binnen mijn bedrijf. Over het algemeen durf ik te stellen dat de boomkwekerijsector tot op heden in mindere mate iets merkt van de huidige crisis. Wel hoor ik steeds vaker – en ik merk het ook bij mijn klanten – dat er een sterke terughoudendheid is als het gaat om orders plaatsen voor het komende najaar en het voorjaar van 2010. Ik ben ervan overtuigd dat we de reden hiervoor moeten zoeken binnen de productie en afzet van onze sector. Beide zijn zeer verscheiden en meestal staan wij als producenten zelf in voor de verkoop en het vermarkten van onze producten. Zou ik dan durven zeggen dat de tussenhandel de grote boeman is? Wat denkt u nu zelf? Ik vergis me vast!
Ik heb het gevoel dat ik hier last krijg van mijn Antwerpse dikke nek. Laat ik dan maar meteen doorgaan met mezelf hevig op de borst te kloppen. Vaste dagboeklezers kennen de meeste schrijvers en hun bedrijf, maar ik zal kort nog eens mijn situatie schetsen. Ikzelf heb net als mijn ouders een klein, familiaal bedrijfje. Geen vennootschapsvorm maar een eenmanszaak, ook lekker ouderwets dus. Wel met een economische boekhouding. Mijn mening over het forfaitaire systeem hou ik best voor mezelf. We zitten met een erg intensieve productie, beide bedrijven op niet veel meer dan 1 hectare. Onze afzet is vooral exportgericht. Onze planten gaan in het buitenland meestal naar andere boomkwekers, als uitgangsmateriaal. Vervolgens vinden ze dan hun weg naar de consument, vaak in weer een ander land. De gedachte dat onze planten soms half Europa afreizen, zorgt dan weer wel voor euforie. Ik zal eerlijk zijn: mijn inkomsten? Weg, euforie. Onze bedrijven zijn leefbaar, maar niet meer dan dat. Ik ben er tevreden mee, dat is me meer waard dan een dure wagen. Dat men dergelijke bedrijven maar eens meer promootte en beloonde. Dit type bedrijf is niet grondverslindend, hoeft geen gebruik te maken van buitenlandse arbeidskrachten, geen risico op overproductie, flexibel, milieubewust en dan toch nog mee zorgen voor een positieve handelsbalans! Er zou een Nobelprijs voor moeten bestaan.
Even terug met de voeten op de grond. Ook al meen ik wat ik schrijf, dit is niet de oplossing. Ik besef maar al te goed dat kleine bedrijven net als de hele grote nodig zijn om samen te zorgen voor een goed draaiende economie. Ieder met zijn verantwoordelijkheid. Toch missen we soms de juiste bedrijfsleiders, vrees ik, in alle sectoren dan.
Met dit opscheppen ben ik bijna mijn wasbordje vergeten. Beschouw het maar als een midlifecrisis, maar ik had het foute idee om eens te werken aan een ‘sixpack’ (buikspieren als een wasbordje …). Na enkele maanden intensieve ochtendtraining verschijnt er iets dat je met je ogen half toe, bij de juiste belichting, onder de juiste hoek, zou kunnen beschouwen als buikspieren. Naar het schijnt verhoogt het je marktwaarde, bwa! Zouden ze met de melk ook maar eens moeten doen, een sexy imago geven! Moet je maar eens opletten wat dat geeft. Dergelijke waanzinnige ideeën vragen veel inspanningen, soms met een resultaat, maar dat resultaat verdwijnt ook vaak veel sneller dan gewenst. Was het met de crisis ook maar zo.

– Henk van Beek-

oktober 12, 2009

Hoort bij: Johan Schollier — melkbrigade @ 8:28 pm

’t Vliegplein
Ik heb iets unieks beleefd, beste lezer, maar eerst dit woordje vooraf.
In de jaren 83 en 93 werd onze streek doorkliefd voor de aanleg van twee gaspijleidingen. De buizen – eentje van 90 centimeter diameter en eentje van 1 meter – liggen zo’n 10 meter naast elkaar. Ons bedrijf kreeg slechts een ‘schampschot’ van deze grote werken, want er loopt slechts 55 meter gasbuis door een van onze velden. Verschillende van mijn buren zagen hun bedrijf echter tweemaal letterlijk in tweeën gekliefd. De werken waren dan ook gigantisch. De grond werd droog gezogen over het hele traject. In alle weersomstandigheden werd 10 meter breed de teeltlaag afgeschept en op grote dijken gelegd. Er was een werkzone van nog eens 20 meter voor het openvoeren van de buizen, het graven van de grachten, het aaneen lassen van de buizen, het inleggen van de pijplijn in lengten van honderden meters. Vervolgens alle ondergrond terug in de sleuven en ten slotte de teeltaarde opnieuw openduwen. De ene keer was het een modderpoel van jewelste, de andere keer een stofferige woestenij. U begrijpt dat er op deze zone een grote structuurhypotheek rust voor vele jaren. Wij zijn nu 26 en 16 jaar verder. Het traject van de buizen is aangegeven met feloranje gekleurde bakens, die vanuit de lucht goed zichtbaar zijn. Regelmatig vliegen er helikopterpatrouilles overheen, om de pijpleidingen na te zien. Ten tijde van de gasramp in Ghislenghien bijna dagelijks, want het gaat verderop over dezelfde buis. De zomer van 2003 was heel zonnig en droog, je herinnert je dat wel. Ik heb toen eens nagevraagd of ik niet met zo’n helikopter mocht meevliegen. Eerst kon dat niet, dan weer wel, maar na veel vijven en zessen over verzekering en veiligheid is het mij niet gelukt. Tot daar.
Het kan toch niet anders dan dat zo’n drastische werken hun sporen nalaten in onze velden. Nu, zoveel jaren later, is er van op de begane grond niet veel meer te merken. Alleen in zeer droge of zeer natte periodes worden wij toch met het verleden geconfronteerd. Loonwerkers weten maar al te goed waar de buizen liggen. Zo kan je met een vat mest of een kar maïs plots doorslaan tot op de assen, met alle geknoei vandien. In droge perioden zijn lichtere oogsten boven de buizen de regel. De capillair opstijgende vochtvoorziening zal toch nooit meer dezelfde zijn, tenzij misschien over heel wat jaren.
Het is nu opnieuw zeer droog. Komt er nu toch wel iemand vragen of hij geen gemaaide weide kan gebruiken om op te stijgen en te landen met zijn ‘vroemtuig’. Natuurlijk kan dat, maar ik dacht daarbij onmiddellijk aan de buizen. Zeg wel nooit zomaar ‘vliegmachien’ tegen een paramotor trike. Het is een vliegend wonder! Het toestel weegt amper 165 kilo en heeft een parachute of parapente in de vorm van een omgekeerde hangmat. Een driewielig onderstel – dat een beetje doet denken aan de gocarts op de zeedijk – met daarop van achteren een vinnige tweetaktmotor en een vierbladspropeller van anderhalve meter diameter! Een paar boordinstrumenten, een noodparachute, een helm, een windbril, een radio – zodat piloot en passagier met elkaar kunnen praten – en heel veel touwtjes … Meer is het niet, maar in een paar seconden vlieg je 150 meter hoog, tegen gemiddeld 70 kilometer per uur. Rondom jou alleen de echte open ruimte en diep onder jou prachtige beelden. Alles is zo mooi vanuit de lucht, zo perfect afgelijnd. De vuile kantjes zie je niet. De beroemde Omegabocht in de Leie, het Ooidonkkasteel en zijn tuinen, de zonsondergang …
Echt opvallend zijn de vele zwembaden bij de villa’s in Deurle en Sint-Martens-Latem, ja zelfs in ons dorp Sint-Martens-Leerne. Ons dorp deelt duidelijk mee in het residentiële karakter van onze vele bekende buurdorpen. Wij leven in een weelderige tijd. Als je bedenkt dat mijn grootouders nooit gevlogen hebben en je nu in je achtertuin de lucht kunt ingaan? The sky is the limit! Ons hele gezin heeft meegevlogen, één voor één, en iedereen was ‘in de wolken’.
Oh ja, de buizen! Wel, je zag ze heel, héél goed liggen. Soms heel scherp, elke buis alsof je met röntgen door de bodem keek. Soms twee vagere maar bredere stroken en op nog andere plaatsen zijn de twee stroken samen geslibd tot één brede band, met duidelijk flauwere gewassen. Op andere plaatsen zie je dan bijna niets. Waren de werkomstandigheden er beter of schenkt de boer er meer aandacht aan de humustoestand van zijn grond?
Voor de weide waar wij opstegen en landden, had ik nog niet echt een naam voor de boekhouding, de verzamelaanvraag of mijn bemestingsregister. Andere percelen hebben hier een naam: ’t Viergemet, de Halsbrug, de Quatem, de Snellaert … Wel, dit probleem is van de baan: ’t Vliegplein! Met een zeer hartelijke dank aan piloot Stefan Vercambre.

– Johan Schollier -

oktober 5, 2009

Mijn dertien stielen …

Hoort bij: Pierre Michels — melkbrigade @ 8:25 pm

Na maanden wachten en na heel wat voorbereidende werken zijn mijn 5500 legkippen toegekomen. Er zijn zeker boeren die het zich nog herinneren van 50 jaar geleden. Wel, mijn hok is net zo gebouwd. Een derde binnenin is vloer en twee derde is roosters, die 80 cm hoger liggen dan de vloer. Op die roosters liggen van die open voederkettingen, en waterlijnen die ’s nachts ook gebruikt worden als slaapstokken. De legnesten staan middenin, in de lengte van het gebouw, en de eieren worden via een afvoerband naar het eierlokaal afgevoerd. Er komt zonlicht door de vensters in het hok en er zijn deurtjes die we bij goed weer kunnen openzetten, zodat de kippen kunnen scharrelen op de weide van 2,6 ha.
Je ziet zo dat die kippen gelukkig zijn. Ze lijken wel met je te discuteren, hoewel ik ze natuurlijk niet versta. Als mijn vrouw in het gebouw haar toer doet om de grondeieren op te rapen, dan volgen de kippen haar en ze vliegen op haar schouders. Kortom, de Europese regering die de wet gestemd heeft om de kippen opnieuw hun vrijheid te geven, die heeft de juiste beslissing genomen.
Maar, werk dat er aan die kippen is. Eén persoon heeft er zeker vier uur per dag voor nodig. Gelukkig blijft mijn oudste zoon nu thuis en hij is redelijk enthousiast. Ik heb hem ervan moeten overtuigen dat boerenknecht zijn voor hem minder opbrengt dan eierboer te zijn. Als het eerste geld binnenkomt, zullen we zien of het bewaarheid wordt. “Chapeau”, – of in het Vlaams “Hoedje af” – zegt mijn buurman tegen me, “als jij die kippen bij je bedrijft neemt.”
“Het is een echte Vlaming”, zei mijn buur tegen zijn collega’s. Zelf kweekt hij alles wat begint met de ‘p’ van poignon – in het Nederlands zouden we zeggen met de ‘g’ van geld. Bij onze Franse (akkerbouw)producten zijn er heel wat die met de letter P beginnen: paille, patates, poules, poulets, en pois (stro, aardappelen, legkippen, braadkuikens en erwten). Toen ik hier aankwam, teelde ik ook maar twee akkerbouwproducten, net als de anderen. Maar, eerlijk gezegd, je kan daar niet rijk mee worden. Monocultuur dateert nog uit de tijd van Mansholt. Het kan misschien als je een heel groot bedrijf hebt, en dan nog. Hoe kan je nu in deze tijd geld verdienen, als je je meststoffen aan de ene kant van de wereld moet halen en dan je tarwe weer de andere kant moet opsturen tegen een veel te lage prijs. De tarwe die ik vandaag plant, moeten de meelhandelaars bij voorrang kopen. En de mest van mijn halal kippen, mijn twee hokken mestkippen en mijn legkippen is nu ruim voldoende zodat ik geen potas en fosfaat meer hoef aan te kopen.
Na weken droogte hebben we eindelijk op 17 oktober onze aardappelen ingeschuurd. Andere jaren konden we bij het inschuren telkens aardappelen in Big Bags verkopen aan Portugal of Spanje. Nu zien we hier geen enkele handelaar. Het is net alsof er niemand honger heeft.
Op 20 oktober beginnen we tarwe te zaaien, met als hoofdsoorten Soissons en Apache, twee variëteiten die weinig onderhoud vragen. Voor Soissons krijg ik zo’n 10% meer, daarom mag die variëteit iets minder opbrengen. Ze kost ook minder. Het koolzaad dat ik in de droge maand september gezaaid heb, is in plekken opgekomen. De planten die in deze maand oktober bovenkomen, zullen – vrees ik – de winter niet halen. Met mijn suikerbieten haal ik een rendement van 94 ton, aan 16% suiker voor de 40ste week. Waarschijnlijk het topjaar van mijn leven. Mijn conservenerwten brachten een 4000 euro op per ha, ook een topjaar. Maar de bonen die ik na de conservenerwten geplant heb, brachten amper 6 ton/ha op door de droogte.
Van de tarwe was het rendement zo’n 9 ton, net als vorig jaar. Er werden ook rendementen genoteerd van 13 ton, maar van sommige coöperaties hoorde ik dat er nogal wat boeren amper 7 ton per hectare geleverd hebben. Meestal hebben die op enkele percelen – weggemoffeld van de straat en niet zichtbaar – gewoon geen meststoffen aangebracht.
Bij het leveren van de tarwe hebben we een voorschotprijs van boven de 90 euro per ton gekregen. In Zuid-Frankrijk hebben de boeren zo’n 135 euro/ton gekregen, maar velen moeten nu het verschil terugstorten. Eigenlijk is die prijsdaling er maar gekomen toen wij in het noorden aan het dorsen waren. De zuiderse boeren waren twee weken eerder aan het dorsen en hun coöperatie kon die catastrofe niet voorzien.
Eerlijk gezegd, er komen meer en meer kleine veranderingen die ik vroeger nooit heb meegemaakt. Er zitten hier nog Franse appelboeren met hun appelen van vorig jaar in de koelcellen. Er zijn ook boeren met aardappelen en tarwe die al meer dan twee jaar oud zijn. Zelf heb ik mijn stro van vorig jaar niet helemaal willen verkopen. En kijk nu, had ik het geweten …

– Pierre Michels

september 25, 2009

Vreemde koeien

Hoort bij: Carine Cornu — melkbrigade @ 12:00 am

De zomer is voor ons nog altijd vakantietijd. We doen wel al het werk dat we willen doen – en dat is op sommige dagen best wel wat – maar het ritme ligt toch net iets anders. Dat heeft natuurlijk alles te maken met onze schoolgaande kinderen. Daarnaast is de zomer bij ons ook elk jaar een komen en gaan van slapers, voornamelijk van de familie. Nu ben ik hier wel al het moeilijkste door, omdat degenen die komen slapen eigenlijk allemaal hun plan kunnen trekken wat kledij betreft. Mijn deel bestaat er vooral nog uit om op tijd en stond voldoende eten op tafel te krijgen. Voor de rest probeer ik toch maar niet te veel op de slaapkamers te gaan kijken, want dat durft wel eens op een ravage te lijken. Ondertussen heb ik wel al geleerd dat het helpt om hen een wasmand te geven om hun vuile kleren in te doen, dan hoeven we die op de laatste dag enkel nog in een zak te steken. Dat vinden de kinderen best gemakkelijk en eigenlijk de moeders ook, want de propere kleren en vuile was raken niet door elkaar.
Nu hebben we deze zomer echt wel enkele leuke dingen gedaan. Heel in het begin van de vakantie hebben we ons ‘uitwisselingsproject’ gehouden. Dat kwam er eigenlijk op neer dat we al de kinderen van de kant van mijn man – en dat zijn er best heel wat – hadden herverdeeld volgens leeftijd en geslacht. Voor de kinderen bleek dat fantastisch, want dat betekende dat ze eindelijk eens een paar dagen konden doorbrengen met leeftijdsgenoten, zonder last van broers of zussen. Voor ons was dat eigenlijk ook wel plezierig. Wij kregen vier meisjes, waaronder onze eigen dochter. Dat is toch wel heel iets anders dan drie zonen en één dochter. Er werd heel wat meer afgebabbeld en de badkamer was heel wat meer uren bezet. Snel iedereen klaar om ergens naartoe te vertrekken is dan niet zo evident. Maar als je ’s avonds in huis komt en ze staan klaar met een aperitiefje en een dessertbordje, dan is dat toch echt iets om van te genieten.
Wat later in de zomer kwamen er nog eens drie kinderen slapen, van Geert zijn zus. Zij zijn de enigen in de familie (aan Geerts kant) die thuis geen landbouwbedrijf hebben. Het meisje heeft het niet direct op de boerderij begrepen. De zonen, negen en zes jaar, halen haar deel duidelijk in. Zij vinden het fantastisch om koe te spelen. Het komt er dan op neer dat er één de boer speelt en de rest zijn de koeien. Wat is er dan fantastischer dan in alle leegstaande stallen te kunnen rondlopen? Je hoort ze van een heel eind ver staan loeien. Of ze staan met hun hoofd door een voederhek en de boer moet dat weer los maken voor ze eruit kunnen. Niets zou hen beletten om er zo tussenuit te kruipen, maar wil het een beetje levensecht zijn, dan is het toch beter dat je dat met je hoofd doet. Een paar keer per dag zie je ze door de melkput gaan, want ja, koeien moeten gemolken worden. Na het melken doet de boer ze naar de weide en je ziet ze plots op de weide lopen. Ze blijven niet allemaal samen, maar verspreiden zich over de hele weide.
In het begin vroegen we ons wel eens af wat ze daar aan het zoeken waren. Maar dan bleek dat ze weer eens koe aan het spelen waren, en dat ze blijkbaar liepen te grazen. Ze gingen zo op in hun spel dat zelfs Bram (veertien jaar) mocht – of moest – meespelen. De ene keer eens als boer, en de andere keer als koe. De eerste ochtend was Bram in zijn bed blijven liggen, terwijl de andere jongens, zonder wekker, toch al vroeg wakker waren. De tweede ochtend vroeg de jongste aan Bram of hij hem niet mocht komen wakker maken, want ze gingen weer koe spelen. Bram heeft gelukkig genoeg fantasie en hij vond dat geen probleem. Het gevolg was dat er die ochtend al om zeven uur volop bedrijvigheid was in de stallen. Niet alleen wij liepen er rond, maar ook de kinderen waren alweer koe aan het spelen.
’k Moet zeggen dat we er meer dan eens naar hebben staan kijken. Het was in elk geval een mooi schouwspel. En dan beseffen we weer ten volle dat we volop moeten genieten van die mooie momenten, want de kans is groot dat dat over enkele jaren voor ons verleden tijd zal zijn.
Toen we later aan hun ouders het hele verhaal vertelden, herkenden ze dat ogenblikkelijk. Ook thuis blijkt dat hun favoriete spel; inspiratie daarvoor doen ze op bij ooms en tantes op de boerderij. Wat hun buren daarvan maken, dat zullen we waarschijnlijk nooit weten, maar hopelijk hebben ze genoeg fantasie om er met de glimlach het hunne van te denken.
En zo was het al eens een komen en gaan van kinderen. De ene keer hadden we één of twee kinderen aan tafel, en enkele dagen later acht. Het mooie weer hielp natuurlijk wel een handje om het allemaal leefbaar te houden. Op het einde van de vakantie bleek dat nog niet alles op de planning van ‘komen slapen’ en ‘gaan slapen’ ook echt is kunnen doorgaan. Dus ook volgend jaar belooft de grote vakantie weer te kort te zijn.
– Carine Cornu

september 18, 2009

Trendbreuk

Hoort bij: Marcel Heylen — melkbrigade @ 12:00 am

Ik zou deze dagboekbijdrage willen beginnen met de omschrijving van wat een dagboek voor mij is. In het woordenboek wordt dit beschreven als ‘een boek waarin men zijn persoonlijke bedenkingen en belevenissen opschrijft’. De reden waarom ik met deze omschrijving begin is simpel; ik word geregeld aangesproken over wat ik hier neerschrijf. Die reacties gaan dan zowel over de stijl als over de inhoud. En laat mij eerlijk zijn, ik vind het plezant om daarover aangesproken te worden want dat wil zeggen dat men mijn stukjes leest. Gelezen worden is uiteindelijk de bedoeling van iedereen die iets neerschrijft dat gepubliceerd zal worden.
Schrijven kan je met verschillende bedoelingen doen. Je kan schrijven om de mensen te ontspannen, je kan schrijven om de lezer te informeren … Je kan ook – en dat is mijn bedoeling en de bedoeling van deze rubriek – schrijven om de lezer te laten kennismaken met je eigen kijk op de wereld. Aangezien ikzelf melkveehouder ben, is het niet meer dan logisch dat het dan vooral gaat over mijn mening en bedenkingen op de ontwikkelingen in de landbouwsector, en meer specifiek in de melkveehouderij.
Laat me daarom nog eens duidelijk stellen dat ik hier mijn mening als privépersoon neerschrijf en dat ik alle respect heb voor mensen met een andere mening. Ik hoop alleen maar dat die andere mening echt jouw mening is en niet die van een voorlichter die in jouw plaats denkt. Want, hoe mooi deze mensen ook kunnen praten, wanneer het verkeerd loopt, zit jij als boer wel met de gebakken peren en ben je zelf verantwoordelijk voor de engagementen die je op hun aanraden aangegaan bent. Tot zover de inleiding.
Onlangs was ik – samen met nog enkele andere boeren uit onze regio – net als Peter Van Bossuyt en Marlies Caeyers voor de Boerenbond en iemand van het ABS aanwezig op de eerste vergadering in het kader van het Natura-2000-proces, waar het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) kwam uitleggen wat heel dit project inhoudt en vooral wat de bedoeling is. Zoals dat meestal gaat, zoek je bij het binnenkomen een plaats aan een tafel waar al bekende mensen zitten, waardoor we als vertegenwoordigers van de landbouwsector aan dezelfde ronde tafel plaatsnamen. Aan de andere tafels zaten vertegenwoordigers van Voka, Landelijk Vlaanderen (de vereniging van grond- en boseigenaars), Unizo, Sint-Hubertus (de jagers) en Natuurpunt.
Aan elke tafel kwam iemand van ANB zitten, om de mensen rond de tafel zich te laten voorstellen en hen te vragen met welke verwachtingen ze naar de bijeenkomst gekomen waren. Ik verwoordde al meteen mijn grootste bekommernis bij dit soort plannenmakerij, namelijk dat we als landbouwsector uiteindelijk weer het kind van de rekening zullen zijn. We lazen in de folder, die het ANB uitdeelde bij wijze van kennismaking, bijvoorbeeld: ‘Het Agentschap voor Natuur en Bos stelt zich tot doel om elke dag te werken aan meer en betere bossen, natuur en groen in Vlaanderen.’ Dan hoef je echt geen pessimist te zijn om te voorspellen wie er hier aan het kortste eind zal trekken. Ik refereerde hierbij naar allerhande plannen die de groene jongens in het verleden gemaakt hadden en waar wij als landbouwsector dan in het beste geval nog enkele kleine aanpassingen konden afdwingen. Volgens de mensen van het ANB gaat dat dit keer zeker niet gebeuren, omdat alle sectoren van bij het begin inspraak zullen krijgen in de plannen. Als men inderdaad gaat werken volgens de werkwijze en basisprincipes die daar voorgesteld werden, dan kunnen we spreken van een trendbreuk die wij als landbouwsector alleen maar kunnen toejuichen.
In elke presentatie kwam die avond dezelfde slagzin terug: ‘Samen, beter en meer’. Om die slagzin in daden om te zetten, zal men bij de uitwerking van Natura 2000 – die te velde moet resulteren in de instandhoudingsdoelstellingen (IHD) voor de habitat- en vogelrichtlijngebieden – moeten komen tot een goede samenwerking tussen landbouwers, bosbouwers, industrie, jagers en natuur. Door de opmerkingen die ik maakte, kwam de vertegenwoordiger van de grond- en boseigenaars na de vergadering al voorstellen om samen aan één touw te trekken, omdat onze belangen voor een groot deel samenvallen. Want hoe dan ook zijn we in het verleden net iets te vaak voor voldongen feiten geplaatst en op verborgen agenda’s van de groene jongens gestoten, om nu onbevangen en zonder achterdocht alles te geloven wat men ons voorspiegelde.
Zo krijg ik voor de volgende maanden nog een reeks extra vergaderingen op mijn al goed gevulde agenda, want sinds maart van dit jaar zit ik ook nog als vertegenwoordiger van de bedrijfsgilden van de Boerenbond in de raad van bestuur van de vzw Regionaal Landschap Kleine en Grote Nete. Ook daar kregen we de belofte dat men enkel met consensus wil beslissen. Zouden ze de landbouw dan toch eindelijk als een evenwaardige partner zien bij het maken van plannen voor het platteland?
– Marcel Heylen

september 8, 2009

De aarde vanuit de hemel

Hoort bij: Kris Van der Velpen — melkbrigade @ 12:00 am

Deze zomer zond televisiezender één op zaterdagavond een interessante documentaire reeks uit waarin de aarde gefilmd werd vanuit de lucht. Geen nieuws op zich, was het niet dat in deze reeks ook verschillende aspecten aangepakt werden in verband met de natuur en de landbouw. Je kon er met je eigen ogen zien hoe de gletsjers van de Mont-Blanc aan het wegsmelten zijn, hoe de woestijn in Afghanistan weer een groot meer werd en dergelijke dingen meer. Gewoon goeie televisie, zou je zeggen, en eens leuk om te zien. Het werd pas echt interessant toen ook de hedendaagse landbouw eens vanuit een andere hoek bekeken werd onder de titel ‘Hoe voeden we straks bijna zeven miljard mensen?’ Al snel werd duidelijk welke enorme roofbouw de landbouw op sommige plaatsen pleegt. Stukken regenwoud verdwijnen voor gigantische bananenplantages. Vanuit de lucht werd getoond dat duizenden hectaren in Indonesië nu beplant zijn met oliehoudende palmsoorten, waar vroeger tropische houtsoorten groeiden. Natuurlijk ging het ook over ggo’s; het bedrijf Monsanto kwam hier niet al te best uit. Er werd ook gezegd dat de chemische bestrijding van allerlei plagen steeds moeizamer verliep en dat die voor de landbouwer bijna onbetaalbaar zou kunnen worden – iets wat we de laatste jaren zelf ook erg ondervinden. Alternatieven zoals feromoonverwarring werden ook aangehaald.
Wat mij het meeste aansprak, was het feit dat er de laatste decennia heel wat gewassen verdwijnen. Als je daarbij stilstaat, moet je wel zeggen dat dit zeker waar is. Voorbeelden zoals de perzikteelt in het Hageland en de druiven in Overijse zijn hier getuigen van. Ze worden nog wel geteeld en het is lovenswaardig dat er telers zijn die de teelt niet verloren laten gaan, maar de grote dagen van weleer zullen wel nooit terugkomen. Ik weet nog hoe ik als kind in Glabbeek massaal pruimen zag aanvoeren; vandaag moet je bijna zoeken om nog ergens een pruimenboom te vinden. Hetzelfde verhaal komt steeds terug: het is in België te duur om deze fruitsoorten nog te telen en ze worden zo goedkoop ingevoerd dat we er niet mee concurreren. Datzelfde verhaal horen we nu ook in de teelt van zure kersen, en daar zitten we nog met een afnemende vraag. Ook dat gegeven speelt mee in het verdwijnen van gewassen. Je kan wel iets telen, maar de mensen moeten het nog willen eten; soms zijn ze gewoon wat uitgekeken op je product. Pensen met kriekjes kan wel eens lekker zijn, maar ik denk niet dat dit gerecht nog wekelijks bij elk gezin op tafel staat. Zal straks de kriekenteelt ook verdwenen zijn? Ik weet het niet.
In de appelteelt speelt zich ook een dergelijk verhaal af. Het is nu de concurrentie met goedkope appels die men op dezelfde markten verkoopt als degene waar wij ooit kind aan huis waren. Vermits winstmarges de handel bepalen, kiezen ze daar nu voor de goedkope Poolse appel – of zelfs de Poolse appel in een Belgisch pakblad. Deze laatste praktijk heb ik me laten vertellen door iemand die het zelf gezien had.
In de appelteelt hebben we nu wel om de tien jaar te kampen met zware concurrentie. De ietwat oudere lezer herinnert zich zeker nog de Franse Golden. Zelf heb ik als twintiger eens deelgenomen aan een manifestatie tegen de import van fruit uit het zuidelijk halfrond. Nog enkele jaren later waren we blij dat onze veel te dikke Jonagold naar Rusland kon. Telkens kwam de appelteler sterker uit de impasse. Zelfs crisissen konden we overwinnen. De fruitteler heeft dit steeds zelf moeten oplossen. Waar werd er dit jaar betoogd tegen de lage appelprijs? Wie gaat op hoog niveau praten om de mensen te helpen die dit jaar zwaar verhageld zijn en die voor hun fruit minder krijgen dan het gekost heeft? Als er morgen met een koe of een varken iets scheelt, legt men heel het land plat, terwijl wij nog steeds onze plan moeten trekken en dan nog dikwijls te horen krijgen dat die fruitboeren toch nog rijk genoeg zijn.
Fruittelers zullen er wel altijd zijn en appels en peren ook. Gelukkig hebben we de gave van te volharden en op zoek te gaan naar iets nieuws. Zo zag ik een ondernemende fruittelersfamilie uit het Tiense rode bessen plukken met een machine. Een andere teler ging ergens bomen verzorgen, terwijl nog iemand anders zijn heil zoekt in biologische markten. Ik was ook te gast in Rillaar, bij Better3Fruit, waar men de Zari promootte, een nieuw zomerras als aanvulling op de gangbare variëteiten. Er stonden daar ook nog heel wat nieuwe appelrassen. Of er iets bruikbaars inzit, weet nog niemand; maar het feit dat men toch nog zoekt naar iets nieuws is toch al positief te noemen. Wie weet vinden we ooit nog eens een tweede Jonagold en zijn we weer vertrokken voor een aantal gouden jaren. Een mens mag al eens dromen, toch?
– Kris Van der Velpen

september 4, 2009

Adembenemend

Hoort bij: Luc Callemeyn — melkbrigade @ 12:00 am

Op een mooie zomerse zondagavond was ik eens bezig aan de paperassen. Dat is niet zo verwonderlijk, tijdens de week zijn we druk aan het werk en dan worden al die enveloppen en papieren al vlug op een stapel gelegd. Zo nam ik ook een brief ter hand van de Mestbank. Weer ergens een toelichting om iets te doen wat we niet graag doen dacht ik. Ik ben niet erg schrikachtig meer, maar toen ik de inhoud van die brief aan het lezen was moet mij een wel erg hoorbare zucht ontsnapt zijn. Krista kwam zelfs vanuit de zetel kijken wat er scheelde. En dat was niet van de poes! Er werd mij een heffing opgelegd die ongeveer 10.000 euro te hoog was omdat ik niet genoeg aan de mestverwerkingsplicht had voldaan … in 2006!
Vele jaren geleden hadden wij als gemengd bedrijf nog varkens op de boerderij. Omdat ons hart meer bij de koeien lag dan bij de varkens hebben wij toen onze stallen verhuurd aan een zeugenhouder die zo met zijn eigen biggen een gesloten bedrijf maakte. Een sanitaire ideale droom dus. Maar toen de mestwetgeving opkwam besloten wij dat de eigenaar van de varkens ook eigenaar van de mest moest worden en zorgen voor de (betalende) mestafzet. Plots kwam echter minister Dua op de proppen die het nodig vond om mestrechten toe te wijzen aan personen, en dat vonden wij in ons geval natuurlijk niet zo juist. In volledige samenspraak met de huurder van onze stallen hebben wij toen die mestrechten op ons laten zetten, maar daarmee beschouwde men ons als overnemer uit een groot bedrijf en zo erfden wij de besmetting van de mestverwerkingsplicht. Ondertussen hebben wij al lang geen varkens meer hier, het andere bedrijf is ook al grotendeels afgebouwd, maar de heffing blijft bestaan. Al vier jaar op rij betaalden wij daar een boete voor van ongeveer 1900 euro, maar dit jaar was men er op de administratie van de Mestbank in geslaagd om ons een verkeerde berekening voor te schotelen van bijna 10.000 euro te hoog. Een mens zou van minder verschieten. Onnodig te zeggen dat dit in deze moeilijke tijden in de landbouw bijzonder ongelegen komt. Maar hoe is het eigenlijk zover kunnen komen dat iemand daar in de Mestbank (enkele tientallen?) verkeerde aangiftes verstuurd heeft? De wegen van de Mestbank zijn ondoorgrondelijk en ik zal het allicht nooit weten.
Toen ik deze heffing kreeg werd het mij gelijk bijna zwart voor de ogen. Eigenlijk dacht ik dat ik door de nieuwe reglementering van die heffing af was. Ik wist al dat die van vroeger 5 jaar ging lopen. En ik dacht dat die ten einde was. Met deze nieuwe heffing dacht ik dat ik nu misschien een nieuwe cyclus ingezet had van 5 jaar. De hoge heffing was dus van 2006. Ik wist al dat ik ook in 2007 en 2008 niet voldoende mest had verwerkt (gewoon omdat ik dat niet verplicht was) dus zag ik dat cijfer van de heffing al vermenigvuldigen met een factor 3. Meteen begon ik aan mezelf te twijfelen over mijn capaciteiten als manager van mijn bedrijf. Had ik iets over het hoofd gezien? Iets verkeerd ingeschat? En zou een stommiteit mij uiteindelijk misschien wel 50.000 euro gaan kosten? Allemaal vragen die mij die avond te binnen schoten. Later bedacht ik wat een minder sterke persoonlijkheid had kunnen doen als hij bijvoorbeeld die avond langs de loods zou lopen en daar een touw zien liggen …. En dat allemaal door een fout van de Mestbank. Boeren vandaag lopen (financieel) op de toppen van de tenen, en voor een administratieve fout aan Mestbank, Sanitel of premies worden zij gestraft met 500 of 5000 euro, het lijkt wel een willekeur. Ik vraag mij af als die verantwoordelijke van de Mestbank voor zijn onbedachte daad zal aangesproken worden? Of misschien zal het zijn chef nooit opvallen.
In ieder geval was ik er nog niet van af. In eerste instantie wilde ik mij tot een bekende politieker wenden die hier en daar wel wat te zeggen heeft. Daarna dacht ik mij een gerenomeerde advokaat aan te schaffen. Eentje die de rechtbank zou binnenstormen en die zou zeggen: “Luistert eens hier jongens, zo zit dat, en maakt dat eens gauw in orde”. Niets van dat alles, ik legde mijn geval uit aan de dienst die ook mijn mestbank aangiftes verzorgt, en die kon mij vertellen dat de Mestbank toegaf een fout te hebben gemaakt. Daarna maakt ik een afspraak met de verantwoordelijke van die dienst heffingen. Er was inderdaad een fout gemaakt, zo vertelde hij. Ik moest nu maar een bezwaar indienen. Ik zuchtte weer. Ik moest dus een bezwaar indienen dat mij handenvol geld zou kosten, terwijl de Mestbank al wist dat ze zelf in de fout waren . Ik ben nogal voor simpele oplossingen, dus stelde ik voor om mij gewoon een nieuwe, juiste heffing te bezorgen, en die vorige, zand erover. Ja, maar dat kon niet want eens een heffing uitgeschreven was moest die ook geïnd worden. Administratie!! Ik mocht dat bezwaar ook zelf en in mijn eigen woorden doen en dat heb ik dan op grond van de eerder medegedeelde gegevens zo goed en zo kwaad mogelijk gedaan.
Nog even de adem inhouden tot er een antwoord komt.

Luc Callemeyn

augustus 25, 2009

Sterfelijkheid

Hoort bij: Bernadette Jonckheere — melkbrigade @ 12:00 am

Tot mijn veertigste levensjaar waande ik mij onsterfelijk, zoals alle jonge mensen. Mijn man en ik spraken wel eens over wat de ander zou doen als één van ons vroegtijdig stierf, en vooral over wat er met de kinderen en de boerderij zou moeten gebeuren. Maar verder dan wat lacherige suggesties kwamen we niet. Ik zou een flinke boerenknecht in dienst nemen en hij waarschijnlijk een leuke meid of zo!
Zoals jullie wellicht al weten, kreeg ik in oktober 2000 een hartinfarct. De grond werd volledig onder mijn voeten weggemaaid en ik werd in één klap sterfelijk. Ja, die 16de oktober heb ik de hemelpoort gezien en dat doet wat met een mens. Sinds die dag ben ik soms in gedachten afscheid aan het nemen van de mijnen en van wie ik liefheb en mijmer ik af en toe hoe mijn gezin het verder zou doen zonder mij. In het begin had ik dat heel erg, maar stilletjes aan minderden die gedachten. Gelukkig zijn we ondertussen al weer een paar jaar verder en zijn de kinderen jongvolwassenen.
In 2006 werd ik nogmaals abrupt op mijn sterfelijkheid gewezen. Dat tweede infarct heeft me – nog meer dan het eerste – veel van mijn krachten ontnomen en het was psychisch ook heel zwaar om dragen. Sindsdien heb ik dikwijls het gevoel dat ik verder strompel in het leven, vooral in het boerenleven dan. Ik help wel mee wanneer en waar ik kan, maar ik kan behoorlijk gefrustreerd zijn door mijn beperkingen. Je ziet zoveel werk om je heen, zoveel dat je zou willen doen, maar er zijn dagen dat er eigenlijk niet veel uit mijn handen komt en dat ik anderen mijn taken moet laten opknappen. Ik kan daar heel ongelukkig om zijn … Andere dagen kan ik meer aan en doe ik dan weer te veel, zodat ik ’s avonds in de zetel plof en ik geen grammetje energie meer heb – zelfs niet om mijn mond open te doen en te praten. Ik moet soms meer dan een uur bekomen vooraleer er weer beweging te krijgen is in mij. Gelukkig kent mijn gezin ondertussen mijn gebruiksaanwijzing: met rust laten en weer tot zichzelf laten komen.
Was ik volgens mijn cardioloog destijds een werknemer geweest, dan mocht ik niet meer gaan werken en hoefde ik enkel nog mijn gezin te runnen.
Soms denk ik: “Kon ik maar nog lang genoeg leven, tot ik weet dat mijn kinderen hun plaats in de wereld gevonden hebben!” Maar wanneer ben je daar nog zeker van? Je kunt nu denken dat ze het alle drie goed voor elkaar hebben, maar vijf jaar later kan het al een heel ander plaatje zijn. Dus is een mens nooit gerust, hé. Maar dat geldt uiteraard voor iedereen.
Er zullen nog wel mensen zijn die zich in mijn klaagzang van hierboven herkennen. Mensen die ook één of andere ziekte met zich meedragen of doorgemaakt hebben en het ook soms verdomd lastig hebben om mee te draaien in die mallemolen van het leven. Zeker als je zelfstandig bent, is het dubbel zo zwaar – vind ik toch.
Waar ik het ook zeer moeilijk mee heb, is als er hier iemand langskomt wanneer ik net eventjes uitgeteld in de zetel lig. Als die persoon niks van me weet, dan denkt die misschien wel dat ik een luie trien ben die midden de dag zomaar in de zetel ligt en de anderen voor zich laat opdraven. Weerom voel ik dan een diepe gêne. Maar ik kan toch niet aan de eerste de beste mijn hele verhaal doen? Bovendien stuit ik ook op onbegrip. Sommigen denken dat een infarct doormaken een beetje is als een flinke griep doorstaan: eenmaal die voorbij is, is weer alles zoals voorheen. Maar zo is het helaas niet.
“Trek je dat toch niet zo aan”, zegt mijn man. “Je doet voortdurend erg hard je best.” Ik weet wel dat hij gelijk heeft. Als ik niet op een boerderij woonde, dan zou ik het toch gemakkelijker vinden om mij er niks van aan te trekken. Geen mens die erover valt als je eventjes niets doet. Maar als kind van zelfstandigen ben je van kindsbeen af zodanig geprogrammeerd dat eventjes niks doen gelijkgesteld wordt aan lui zijn. Altijd bezig willen zijn, altijd iets om handen hebben, dat werd er bij ons vroeger ingestampt en het is er dan ook moeilijk uit te krijgen. Tot het niet meer gaat, uiteraard.
“Maar ja, ik ben er toch nog”, zegt men dan. Uiteindelijk is dat wel zo. Als we hier in een straal van 1 km rond ons kijken, dan komen we tot de tragische vaststelling dat er – in de 14 jaar dat we hier wonen – al 5 jonge en zelfs heel jonge mensen die boerden, gestorven zijn. Twee heel jonge mensen door zeer tragische accidenten: iemand werd vermoord (!), een ander stierf na een hersentrauma en nu onlangs overleed een vrouw door kanker. En allemaal lieten ze een gezin achter. Dat zijn grote drama’s voor de betrokkenen. En toch draait de wereld door …
– Bernadette Jonckheere

augustus 20, 2009

Nos amis, les Wallons en Ardenne

Hoort bij: Sofie Vansteelandt — melkbrigade @ 12:00 am

Naar jaarlijkse gewoonte trekken wij er het eerste weekend van augustus op uit. Telkens rijden we richting Ardennen. Het begint stilaan op een familiebezoekje te lijken. Het is al voor de vierde maal dat we onze tenten op dezelfde hoeve opslaan. Allez, we slaan niet letterlijk onze tenten op, we gaan gewoonweg op hoevetoerisme: ‘chambres d’hôtes’ zoals je op zoveel plaatsen ziet.
Wij houden van de stilte, van de natuur en van het platteland – plat is het daar niet, maar je begrijpt wel wat ik bedoel! We logeren bij mevrouw Tassigny. Zijzelf heeft een stal dikbillen, maar tijdens de zomermaanden lopen haar dieren in de weiden rond haar boerderij. De zolder van haar huis heeft ze ingericht om mensen te ontvangen. Er kunnen een stuk of tien mensen overnachten. Je kan het niet geloven hoe kalm men daar leeft. Er is weinig stress te merken. Natuurlijk draait de boerenstiel – net zoals hier – niet echt rond, maar ze leven er toch totaal anders. Telkens wij Vlaanderen verlaten, zien wij een heuse bedrijvigheid op de velden en hoe verder wij het land intrekken, hoe kalmer het wordt. Je zou je beginnen afvragen wie er de slimste van de twee is. Je hebt tenslotte maar één leven en als er hierboven beslist wordt dat het gedaan is, is het ook werkelijk met je gedaan!
Een weekendje is zo vlug voorbij. Intussen staan we weer met ons beide voeten op Vlaamse gronden en hebben we ons witloofseizoen gestart. Ook wij zoeken manieren om ons product beter aan de man te krijgen en we hebben nieuwe perspectieven geopend. Mijn man heeft namelijk besloten om elke zaterdagnamiddag op de boerenmarkt van Diksmuide te staan. Ik steun hem voor de volle honderd procent. Hij heeft gelijk, hij zoekt een manier om meer waardering te vinden en voldoening in zijn geteelde groente. Op de veiling moet je dat momenteel niet zoeken, want het is er nog steeds niet te vinden.
We hebben deze stand overgenomen van een kweker, die daarmee gestopt is. Op de markt hangt er een speciale sfeer. Het is een sfeer van samenhorigheid van landbouwers. Boeren die trots zijn op hun werk en hun product en dat willen aanprijzen aan de man in de straat. Het zijn producten die rechtstreeks van de producent aan de consument verkocht worden. Dus, aan de versheid ervan hoef je niet te twijfelen. Er staan kramen met zuivelproducten, groenten en fruit, vlees, gevogelte, ijsjes en pannenkoeken, bloemen enzovoort. Waaraan zou je als consument nog twijfelen? Waarom zou je nog naar de supermarkt gaan? Je hebt er alles bij de hand. De producten worden er op een democratische en klantvriendelijke manier verkocht.
Je mag het wel niet onderschatten. De zaterdag was al de drukste dag van de week en met deze markt op zaterdagnamiddag moeten we nog een tandje bijsteken. Maar voor mijn man zijn dit echt een viertal uurtjes ontstressen. Hij doet het graag en dat is toch ook belangrijk. Intussen kan ik mijn huis schoonmaken en onze oudste zoon is dan boer ‘ad interim’. Hij heeft dikwijls een hele waslijst klusjes die nog afgewerkt moeten worden, terwijl zijn vader de markt doet. Maar geen nood, hij werkt ze met plezier af.
Van zodra we het witloofseizoen starten, begint de zomervakantie vlug te korten. Eens half augustus voorbij blijven er maar een tweetal weekjes meer over. Wat gaat die tijd toch vlug. Onze twee jongens hebben tijdens de maanden juli en augustus veel gewerkt. In juli hebben ze geholpen met de bloemkolen en in augustus helpt onze oudste bij onze buur courgettes plukken. Klaas is vijftien jaar oud en heeft graag zijn dagelijkse bezigheid. Het hoeven daarom niet allemaal even drukke dagen te zijn, maar hij werkt graag. De vakantie eindigt voor hem met een weekje ‘vakantiepraktijk’. Hij moet nog een weekje op school helpen de tuinen te onderhouden, de vruchten in de serres plukken enzovoort.
Onze jongste is momenteel op kamp met de Chiro. Het is dus stilletjes in huis en dat zit me niet zo lekker. Ik heb graag mijn kroost rond mij. Hetzelfde scenario herhaalt zich tijdens de eerste schoolweek. Twee maanden waren mijn kinderen in en rond het huis, in de gebouwen of ergens op de boerderij, maar ze waren thuis. Vanaf september is het stil, zowel binnen als buiten. Enerzijds keert de stilte en de rust terug, maar het blijft toch steeds een stukje afgeven. Dat is lastig voor mijn moederhart!
– Sofie Vansteelandt

augustus 4, 2009

De baas trakteert

Hoort bij: Pierre Michels — melkbrigade @ 12:00 am

Ik heb me al honderd keer afgevraagd waarom je op de landbouwbeurs van Brussel bij al die meelhandelaren en banken volop drank krijgt en bij de Fransen in Parijs niks. Eindelijk heeft een vertegenwoordiger van het grootste Franse kippenslachthuis het me uitgelegd. In Frankrijk zijn het de kippenslachters of eierenhandelaars, enzovoort die de boer opzoeken om een stal te bouwen. Met het afnamecontract dat we met hen tekenen, mag je vrij een meelhandelaar kiezen, want ze produceren zelf geen meel. Maar ja, zo’n meelhandelaar is meestal 10 à 15% duurder dan de handelaar die aan het slachthuis verbonden is, en die handelaar krijgt van de vleesafnemer waarschijnlijk nog erg zware kwaliteitseisen opgelegd. Daarom kunnen ze ons niet trakteren op het landbouwsalon en daarom rijden ze met een klein autootje rond.
Wat die vertegenwoordiger me ook vertelde, is begrijpelijk hier, want ze hebben jaren enorme concurrentie ondervonden van de Belgische meelhandelaren. Franse kippenboeren die afhaakten met de groep Poux (of dat grote kippenslachthuis), zien we vaak terugkeren na enkele rondes met de prijzen van Deinze. Die marktprijzen van Deinze zijn heel goed in de zomer, maar voor de rest van het jaar zijn ze te laag. Zo kunnen de Fransen nu pronken met winstgrafieken die 20% of meer hoger zijn dan de gemiddelde Belgische prijs over vijf jaar gezien.
Eindelijk start ik in oktober met 5000 legkippen van het Label Rouge. Deze maand hoor ik dat de Franse autoriteiten toestemming geven om tot 6000 kippen per hok te houden en je mag twee hokken hebben op je boerderij. Ik vrees dat ze beginnen te panikeren dat er geen eieren meer zullen zijn in de toekomst. Label Rougekippen moeten een buitenloop hebben van 6 m2 per kip. In mijn geval komt dat neer op 2,5 ha. Ze zullen lopen op een droog stuk kalkgrond, waar toch bijna niks op groeit.
Toen ik mijn overeenkomst met de eierenhandelaar afsloot, betaalde hij 1,22 euro/kilo eieren of 16 eieren. Diezelfde 26 juni stond in Boer&Tuinder de prijs van 1,01 euro/kilo, wel voor scharreleieren. De volgende dag kwam de meelhandelaar die hij gestuurd had een contract afsluiten met mij. Ook die was 15% goedkoper dan degene die ik al had gekozen. Eigenlijk kan ik in Noord-Frankrijk maar tussen twee meelfabrieken kiezen die gespecialiseerd zijn in Label Rougemeel of 65% granen in het meel.
Op 7 juli vertrok de voorlaatste bus boeren van Ruddervoorde die ik dit jaar ontvang terug naar huis. Nu kan ik mij weer volop storten op de aankoop van tarwestro. Het kan nog veranderen, maar vorig jaar rond deze tijd had ik al ruimschoots mijn boekje volgeschreven. Nu heb ik maar een 200 van de 600 hectare kunnen aankopen. Misschien verandert het nog, maar al mijn cliënten zeggen njet (of nee).
Wintergerststro heb ik in overvloed aangekocht, de varkensboeren mogen gerust zijn. Zomergerststro verkoop ik aan de Nederlandse geitenboeren. Door de crisis die ik in mijn vorige dagboek beschreef, is er weinig zomergerst geplant, maar ik heb er wel kunnen kopen. Koolzaadstro moet ik van mijn Nederlandse afnemer niet kopen, of toch maar weinig. Dit moet bij hem verhakseld worden en dan verkoopt hij het als kattenbakvulling. Vanwege de crisis verversen zijn klanten waarschijnlijk hun kattenbak veel minder.
Het stro van de conservenerwten heb ik droog binnen gehaald en ik hoefde het niet in te wikkelen. Zo verkoopt het veel beter dan in plastic. Het hooi van de luchthaven zal moeilijk te verkopen zijn deze winter, want in Vlaanderen werd er ook veel hooi geperst en dus probeer ik het richting Parijs te verkopen.
Het ergste is de aankoop van tarwestro. Alleen de oude boeren zonder opvolger en jonge veeboeren zijn me trouw gebleven. De graanboeren willen me niks verkopen. Zij hakselen het, want de waarde van de meststoffen erin is tweemaal hoger dan de prijs die ik voor het stro betaal. Het geeft geen zin meer om te zeggen: “We kopen van je in goede tijden, maar je moet ook in slechte tijden aan ons verkopen.” Gelukkig ben ik niet alleen; mijn collega’s of concurrenten hebben hetzelfde probleem bij hun aankoop. Sommigen doen nog een wanhoopspoging, door met de boer op de dorser te onderhandelen en hen te overtuigen zijn stro te lossen. Ik kan dat niet doen, want ik zit zelf op de stropers en heb geen tijd ervoor.
Op 17 juli werd hier de laatste wintergerst geperst en binnengehaald. De strohandel heeft iets minder afgehaald. Het geeft niet, ik heb er ook minder binnen. Ondertussen heeft mijn Hollandse afnemer me opgebeld: ik mag nog volop koolzaadstro opkopen. Dus die crisis is toch minder erg. En met mondjesmaat komen er nieuwe klanten bij voor mijn tarwestro. Wel moet ik voor het tarwestro dezelfde prijs betalen als vorig jaar. Liever dat dan geen stro.
Vandaag, 4 augustus, is er algemene paniek. Iedere Franse boer belt me nu op dat hij stro voor me heeft, maar vanuit België komt er geen vraag. Het is niet meer prettig, maar gelukkig blijft het mooi weer en kunnen we mooi stro binnenhalen.
– Pierre Michels

juli 17, 2009

Het kieken en de wetgevende macht

Hoort bij: Johan Schollier — melkbrigade @ 10:29 am

Beste lezer, je vindt niet altijd even gemakkelijk een onderwerp voor je dagboek, maar soms bots je er tegenaan. Dat overkwam mij op 23 mei. Uit vorige dagboeken weet u dat ik af en toe en hakselaar bestuur, want soms help ik een loonwerker met chronisch personeelsgebrek.
Ik was dus met zo’n tuig onderweg van Hansbeke naar Zomergem. Net over de brug van het kanaal verandert de weg er in een schaduwrijke, smalle dreef. Ik kwam uit de felle zon het donkere gat ingereden. Een tegenligger – een tractor met sproeier – had er zich aan de kant gezet. Ik had de tractor gezien maar niet het spuittoestel, dat nog eens zo’n halve meter uitstak. Ik had het echt niet gezien; in één kwak lag zijn volledige sproeiraam tegen het asfalt! Miljaar … Had ik niet met open deur gereden, dan had ik het niet eens gemerkt en was ik gewoon doorgereden. Maar ik had ‘iets’ gehoord en ik was wat doorgereden om een parkeerplaats te vinden. “Gaat dat kieken nu nog doorrijden ook?” schreeuwde de boer tegen de twee chauffeurs die met mij mee waren.
Enkel op mijn band kon ik een afdruk zien: had ik drie centimeter meer naar rechts gereden, dan was er niets gebeurd! Maar goed, dit was de eerste keer in de dertig jaar dat ik een hakselaar bestuur dat de loonwerker door mijn fout de verzekering moest aanspreken. Ze mogen dus eigenlijk niet klagen.
De boer met de tractor was onderweg van Sint-Laureins, op de grens met Nederland, naar een perceel maïs op de grens van Deinze en Kruishoutem. Dat is 45 km! Hij had dus ongeveer twee derde van dit traject afgelegd en mocht nu onverrichter zake zijn terugreis aanvatten, met een sproeier in twee delen. Nog maar goed dat er geen spuitstoffen in het vat waren of er was wel degelijk sprake geweest van een ernstige puntvervuiling, want ook de aanzuigfilter werd afgerukt. De boer tilde het zwaarst aan het feit dat zijn maïs nu niet gesproeid kon worden en die had dat dringend nodig. Uit eerlijke schaamte stelde ik voor dat ik zijn maïs zou sproeien. Zo gezegd, zo gedaan. ’s Anderdaags ben ik samen met hem naar de zuidkant van Deinze gereden, met mijn sproeier – een mooi toestel dat ik enkele jaren geleden tweedehands op de kop kon tikken. Toen de boer dat zag, zei hij vlakaf dat ik zijn toestel beter helemaal naar de vaantjes had gereden.
Maar nu komt het. Waarom bewerkt een boer een veld op zo’n grote afstand? Waarom spreekt hij hiervoor geen loonsproeier van ter plaatse aan? Wel, dat is een bizar verhaal. Hij werd onteigend op de wijk ’t Zandeken in Evergem, waar men inmiddels het Kluizendok is beginnen graven, voor de uitbreiding van de Gentse haven. Hij heeft dan een ander bedrijf overgenomen in Sint-Laureins. Als gevolg van die onteigening kreeg hij van de VLM andere gronden toegewezen, en die liggen in Deinze. Ben je daar dan mee geholpen? “Als je jaren op de wip van een onteigening zit, neem je alles mee waar je kans van krijgt”, aldus die boer. Je leert leven met die afstand. Omdat die gronden dan ook nog door Pier, Pol en Jan gebruikt werden, hebben ze een ernstig onkruidprobleem. Daarom wou hij de zaak zelf in handen nemen, wat ook te begrijpen is.
Zo zie je maar dat je in Vlaanderen nooit je boontjes te week moet leggen op een stuk grond. Ze kunnen van overal komen. Vlaanderen is te klein voor de ondernemende Vlaming en het zal steeds méér te klein worden. Jaren geleden kocht de VLM in Deinze de Stockstormhoeve, met meer dan 35 ha grond erbij. Dat ligt nogal moeilijk in Deinze want er zat toen een jonge boer op dat bedrijf en ook hij moest zijn biezen pakken! De gronden zouden als grondenbank dienen voor de aanleg van het Deinse en Gentse stadsbos. Maar daar kwam nog niet veel van in huis – althans niet van die ruilen, wel van de bebossing. De Deinse boeren vertrouwen de VLM niet meer. Volgens de laatste ontwikkeling komen er nu vijf grote serrecomplexen op de Stockstormhoeve. Maar dat is uiteraard ook landbouw.
Wij zijn een huis aan het bouwen. Na 25 jaar boeren mag het wel eens iets anders zijn dan een stal of een loods. Nu de banken zo knoeien met onze zuurverdiende spaarcenten, is dit misschien het beste wat je kan doen. Een stulpje voor onze oude dag, als ’t God en nog een paar anderen belieft. Tot nu toe hebben we bijna alles zelf gedaan. De ruwbouw is klaar en nu plaatsen we het dak. Zo weet u meteen waar al onze ‘vrije’ tijd en ook wel een flink stuk van onze vakantietijd naartoe zal gaan. Het geeft wel een goed gevoel hoe je samen met je gezinnetje een huis uit de grond puurt. Ook mijn vader helpt wel eens mee, maar die heeft als gepensioneerde bijzonder weinig tijd, dat begrijp je wel. De belangrijkste pion in dit alles is onze zoon Brecht, die even in de bouw heeft gewerkt. Het ziet er beetje bij beetje naar uit dat hij de hoeve hier wel zal voortzetten en dan moeten wij plaats kunnen ruimen. Het zou de zesde generatie zijn van vader op zoon in lijn. Het doet mij een beetje denken aan een spreuk die hier vroeger op de schouw stond: ‘Daar alleen kan liefde wonen, daar alleen is ’t leven zoet, waar men stil en ongedwongen alles voor elkander doet.’ Mijn echtgenote Vera ziet het nog eenvoudiger. Onlangs bij een discussie over de kleur van het voegsel: “Tut, tut, tut … jullie zijn de uitvoerende macht. Ik ben de wetgevende macht!” … Maar dat wist ik natuurlijk allanger.
Ach, ’t leven kan toch schoon zijn! Prettige vakantie, en vergeet vooral niet ook echt vakantietijd te nemen.

– Johan Schollier

juli 16, 2009

Tour de France, tour de ma vie

Hoort bij: Henk van Beek — melkbrigade @ 10:16 am

Ik heb eens gehoord dat afdalingen veel gevaarlijker en moeilijker zijn dan een beklimming. Je kan door de snelheid uit de bocht gaan en zo recht het ravijn in. Te stevig in de remmen gaan is ook gevaarlijk, je gaat zo onderuit. En toch moet je zorgen dat je met zo weinig mogelijk inspanningen, gestroomlijnd, geniet van de voordelen van een afdaling. Ook mijn ouders zijn aan hun afdaling bezig; binnen enkele jaren komt de pensioen gerechtigde leeftijd eraan. Voor een zelfstandige is dit nog steeds 65. Toch als je niks wil verliezen van het al armmoedige bedrag in vergelijking met het pensioen van een doorsnee ambtenaar. Maar laat ik over het bedrag maar niet klagen, aangezien ik er van overtuigd ben dat wanneer het mijn beurt is, de pot helemaal leeg zal zijn, indien men niet drastisch ingrijpt! Het gaat echt mijn verstand te boven als ik op het nieuws hoor dat men arbeiders – met de economische crisis als drogreden – soms op vervroegd pensioen stuurt. Op 52-jarige leeftijd!
Maar laat ik niet klagen. Ik ben gelukkig met men bedrijfje, werkend in en met het groen. Zoals je misschien weet uit mijn eerdere dagboeken, is mijn bedrijf nauw verweven met dat van mijn ouders. Onze bedrijven liggen naast elkaar, en werken op alle vlakken samen, zowel op productie als verhandeling en afzet. Hierdoor zal ik ook voor een heel stuk meegaan in de afdaling die mijn ouders nu maken. Ik zal ergens wel terug aan een klim zal beginnen, daar waar zij definitief afstappen. En inderdaad merken we dat een afdaling niet evident is. Stoppen, hoe doe je dat? Voorlopig moeten we onze productie en afzet nog op hetzelfde niveau houden zoals vroeger, wat we dan ook doen. Laat ik bij deze onze klanten alvast gerust stellen.
Nu zal je misschien denken dat een overname van het ouderlijk bedrijf door mezelf logisch zou zijn. Misschien is dit wel zo, maar daar bedank ik vriendelijk voor. Dit heeft met mijn persoonlijke situatie te maken en met mijn visie op het leven. Ik zou erg graag actief blijven in de veredeling van struiken en bomen, wat een kleine nichemarkt is. Maar ik ben zeker niet van plan om nog grote en zware cols te gaan beklimmen, als je begrijpt wat ik bedoel. Natuurlijk zal ik nog moeten investeren en hard werken; hier heb ik geen bezwaar tegen. Dat laatste is trouwens altijd mijn lust en leven geweest. Maar als parcours verkies ik dan toch een glooiend landschap, waar ik genietend kan doorfietsen.
Een echt klein familiaal bedrijfje, zonder externe werknemers, eigen baas, beperkte oppervlakte en toch leefbaar, zoals ik het thuis altijd heb gekend. Laten we eerlijk zijn, en toegeven dat het klimaat dat de Vlaamse Overheid, de banken, Fedis, de politieke en professionele instanties creëerden niet gunstig is. Er is in het verleden een (juiste) keuze gemaakt om vooral opportuniteiten te creëren voor grotere KMO’s. Ik heb hier alle begrip voor, zeker omdat dit voor de Vlaamse regio waarschijnlijk de beste keuze was en nog steeds is. Ik ben er daarom van overtuigd dat ik mijn heil best elders ga zoeken. Dit is een uitdaging die mij erg stimuleert, maar anderzijds ervaar ik ook wel eens angst. Toch kijk ik met veel goesting naar de toekomst. Als ik echt wat concreets te melden heb, dan lees je het als eerste hier.
Ik kijk in deze fase van mijn leven regelmatig terug. Ik ben heel gelukkig dat ik geboren en getogen ben op ‘den boerenbuiten.’ Opgegroeid op de boomkwekerij, goede en degelijke opvoeding gehad van mijn ouders en grootouders. Heel veel kansen gekregen in het leven en vele ervaringen mogen opdoen. Meer dan vijftien jaar actief geweest als boomkweker en voorvechter voor onze belangen. Ik heb dan ook met fantastische mensen mogen samenwerken, veel geleerd, en getracht wat goeds te doen. Rondleidingen gegeven op onze bedrijven, complimentjes hiervoor gekregen. Dossiers gelezen en soms echt een verschil gemaakt bij onderhandelingen. Jurylid geweest bij verschillende wedstrijden en laatstejaarsstudenten beoordeeld, wat ik nog steeds als een groot voorrecht ervaar. Hopelijk heb ik steeds juist geoordeeld? Ik heb ook stagiairs begeleid en geholpen bij hun verhandelingen, en later gemerkt dat ze goed terecht zijn gekomen. Dit en nog zoveel meer geeft mij zoveel voldoening en goesting om verder te doen. Net als het dagboek trouwens.
Nog kort even over onze voorzitter, Piet Vanthemsche. Bij zijn aantreden had ook ik vooroordelen, ik ken hem niet persoonlijk. Wel lees ik steeds vaker zijn ‘Op de eerste rij’, en zie hem met regelmaat op informatieve zenders, zoals laatst op kanaal Z. Ik heb mijn vooroordelen reeds laten varen, en ben steeds meer onder de indruk van zijn aanpak.
Wat wens ik hem (en iedereen) voor deze zomer buiten goed weer? Goesting, vooral veel goesting om er voor te blijven gaan, zeker nu in crisistijd. Het licht aan het einde van de tunnel bereiken we niet door negativisme, wel door steeds kritisch te blijven werken aan een duurzame toekomst. Saluut en de wind van achter.

– Henk van Beek

juli 10, 2009

Administratieve vereenvoudiging

Hoort bij: Marcel Heylen — melkbrigade @ 10:27 am

Als ik nu – einde juni, bij het begin van de zomer – terugkijk op de voorbije maanden, dan mogen we toch wel besluiten dat we een prachtig voorjaar achter de rug hebben. Al was het soms wel moeilijk om te beslissen wanneer de vooruitzichten gunstig waren om te maaien. De weersvoorspellingen waren bijna twee maanden lang elke dag hetzelfde: mooi, zonnig weer, met plaatselijk kans op een bui. Om de risico’s te spreiden, hebben we onze eerste snede gras dan ook in vier keer gemaaid. Dat moet ik wel een beetje nuanceren. We hebben namelijk ons Italiaans raaigras als voorteelt van maïs in twee beurten gemaaid en onze graas- en maaiweiden ook in twee keer. Dat laatste vooral ook om groeitrappen te krijgen in onze graasweiden voor de koeien, want ik blijf vasthouden aan weidegang voor onze koeien. In de eerste plaats voor de gezondheid van de dieren zelf, want ondanks alle comfort dat we onze koeien in de stal proberen te geven ben ik er nog altijd van overtuigd dat de weide de comfortabelste verblijfplaats is voor een koe. Want, zeg nu zelf, het is toch een waar genot voor de boer om een kudde gelukkige en gezonde koeien op een zonnige dag in de weide te zien grazen of languit in het gras te zien liggen. Dan vergeet je toch op slag de lage melkprijzen en besef je weer waarom je melkveehouder werd.
Maar ook economisch gezien is weidegang volgens mij een goede zaak. Door grazen en maaien van de weilanden regelmatig af te wisselen, kan je de opname van gras behoorlijk op peil houden. Daardoor kan je – in combinatie met maïs aan het voederhek in de stal – een zeer evenwichtig en relatief goedkoop rantsoen aanbieden aan de koeien, zonder dat je moet toegeven op melkproductie. Het blijft natuurlijk de keuze van de boer zelf of hij al die moeite wil doen en of hij daar tijd voor heeft of tijd voor wil maken. Ook dit is allemaal wel erg relatief, want ik zie de laatste tijd bij veel melkveehouders een enorme drang om te groeien in aantal koeien. Als reden halen ze dan telkens aan dat ze dit doen om klaar te zijn voor de toekomst.
Ik heb daar zo mijn bedenkingen bij. Laat me vooraf duidelijk stellen dat ik de mening van iedereen respecteer en dat iedereen van mij zijn plannen mag realiseren, maar ik stel vast dat er heel wat boeren zijn die met 50 à 60 melkkoeien hun boterham kunnen verdienen. Studies wijzen trouwens uit dat dit aantal ook de limiet is voor één persoon om zijn werk en de verzorging van de dieren goed rond te krijgen en daarbij ook nog een normaal, aanvaardbaar gezins- en sociaal leven te hebben. Want hoe gedreven en werklustig je ook bent, elke mens heeft zijn grenzen en er is echt wel meer in het leven dan werken alleen.
Voor mij betekent ‘klaar zijn voor de toekomst’ dat ik een bedrijf heb dat de volgende generatie kan overnemen en met een veestapel die een goede genetische basis heeft, want daar is volgens mij nog heel veel winst te halen. Wanneer je – door stieren te gebruiken die de productiekracht van je koeien verbeteren – met hetzelfde aantal koeien 2000 kg melk per koe en per jaar meer kan produceren, dan heb je zo ruim 100.000 kg melk meer geproduceerd in dezelfde stal, zonder dat je kosten moet maken om bij te bouwen. Ik besef natuurlijk ook wel dat het een werk van lange adem is om je veestapel genetisch te verbeteren, terwijl je bij bouwen al na enkele maanden het resultaat ziet. Daar staat wel tegenover dat je de financiële lasten van bouwen ook heel wat jaren meedraagt.

Ik heb de afgelopen drie weken zowat de Ronde van Vlaanderen achter de rug, want van Diksmuide, over Ninove en Oostmalle, tot in Hasselt heb ik in het kader van een reeks studienamiddagen over Veeportaal als een van de sprekers aangetoond hoe deze internettoepassing voor mij als veehouder een meerwaarde oplevert. De opkomst was telkens goed. Er waren heel weinig klachten over de werking van Veeportaal en – wat zeker zo belangrijk is – heel wat vooral rundveehouders maken al gebruik van Veeportaal of willen er gebruik van maken. Bij de start in maart gebeurde 16% van de geboortemeldingen via Veeportaal; in de maand mei was dit al opgelopen tot 33%. De boodschap die ik telkens meegeef ,is dan ook behoorlijk positief. Ik ben van oordeel dat je het ook mag zeggen als iets goed is.
Het plezante aan Veeportaal is dat je steeds meer mogelijkheden ontdekt naarmate je er meer mee werkt en vooral dat je ondervindt dat deze toepassing duidelijk bijdraagt aan de zo dikwijls gevraagde maar tot nu toe nog veel te weinig gerealiseerde administratieve vereenvoudiging. Ik geef even een voorbeeld dat ikzelf ervaren heb in de praktijk. Bij een controle op de randvoorwaarden hoef je helemaal geen veeregister op papier meer voor te leggen. Wie al zijn veebewegingen binnen de drie dagen in Veeportaal bijwerkt, hoeft enkel het register op het computerscherm te tonen als officieel bewijs.
Voor de mensen die interesse hebben: op donderdag 2 juli is er in Aalter nog een laatste studienamiddag. Misschien ontmoeten we elkaar daar wel.

– Marcel Heylen

juli 3, 2009

Koeien in de wei

Hoort bij: Carine Cornu — melkbrigade @ 10:28 am

Het klinkt voor velen onder jullie allicht bekend in de oren. Een zalige, zomerse zondagnamiddag. Wat later dan gewoonlijk naar huis gekomen van een feestje … en dan moet je nog aan het werk beginnen. Eén probleempje hebben we enkele jaren geleden al aangepakt. De koeien lopen gewoonlijk op een weide waar we met de auto voorbijrijden. Daar zetten we enkele van de kinderen af en zij kunnen de koeien zo meebrengen naar huis. Tegen dat wij thuis zijn en de melkmachine gestart is, zijn de koeien en de kinderen thuis. Die weide heeft er ondertussen al enkele jaren haar naam aan te danken: de kinderen hebben haar de ‘zondagswei’ gedoopt.
Dat was dus de voorbije zondag niet anders, maar de kinderen zaten allemaal op hun blote voeten in de auto. Mijn man Geert bood aan om dit keer de koeien mee naar huis te brengen. Omdat we dan van plaats moesten wisselen om verder te rijden, vond ik dat ik dat eigenlijk net zo goed kon doen. Ik dus uit de auto gestapt, in een rok en met mijn zonnebril op. En dat bleek nu juist het probleem. De koeien keken hun ogen uit. Ze wisten echt niet welke verschijning ze daar plots zagen. In plaats van de koeien vlot naar huis te krijgen, bleven ze allereerst al rustig staan. Je kunt ervan op aan dat ik elke hoek van de wei heb gezien, telkens een koe ophalend die het nog bijlange na niet nodig vond om gemolken te worden. Als ik dan toch wat dichter in hun buurt kwam, dan stonden ze mij eerder te bekijken als een rariteit dan dat ze rustig richting stal zouden gaan.
Na een korte tijd dacht ik eraan dat ik mijn zonnebril nog op had. Het leek me toen een goed idee om die maar af te zetten. De koeien zouden mij misschien weer herkennen en eindelijk doen wat ze moesten doen – dus naar de stal gaan. Sommige koeien vonden blijkbaar de boerin in een rok ook een zeer zeldzame vertoning (het is dan ook niet mijn gebruikelijke werktenue) en ze vonden het nog steeds nodig om mij aan te staren. Uiteindelijk zijn ze toch thuis geraakt. En met het mooie weer was het voor mij al bij al toch wel een mooie wandeling.
De koeien van de wei halen als het mooi weer is, vind ik eigenlijk best een fijne bezigheid. Het is misschien omdat ik het niet dagelijks doe, dat ik er wat meer van kan genieten. Dikwijls sturen we de kinderen om de koeien, liefst met z’n tweeën. Ook al hebben ze er niet altijd evenveel zin in, voor hen is het eigenlijk alleen maar een wandeling. Als de koeien achter ons hof lopen, zie je zeker het volgende scenario. Eerst vertrekken de kinderen, al huppelend of zigzaggend. Na een hele tijd verschijnen de koeien. Vanuit de keuken zie ik ze naar huis komen, eerst druppelsgewijs en stilaan in een lange stoet. Allemaal mooi in het gelid, na elkaar. Een prachtig gezicht, maar voor mij ook het sein dat ik kan starten met melken.
Af en toe ga ik met één van de kinderen om de koeien. Zo ging ik op een avond de koeien halen samen met Marrit, onze dochter van 11. Ze liepen toen vrij ver van het hof en we moesten toch tien minuutjes stappen voor we aan de weide waren. Zo samen stappend heb je eigenlijk wel een mooie gelegenheid om eens te babbelen. Ik vraag me af en toe wel eens af of ze het erg vinden om op een boerderij geboren te zijn. Zij zien namelijk meer de nadelen, terwijl wijzelf en ook de anderen er de voordelen van inzien. Af en toe eens moeten helpen, is zo een van die grote nadelen als kind. En stilaan ging het gesprek dan ook die richting uit. Met de grote vakantie voor de deur vroeg ik mij af of ze niet liever had dat ik uit werken zou gaan, zoals zoveel mama’s. Ik zei er dan ook in één adem bij dat ik als ik thuis was wel wat meer tijd zou kunnen vrij maken voor hen. Ik zou ook al eens gemakkelijker kunnen helpen bij hun huiswerk. Zo somde ik vooral al de voordelen op van buitenshuis te werken. Ze had haar antwoord al snel klaar: “Maar je zou dan wel veel minder thuis zijn. Neen, laat ons maar op een boerderij wonen. Zo zijn jullie altijd thuis.” Dus blijkbaar gaat ze toch wel een zalige en onbezorgde vakantie tegemoet.

– Carine Cornu

juni 28, 2009

Hoort bij: Kris Van der Velpen — melkbrigade @ 10:16 am

Sneeuwwitjes appel was zeker niet Belgisch
Als ik dit artikel schrijf, zijn we net de verkiezingen van 7 juni gepasseerd. Een mooiere Vlaamse overwinning was bijna ondenkbaar. In de komende weken wordt er hopelijk ook aan de kiezers gedacht en gebeurt er ook iets met de stem van het volk. Een vraag die vaak terugkeert, is welke richting men nu uit kan – of wil – en de eerste dagen na elke verkiezing is het altijd wat speculeren wie met wie in zee gaat en naar welke doelstellingen gestreefd zal worden de komende jaren.
In de hedendaagse fruitteelt is het ook altijd kiezen welke richting we de komende jaren uitgaan. Telen we over vijf jaar alles biologisch? Of wordt de huidige millieubewuste teelt iets wat zeer nauw aansluit bij de biologische productie? Als je ziet dat vandaag de residunormen van veel sproeiproducten zodanig laag worden, zou dat me niks verbazen. Sproeiproducten zoals Captan spoten we tot voor twee jaar nog in ons schema tegen bewaarziektes, dus twee weken voor de pluk. Tegenwoordig moet je nu al stoppen met Captan, want anders komt je fruit niet meer in aanmerking om naar Rusland te exporteren. Zo is er intussen al een heel lijstje van producten waar men vanuit die hoek serieuze beperkingen oplegt. Je kan wel opmerken dat niemand verplicht is om zijn fruit naar Rusland te exporteren, maar wat doe je als je appels eens wat groter uitvallen? Gewoonlijk zijn we dan maar al te blij dat we ze ginder nog kwijtraken. Er is ook niet alleen de export naar Rusland, maar er zijn nu ook enkele supermarkten die hun eigen residunormen opleggen. In zo’n situatie ben je als teler nog meer verplicht om je spuitgedrag aan te passen.
De tijd van wat meer te sproeien dan noodzakelijk is voorbij. Tot voor kort keken we alleen maar naar sproeischema’s die garantie boden op ziekte- en insectenvrij fruit. Nu moeten we ons afvragen of we het product nog wel kunnen gebruiken zonder straks problemen te krijgen met onze afzet van het fruit.
Gelukkig heeft deze hele problematiek ook een positieve kant, want nu moeten we wel meer op zoek naar alternatieven. Zo maken we tegenwoordig gebruik van een techniek die de insecten hormonaal in de war brengt. Je hoeft dan maar een plastic dopje met een feromoon in de boom te hangen en de fruitmot verdwijnt na een tijd uit je boomgaard. Er zit een hele techniek achter, maar om die volledig uit de doeken te doen, is mijn column wat klein. In het begin moet je dit proces wel nog ondersteunen met sproeiproducten, maar in de loop van de zomer bespaar je toch één of twee bespuitingen. Hopelijk werkt deze techniek nu nog heel efficiënt en kunnen we het gebruik ervan nog uitbreiden, zodat we ons – en de nuttige insecten –een massa insecticiden uitsparen. Wie weet halen we ooit het nieuws hiermee.
Wat ik ook bij mezelf merk, is dat we al eens vlugger naar de bosmaaier grijpen om netelstruiken te verwijderen. Vroeger zouden we die bespoten hebben tot ze er letterlijk bij neervielen. Misschien komt er over enkele jaren een machine aan te pas om de herbicidendruk te verminderen. Voorlopig is dat nog iets wat hoofdzakelijk in de bioteelt gebeurt, maar het zou me niet verwonderen dat we straks in de zomer de vegetatie onder de bomen moeten afmaaien in plaats van de grond dood te sproeien met herbiciden.
Als teler heb je in dit verhaal weinig te kiezen. Je hoeft dat allemaal wel nog niet doen en je mag zelfs nog alles sproeien wat wettelijk toegelaten is, maar persoonlijk denk ik dat we toch genoodzaakt zijn om de evolutie van het residuvrij fruit zeer nauw op te volgen. Anders eindigen we zoals menig aardbeiteler die vandaag langs de kant van de weg zijn product moet slijten omdat hij van geen lastenboek wil weten.
Gelukkig hebben we in België wel goede instanties zoals ons Proefcentrum voor de Fruitteelt, het ministerie van Landbouw en de veilingen, die ons over deze materie tijdig informeren. Ik hoorde onlangs op een vergadering van de Studiekring Guvelingen dat vorig jaar zelfs alle instanties samengewerkt hebben om de telers tijdig te informeren over de residunormen voor export naar Rusland. Toen ik vernam dat dat in veel andere landen niet gelukt was, was ik toch wel positief verwonderd.
Zo zie je maar dat er mits een beetje goodwill wel wat te bereiken valt. Hopelijk lukt het onze politici deze dagen ook om hun goodwill te tonen zonder hun eigenheid prijs te geven.
– Kris Van der Velpen

juni 17, 2009

Land van hoop en glorie?

Hoort bij: Luc Callemeyn — melkbrigade @ 9:33 am

Het is precies 5 jaar geleden dat ik u hier het verslag bracht van onze reis naar Amerika met onze fokkerijclub Westhoek Holsteins. Ik ben nu net een week thuis van de tweede editie. Waar wij de vorige keer de streek van Michigan en vervolgens Canada bezochten, trokken we nu meer naar het warme zuiden met als start de omgeving van Dallas in Texas en vervolgens New Mexico, Arizona, Nevada en California. Niet alleen het klimaat was er anders (zeer heet), we kwamen ook terecht op de mega-grote bedrijven. Naar schatting hebben wij op onze reis 50.000 koeien gezien en ongeveer 70.000 stuks jongvee. Zo zagen wij bedrijven van 200 tot 10.000 koeien, of ook een jongvee opfokbedrijf met 26.000 dieren van 8 – 23 maand. Niet te geloven allemaal, als je dan met de bus aan het rondrijden bent in de voedergangen en op het bouwblok van een slordige 150 hectaren, loodsen, silo’s en mestopslag inbegrepen. Wat dacht je van een bedrijf waar 7 mengvoerwagens constant voeder aan het bereiden zijn? Of 4000 kalverhutjes waar elke dag 100 à 150 verse kalveren binnenkomen die moeten biest krijgen?
Het was imponerend om te zien, maar tegelijk ook confronterend om te leren hoe men omgaat met de diverse productiefactoren zoals: klimaat, voeder, arbeid, gebouwen en kapitaal.
Het heeft mij verrast dat er zoveel onproductieve oppervlakte is in de VS. Wij hebben ongeveer 6000 km afgelegd met de bus en daarvan was meer dan de helft gebieden met droge prairie, rotsen, bergen of zandvlakten met cactussen. Niet alleen is het daar warm, in de zomer gemiddeld 35-45° met uitschieters tot 50°, er valt ook bijzonder weinig neerslag, tot 300 liter per jaar. Zo zagen we heel veel grote watersproeiers die tot 60 ha in één cirkel konden beregenen, tot 600 liter per vierkante meter. Door de warmte kan men dan wel tot 2 oogsten per jaar hebben (tarwesilage + maïs) maar iedereen vroeg zich af hoe lang zulke roofbouw op het grondwater nog mogelijk is. Het voeder van de grote melkveebedrijven wordt dikwijls van 1000 km ver aangevoerd, liefst zo droog mogelijk om zoveel mogelijk kg ds te vervoeren per vracht. Op de boerderij voegt men dan wel weer water of kaaswei toe voor de smakelijkheid.
De kosten voor gebouwen zijn minimaal, een corral (grote box) afgespannen met staaldraden en een voerhek en in het midden een afdakje voor wat schaduw tegen de verzengende hitte, precies groot genoeg dat alle koeien er onder kunnen. Er zijn dan wel gigantische hoeveelheden ventilatoren die wat luchtstroming moeten teweegbrengen, of ook koudwatersproeiers aan het voerhek. De mest in de corral wordt met de tractor steeds weer verdeeld zodat hij vlug kan opdrogen en die wordt later uitgeschept en verder gecomposteerd en gedroogd voor de akkerbouw. Ofwel wordt de mest uit de loopgangen opgezogen en op een betonvlak verdeeld om te laten drogen. De gangen worden regelmatig gespoeld met recyclagewater van de mestverwerking zodat ook het zand dat uit de ligboxen valt weer kan gerecupereerd worden.
Arbeid is nog steeds vlot beschikbaar in Amerika, en zeker door de huidige recessie is het niet moeilijk om aan goedkope werkkrachten (Mexicanen aan 3-5 dollar per uur) te komen. Kijk dan maar niet te nauw naar hun huisvesting, ik zag krotjes waar je in Vlaanderen nog geen vergunning zou voor krijgen om varkens in te houden. Wat betreft efficiëntie is er nog niet veel veranderd, 1 man doet net als bij ons ongeveer 50 koeien. Op het grootste bedrijf met 10.000 koeien is dit wel 200 man personeel, om dat te leiden moet je niet enkel een goede koeiboer zijn, maar ook een uitstekend manager!
De capaciteiten van de manager komen in deze moeilijke tijd voor de melkveehouderij ook tot uiting in het beheer of aantrekken van kapitaal. Vele bedrijven in de VS staan dezer dagen op de rand van het failliet vanwege lage melkprijs, hoge voederkosten en grote aflossingen. Waar we 5 jaar geleden zagen dat vele bedrijven bezig waren om te verdubbelen of meer, zagen we nu mooie recente bedrijven van ongeveer 2000 koeien die niet volzet waren of die leeg stonden. Het laatste jaar geen vaarzen ingeschakeld, of helemaal failliet. Een volgende confrontatie met het kapitaal wordt de volgende maïsoogst. Veel akkerbouwers zijn voor hun vorige oogst nog niet betaald, en wanneer die nu in juli-aug beslissen om niet te hakselen als voeder maar om hun maïs te dorsen (momenteel voor zeer goede prijzen), dan verdwijnt een groot ruwvoederpotentieel.
Bij onze laatste bedrijven die we bezochten bespeurden wij een zekere kentering. Eentje was zijn bevloeide gronden aan het omschakelen van dierenvoeder naar wijngaarden en amandelnoten, een ander maakte plannen om de bio-melk van zijn 800 koeien te gaan verwerken tot boter en kaas. Tja, ook daar staat de evolutie niet stil.
Ik ben blij dat ik weer terug ben, straks kan ik 3 ha tweede snede gaan maaien voor mijn 75 koeien. Toch weer met de voetjes op de grond.

Luc Callemeyn

Overschakelen naar Plan B

Hoort bij: Dagboek B&T — melkbrigade @ 9:33 am

Tijdens het interviewen van een bekend persoon wordt er soms naar een ‘plan B’ gevraagd. Daarmee bedoelen ze welk beroep je op de tweede plaats in gedachten had. Wel, ik heb daar ook al dikwijls bij stilgestaan. Ik ken collega-landbouwers die gedeeltelijk uit de sector gestapt zijn en een nieuwe start als werknemer genomen hebben. Dat stemt toch tot nadenken! Zelf ben ik geïnteresseerd in heel wat verschillende beroepen. Zo heeft het me altijd al aangesproken om ambtenaar bij het parket te worden. Waarschijnlijk kunnen jullie de link niet leggen, maar ik heb nog een tijdje Rechten gestudeerd. Het fascineert me hoe deze mensen ongevallen, dubieuze sterfgevallen, moordzaken enzovoort ophelderen.
In de tweede plaats had ik graag iets in de horeca ondernomen, want ik kook en bak met veel plezier. Ooit – misschien als mijn kinderen groter zijn – wil ik aan het vormingsinstituut kooklessen volgen. Bij KVLV lassen we elk jaar drie of vier kooklessen in. Ons gezin is voor de bakker een slechte klant want mijn brood bak ik zelf, van gewoon bruin tot volkoren en rozijnenbrood. Sporadisch halen we nog een taart bij de bakker. Het geeft een grote voldoening als je een eigen creatie op tafel kan aanbieden. Het lukt de ene keer beter dan de andere, maar we zijn allemaal maar amateur-bakkers. Ik ben misschien wat ouderwets, maar mijn mayonaise bereid ik ook zelf. Je weet dan tenminste wat er allemaal insteekt en de smaak is helemaal anders. Natuurlijk komt er bij mij soms ook kunst- en vliegwerk aan te pas en dan zet ik een maaltijd op tafel uit een bokaal.
Graag had ik onze jongste zoon naar de hotelschool gezonden, want hij heeft ook een boontje voor koken. Het mocht niet baten, de interesse is er wel maar niet voldoende om er zijn beroep van te maken. Ik begon al te dagdromen. Matthijs baat een restaurant uit en mama helpt in de keuken mee want een helpende hand blijft toch steeds welkom. Ik probeer graag een nieuw recept uit en dan geeft iedereen op een score op tien. Mijn ene keukenkast zit vol kookboeken en mappen met recepten die ik verzamel uit tijdschriften als Libelle of Nest, enzovoort.
Toen mijn plannetje maar niet wou lukken, zijn we in de slagerijschool op bezoek gegaan. Misschien zou hij zijn gading vinden als slager. Dan kon ik in zijn slagerij helpen. Maar nee hoor, na ons eerste bezoek zakte het enthousiasmepeil tot nul. Hij zou absoluut geen slager meer worden. Misschien probeerde ik te veel mijn gedachten in zijn handen te leggen. Iedereen moet zijn eigen weg vinden en blijkbaar kronkelt die van Matthijs tussen de struiken en de bomen. Hij wilde last but not least tuinaanlegger worden. Als er nu één iets is waar ik echt geen verstand van heb, is het toch wel daarvan. Ik heb absoluut geen groene vingers, zelfs een cactus kan ik laten sterven – en dat is toch niet evident, hé!
We zullen het maar vanuit de positieve hoek bekijken: binnen afzienbare tijd hoef ik de tuin niet meer te onderhouden. Mijn tuinman zal dat wel doen. Zelfs nu doet hij het al gedeeltelijk. Ieder weekend rijden de kids het gras af. Ze hebben samen een moestuintje en regelmatig wordt het onkruid verwijderd. Ik had bij hoog en bij laag gezworen nooit meer een moestuintje aan te leggen, want het eindigt toch altijd in een herbarium van soorten onkruid. Mijn man kreeg toen de opdracht om het tuintje maar weer bij het gazon te brengen. Nu mijn twee zonen les volgen in de tuinbouwschool, willen ze wat experimenteren. Het gevolg daarvan is dat het gazon weer gedeeltelijk omgespit werd en de moestuin is ‘back’.
Genoeg gemijmerd, ik zal maar opnieuw witloof gaan plukken. We gaan onze laatste twee weken in. Daarna wordt het tijd om de stress even aan de kant te schuiven. We stoppen tot half augustus. Intussen hebben we vruchten op het land waarmee we bezig zijn. We hebben een eerste vrucht bloemkolen staan. De nieuwe witloofwortelen zijn al gedeeltelijk gezaaid. Later zullen we die wat dunnen, het onkruid verwijderen enzovoort. We zijn blij dat we onze geest wat kunnen laten rusten, want het was nu ook geen seizoen om in de annalen te noteren. Je zou er de moed bij verliezen. Momenteel herstelt de markt zich een beetje. Aan alle witlooftelers wil ik graag het volgende meegeven: laat de moed niet zakken. Het is niet plezant om voor een minimumprijsje je product op de markt te brengen. Maar ik houd me aan één gedachte vast: “Het is nog nooit slecht blijven gaan en het tij zal wel keren. Na regen komt de zon altijd weer tevoorschijn!”
– Sofie Vansteelandt

mei 8, 2009

De betaallandbouw van McCarthy

Hoort bij: Johan Schollier — melkbrigade @ 12:00 am

Onlangs kwam er hier een Pool op het erf gereden. Van op de straat zag hij dat wij naast een grotere vacuümtank nog een kleintje hadden staan en hij vroeg of we die niet verkochten. De man werkt hier in België, maar telkens als hij teruggaat naar Polen neemt hij een mestvat mee, liefst tussen 3000 en 5000 liter. Hij neemt er de wielen af en stopt die in een bestelwagen. De romp gaat op de aanhangwagen en zo vertrekt hij ermee voor een tocht van 1700 km. Een tijd geleden trokken kleine melktankjes naar Polen; nu zoeken ze mestkarren. Zo staan er veel te verkommeren in Vlaanderen, maar je moet ze vinden natuurlijk. De man blijft me bellen of ik er geen weet staan. Ik dacht: “Wacht maar, manneke …” Hij heet Andrej, hij spreekt vloeiend Frans en zijn nummer is 0477 47 13 78. Veel geeft hij er niet voor, maar bedenk dat er nog een tijd kan komen – zoals wel vaker gebeurt – dat je nog geld moet toeleggen om het kwijt te raken.
Op de valreep van het voorbije melkjaar kregen wij, voor de vijfde maal de voorbije winter, een onverwachte controle. Ze hadden van Brussel de opdracht gekregen omdat wij een bepaalde maand 31% meer melk hadden dan dezelfde maand het jaar voordien. Hoewel diezelfde mensen een maand eerder al geweest waren, werden dieren en kaarten opnieuw geteld. Melken we geen kamelen of ezelinnen tussen de koeien? Is de tank wel groot genoeg? Staan er geen ketels of kannen om dit kleinood in zijn inhoud bij te staan? 31%, da’s veel natuurlijk. Was ik dan vroeger slecht bezig? Drie jaar geleden geluk gehad met het geslacht van de kalveren, veel vaarsjes. Het was eigenlijk te voorzien dat er een tekort aan vaarzen zou komen. Nu het quotum voor het vierde jaar op rij niet vol zou geraken, hebben we toch maar alles aangehouden. Maar er is meer: gemengd voederen en rechte kuilranden voor de smaak. Wij hebben een nieuwe voederbakmenger gekocht. Al het voerwerk gebeurt nu met hetzelfde tuig. Onze zoon heeft de voorbije winter gevoederd en hij heeft dat blijkbaar heel goed gedaan. De zoon doet het beter dan zijn vader. Goed zo, zo moet het zijn. Net zoals ik meer uit de koeien moest puren dan mijn vader. Maar er is nog meer: het was onze eerste winter met zachte stalmatten en naast vaste borstels nu ook een roterende borstel. Extra wellness voor de koeien, het zal ook wel meegespeeld hebben. En natuurlijk: het grote verschil tussen remmen en doormelken … Al die dingen samen.
Tegenover een literrecordmaand voor ons, plaatst de melkerij een diepterecord voor de melkprijs. Wie nu niet veel liters heeft, waarmee betaalt die dan de toevloed van voorjaarsfacturen? Met spaargeld? Het zal groeien worden of sterven. Groeien van groot naar groter! Van klein naar groot, vergeet het maar. Welke investering kan je dragen met zo’n melkprijsje? Hoe moet het verder? Ieder jaar gokken? Boerenbondconsulent Jan Halewyck verwacht dat de resterende quotumjaren nog slechts eenmaal vol zullen raken. Nu nog bijkopen? Natuurlijk kochten wij ook quotum aan, maar steeds met mondjesmaat. Ik ben altijd bijzonder sceptisch geweest over onstuimige quotumaankopen. Toch zullen er boeren zijn die meer geld geven aan derden dan hun eigen ouders kregen voor de overname. Als onze kinderen op onze boerderij willen boeren, zullen we een en ander door de vingers moeten zien of er is geen doen meer aan … Een bakker, een slager, een apotheker en een boer starten een zaak en da’s duur. De eerste drie kunnen aan de slag, maar de boer staat nog nergens. Hij heeft nog een fortuin nodig voor luchtbellen en papieren bestanden. Nu het quotum op apegapen ligt, slaat deze gekte over op NER’s. Ik noem dat betaallandbouw en daar ben ik vierkant tegen. En dan maar klagen dat men elders in de wereld goedkoper kan produceren. Het is hier hoe dan ook de duurste regio ter wereld op te boeren. Wij hebben ons lot deels in eigen handen.
Ik had hier nog wat spuitstoffen voor de suikerbietteelt. Die teelt is ons, zeg maar, afgepakt. Ik heb die gesleten aan een boer aan de andere kant van Deinze, waar de bieten wel nog opgehaald worden. Ik ken dat bedrijf al langer, maar ik kwam nooit eerder op het erf. Het is een pracht bedrijf. Nog in puur landelijk gebied, oud Vlaams en toch heel modern. De beste grond in grote blokken rond het erf. Het gezin heeft twee zonen, jonge twintigers. Toch heeft mijn collega geen opvolgers. Zij zouden nog wel boeren, maar zullen het uiteindelijk niet doen vanwege de paperassen en de overheidsbemoeienissen. Ik vind dat erg, zo’n schoon bedrijf! Waar gaat dat naartoe? Waar zijn wij mee bezig? Waar gaat Vlaanderen zijn boeren blijven halen? Die jonge mensen zijn niet gek. Ik kan het begrijpen: kiezen voor een leven ‘onder de sloef’! Werkt onze overheid met een geheim McCarthyplan om hier op een subtiele manier de boeren weg te ruimen? McCarthy was een meedogenloze Amerikaanse communistenjager. Ze gaan er nog in slagen ook, als ze de jonge mensen de moed blijven ontnemen. Moeten wij niet dringend een collectieve ongehoorzaamheid organiseren en heel dit systeem aan onze laars lappen? Een geweldloze Boerenkrijg? Het zal niet lukken zeker? Het is mooi in de pas lopen of … geen premies! We zitten vast. Zelfs de politici krijgen last van controleziekte en zetten privédetectives in. Verdorie, zouden wij ook niet een detective op onze melkerijen zetten?
– Johan Schollier

mei 1, 2009

Voorjaarsperikelen

Hoort bij: Carine Cornu — melkbrigade @ 12:00 am

Bij ons in de polder verloopt het voorjaar opmerkelijk rustiger dan in het binnenland. Omdat wij in het najaar ploegen, hoeven we nu alleen nog te bemesten, klaar te leggen en maïs te zaaien. Dat bemesten wordt bij ons maar gedeeltelijk gedaan met een gewone aalton. In het vroege voorjaar proberen wij zoveel mogelijk te werken met een ‘sleepslangensysteem’. Dat wil eigenlijk zeggen dat er een darm rechtstreeks in de mestkelder wordt gestoken, met daaraan een zware pomp. Deze pomp stuurt de mest door die darm tot aan de tractor met injecteur op het land. Daar heb je natuurlijk iets grotere percelen land voor nodig, die niet te ver van je deur gelegen zijn. Het is toch wel een redelijk werk om alle darmen uit te rollen. Gelukkig zijn ze ondertussen steeds beter voorzien van het nodige materiaal om alles vlot te laten verlopen, zodat we ook daar weeral veel tijd kunnen uitsparen. Ligt de grond toch te ver van de mestput, dan wordt er een container gezet en wordt de mest aangevoerd. Het voordeel is dat je kan injecteren met weinig structuurschade op het land en dat het vrij snel gaat. Daar staat natuurlijk een kostenplaatje tegenover. Maar het feit dat er geen structuurschade is, vergoedt de meerprijs ruimschoots in de volgende teelt.
Elk jaar starten we zo vroeg mogelijk met het grasland op die manier te injecteren. Dat wil eigenlijk zeggen dat we bemesten vanaf dat het toegelaten is en het weer en de toestand van de percelen het toelaten. Omdat we toch een beetje rekening wilden houden met de interesse van onze jongste, stond het dit jaar voor ons gepland op een woensdag – zodat hij erbij kon zijn. Maar het weer wilde niet echt mee. Plots spraken ze al een beetje vroeger van regen en dat konden we natuurlijk missen. Geert heeft toen gebeld naar de loonwerker, een buurman, om indien mogelijk nog een beetje te vervroegen en al op maandag te injecteren. Gelukkig was er nog plaats vrij.
Dus maandagochtend rond acht uur kwam de loonwerker met twee tractoren en het nodige materiaal het hof op. Senne, onze jongste van acht jaar, ging zo rap als hij kon toch nog naar buiten om zoveel mogelijk in de buut van die tractoren te zijn vóór hij uiteindelijk naar school moest. Die eerste werken na een lange winter zijn nu eenmaal altijd heel interessant. Ten minste als er met de tractor iets moet gebeuren. En zeker als de loonwerker komt, want die zijn tractoren zijn groter en indrukwekkender dan de onze – ten minste voor hem toch.
Zo rond een uur of vier was al het grasland geïnjecteerd dat we wilden doen en ze reden met hun materiaal naar huis. Rond die tijd is ook de school uit, dus toen Senne thuiskwam was de loonwerker al weg. De ontgoocheling was navenant. Stampvoetend en behoorlijk kwaad liep hij door het huis. Ik trok hem even op mijn schoot – misschien is dat wel een voordeel van de jongste te zijn. Daar kalmeerde hij dan toch gedeeltelijk van, maar zijn boosheid was wel nog niet helemaal weg. Ertegenin proberen te gaan en hem proberen te overtuigen dat ze nog moesten terugkomen om op de tarwe te injecteren en dat ook het maïsland nog aan de beurt was, hielp allemaal niet. Je kent dat wel, meerijden op grasland is anders dan meerijden over de tarwe of op bloot land. Eigenlijk was hij gewoon niet voor rede vatbaar. En dan kwam het er uiteindelijk toch uit: “Ik had veel beter naar onze buurman geluisterd.” Ik wilde wel eens graag weten wat die buurman dan had voorgesteld. “Wel,” was zijn antwoord, “ik moest de school maar afgebeld hebben. En volgende keer doe ik dat.”
Uiteindelijk is alles nog goed gekomen. Na een tijdje is hij helemaal gekalmeerd. Hij heeft ondertussen al kunnen meerijden toen de tarwe bemest werd. Vorige zaterdag was het maïsland aan de beurt. Hij heeft zijn wekker gezet om vroeg genoeg op te zijn om te kunnen meerijden. Zijn huiswerk is er dit weekend bij ingestoken, maar je kan natuurlijk niet alles hebben. Voor één keer heb ik hem dan maar verontschuldigd. Ik had hem trouwens ook niet gevraagd om het te maken. Dat kan nu eenmaal gebeuren.
En nu is het hopen dat we deze week niet te veel regen krijgen, zodat we verder kunnen klaarleggen en mais zaaien. En hopelijk krijgen we daarna ook nog enkele uitzonderlijk mooie dagen, zodat ook het gras gemaaid kan worden en op een goede manier in de kuil gestoken kan worden.
Een nieuw seizoen is duidelijk begonnen. Na een te lange, koude winter zijn we er weer helemaal klaar voor. Laat die mooie, warme zomer nu maar komen.
– Carine Cornu

april 24, 2009

Een nieuwe lente, een nieuw begin

Hoort bij: Marcel Heylen — melkbrigade @ 12:00 am

Elk jaar opnieuw, bij de eerste dagen met mooi weer, krijgen de meeste mensen – en zeker de boeren – een vreemd en moeilijk te definiëren gevoel dat ik bij mezelf het best kan omschrijven als lentekriebels. Blijkbaar maakt het lengen van de dagen een soort oerinstinct wakker bij de mens dat de drang doet ontstaan om aan de slag te gaan. Bij de boeren is dit het begin van een erg drukke tijd. Ze maken gebruik van elke periode met mooi weer om te bemesten, akkers te ploegen en zaaiklaar te leggen.
Tot voor twee jaar hoorde bij de lente, voor mij althans, ook steeds dat prachtige, blije gevoel van de koeien te kunnen buitenlaten in de weide. Sinds vorig jaar is dat spijtig genoeg verleden tijd. Door het strenger worden van de mestwetgeving, met daarbij het invoeren van derogatie, is het namelijk niet meer toegestaan om de koeien nog te laten grazen op Italiaans raaigras, de nateelt van maïs.
Aangezien wij hier, rond onze boerderij, relatief laag gelegen gronden hebben, kunnen wij normaal gezien onze koeien niet vroeg buiten laten op de echte graasweiden, omdat anders de kans te groot is dat ze de graszode kapot trappelen. Omdat we op onze huiskavel regelmatig aan teeltafwisseling doen, graasweide afwisselen met maïs, konden we de koeien vroeger op het Italiaanse raaigras laten lopen in het vroege voorjaar. De koeien konden zo genieten van de buitenloop en al het gras dat ze opaten was meegenomen, zonder dat het kwaad kon dat ze de zode vertrappelden want die werd toch omgeploegd om er maïs te zaaien.
Ik begrijp trouwens de achterliggende gedachtegang niet die aan de grondslag ligt van deze absurde regel in de voorwaarden voor derogatie. Enerzijds beweert men dat de mestwetgeving en de daarbij behorende regels er zijn om het milieu te beschermen, en anderzijds verbiedt men de boeren de milieuvriendelijkste manier om gras te oogsten: het laten afgrazen door de koeien. Nu moeten we het gras eerst maaien, eventueel oprapen en voor de koeien brengen in de stal om het vers te vervoederen, of enkele malen keren met de hooischudder, dan op rijen leggen en laten oprapen of hakselen en in de kuil brengen, of in grote balen laten persen en wikkelen in plastic folie. De winst voor het milieu bij deze bewerkingen ontgaat mij volledig.
Ook bij Dierengezondheidszorg Vlaanderen (DGZ) had de lente iets nieuws in petto, op 16 maart ging het – vooraf veel besproken en dikwijls uitgestelde – Veeportaal online. Waarom ik dit aanhaal, zal wel duidelijk zijn voor de lezers die mij kennen. Ik ben sinds twee jaar lid van de raad van bestuur van DGZ, als vertegenwoordiger van de rundveehouders van de provincie Antwerpen. Aangezien Veeportaal vooral door de rundveehouders gebruikt zal worden (ook varkenshouders maken gebruik van Veeportaal, maar in mindere mate), is het wel duidelijk dat ik mij als rundveehouder sterk betrokken voel bij deze internettoepassing, die op termijn zeker zal leiden tot administratieve vereenvoudiging. Nu – vijf weken na de start van Veeportaal – zijn de meeste gebruikers, vooral diegenen die de opleiding volgden om met Veeportaal te leren werken, best tevreden over de nieuwe manier om geboorte-, vertrek- en aankomstmeldingen, bestellingen enzovoort te doen. Vooral doordat het systeem nog niet voldoende stabiel was en er nog te veel fouten waren, duurde het lang eer Veeportaal beschikbaar was voor de veehouders. Wij hebben er als bestuurders van DGZ continu op aangedrongen geen toepassing vrij te geven waarvan we niet zeker waren dat ze nagenoeg foutloos ging werken. We wilden absoluut voorkomen dat er zich een rampscenario zou voordoen, zoals dat van VRV bij de overgang van de vroegere melkcontrole naar MPR – dat de meeste melkveehouders nog glashelder voor de geest staat – met een veelheid aan fouten en onvolkomenheden en de daaruit voortvloeiende ergernissen.
Ik weet ook wel dat de veehouders op dit ogenblik heel wat kritiek hebben op het nieuwe telefonische meldingssysteem VRS van DGZ. Maar laat dit duidelijk zijn: het VRS-systeem is in principe tijdelijk in het leven geroepen voor veehouders die om allerlei redenen op dit ogenblik nog geen gebruik willen maken van de internettoepassing Veeportaal. Het streven van de bestuurders van DGZ is wel dat op termijn zoveel mogelijk veehouders gebruik gaan maken van Veeportaal. Dat is ook de reden waarom je op termijn zal moeten betalen voor het gebruik van het telefonische meldingssysteem, in tegenstelling tot de internettoepassing die gratis is.
De Boerenbond heeft trouwens de bedoeling om een nieuwe reeks opleidingen Veeportaal te starten eens de lentewerkzaamheden voor de boeren achter de rug zijn. Die zijn zeker geen verloren tijd als je met Veeportaal aan de slag wilt. Veel succes!

– Marcel Heylen

april 17, 2009

Innovatie of creativiteit.

Hoort bij: Luc Callemeyn — melkbrigade @ 7:42 pm

Vorige zomer en deze winter konden we deelnemen aan een reeks van activiteiten van het Innovatiesteunpunt. Daarbij een bemerking: om halfacht ’s avonds een vergadering beginnen, is voor mij als creatieve en hardwerkende mens veel te vroeg. Ik was dus nu en dan wel eens te laat.

Het bezoek aan het heftruckbedrijf Thermote & Vanhalst (boerenzonen!) heb ik gemist, maar even later waren wij er wel bij voor een bezoek aan Gandaham. Met één tussenstap evolueert men van een anoniem goedkoop bulkproduct (varkenshesp) tot een delicatesse met merknaam – met daarbij heel veel toegevoegde waarde. De bedrijfsleider is niet bang om wat aangeboden kansen uit te proberen, ook al horen die niet meteen tot zijn eigen productengamma. Een derde bezoek aan het Distributiecentrum van Colruyt was over heel de lijn adembenemend. Het bedrijf heeft een enorm logistiek apparaat ter beschikking, om honderden tonnen van het fijnste voedsel op de juiste plaats te krijgen. Het indrukwekkendst was de gerobotiseerde inrichting voor groenten en fruit, die de kisten sorteerde die van de veiling kwamen en ze geheel geautomatiseerd opnieuw samenbracht per winkel volgens bestelbon. Van het gegeven dat al dat voedsel eerst primair door boerenhanden is voortgebracht, is nog weinig herkenbaar. En zeker van een eerlijke prijs is niets te merken. In hun verkooppraatje gaan ze wel uit van vaste en langdurende relaties, maar dat weerhoudt hen er niet van om te proberen hun marge te vergroten door te knibbelen op de inkoopprijzen. Onze verkoopprijzen dus.

Deze winter werden ook enkele vergaderingen georganiseerd met daarbij als centrale thema ‘Hoe kunnen we de aankoper het beste verleiden?’ Zo konden we luisteren naar Fons van Dyck, die ons inzicht bracht in de consument en zijn boek Het merk mens voorstelde. Daarna was er een sessie over het ontwikkelen van een sterk merk en de daarbij horende administratieve hindernissen. Een volgende vergadering met spreker Johan Lambrecht behandelde de strategie en missie van het bedrijf.

Enkele rode draden heb ik alvast onthouden. Vooreerst moet een bedrijf authentiek zijn. Dat wil zeggen dat het geen probleem is om te vertellen dat je hetgene wat je (goed) doet al jaren zo doet. Successen in het verleden geven de beste voorspelling van succes in de toekomst. Never change a winning team. Daarbij is het ook belangrijk dat een bedrijf een vastgelegde missie heeft, die aangeeft waar het naartoe wil in de toekomst en waar het voor staat. Elke medewerker moet die missie uitstralen. Bepaal een doel en ga er recht op af. Zijsprongetjes zijn toegelaten, zolang ze de oorspronkelijke missie niet in gevaar brengen.

Hoe meer ik naar dergelijke voordrachten luister, hoe meer ik besef dat wij met zijn allen geweldig goed bezig zijn. Wij boeren zijn toch authentiek? Wij werken al generaties op een bedrijf dat onze voorouders moeizaam opgebouwd hebben. Een boer herken je van op afstand, dat zie je, dat hoor je, en in het slechtste geval ruik je het. We zijn bereid om vast te pakken en we zijn voor 100 procent begaan met ons beroep. De meesten kunnen bijna over niks anders praten. We hebben een duidelijke missie, want we hebben al lang voor ogen wat we willen en gaan tot het uiterste, zelfs als het niet eens zeker is dat er geldelijk gewin aan te pas zal komen.

In heel de reeks van voordrachten heb ik echter het meest bewondering gekregen voor de sector van de siertelers. Zij moeten al drie jaar van tevoren kunnen inschatten wat de markttendensen zullen zijn naar vorm, kleur en aantallen. Vervolgens moeten ze stekken uitplanten, nieuwe ziekten leren bestrijden en een persoonlijke vorm aan hun planten geven. Daarna moet er verkocht worden en moeten ze geheel volgens eigen inzicht een eerlijke prijs bepalen en zichzelf verzekeren dat ze met een betrouwbare handelaar in zee gaan. Een internationale visie is hierbij zelfs onontbeerlijk. Siertelers ontwikkelen zelf hun planten, kruisen en experimenteren en moeten zelfs soms patenten aanvragen op hun creaties, anders is er concurrentie door de buren of zelfs de Chinezen. Heel iets anders dan de melk-, runder-, varkens-, kippen- en akkerbouwsector, die meestal bulkproducten voortbrengen en prijsnemend zijn.

Bij het woord ‘Innovatie’ denkt men meestal aan iets geheel nieuws. Na vele jaren Innovatiesteunpunt van de Boerenbond is het mij duidelijk geworden dat het creëren van een nieuwe landbouwtak niet meteen voor het grijpen ligt. Er is echter een veelheid van gebieden die kunnen doorontwikkelen. Hoofdzaak is dat je heel veel creativiteit aan de dag legt bij de aangeboden kansen. En die zijn er elke dag, we moeten de ogen open houden voor elke nieuwe ontwikkeling. Daarbij moeten we niet kijken ‘wat’ een ander doet, maar ‘hoe’ hij het doet.
Een oud-leraar zei ooit (in het West-Vlaams): “Het geld ligt achter straate, maar je moet het willen en kunnen zien en je moet je bukken om het op te rapen.”

Luc Callemeyn

Het kan verkeren

Hoort bij: Kris Van der Velpen — melkbrigade @ 7:40 pm

Wie herinnert zich als fruitteler nog hoe we vorig jaar overal konden lezen dat onze Belgische Jonagold aan een comeback bezig was? Ik neem wel aan dat heel wat fruittelers zich het jaar 2008 nog zullen herinneren als het topjaar op het vlak van een goede prijsvorming. Zeker als je beseft dat toen voor onze appels met een industriële bestemming bijna zoveel betaald werd als nu voor de betere kwaliteit van eetappel. Ik heb toen ook in deze rubriek vermeld dat we zulke jaren al eens nodig hebben om onze bedrijven voort te zetten. Veel blijft er na zo’n topjaar eigenlijk niet over. Meestal dienen de extra inkomsten om je zaak te moderniseren en om weer bij te benen op financieel vlak. De keerzijde van zo’n jaar merk je ook als je aanslagbiljet in de bus valt. Als je al iets overgehouden zou hebben, mag je dat dit jaar netjes teruggeven aan Vadertje Staat. Zo gaat het in de land- en tuinbouw al jaren en wellicht zal het zo nog jaren verdergaan. Als je in onze sector een bedrijf uitbaat, weet je dat je het goede met het slechte moet nemen.
Een heel ander verhaal doet zich dan voor met de peren. Hier is geen sprake van overaanbod, integendeel zelfs. Maar ook bij de peren blijf ik erbij dat ze de prijs die ze nu genoteerd gaan, dit jaar moeten blijven gaan. Ten eerste waren er al beduidend minder peren en ten tweede moeten ze de lagere prijs van de appels compenseren, zodat de rekening klopt aan het einde van het seizoen. De onkosten worden namelijk niet lager naarmate de prijs van ons fruit daalt.
“Waarom zijn de appels dan goedkoper?” hoor ik een buitenstaander vragen. Het antwoord is simpel: er zijn er gewoonweg te veel. Hoe dikwijls hebben we nu al gezien dat er wel ergens in de wereld massaal veel appels aangeplant worden als de prijzen goed gaan ervoor? We hebben de concurrentie met de Franse Golden gehad. Later was het zuidelijk halfrond de boosdoener en nu overspoelt het voormalige Oostblok – met Polen op kop – in Rusland maar ook in Duitsland de markt met goedkope appels. Onze appels zijn beter, maar die van hen zijn goedkoper. Zij kunnen ze leveren aan een prijs waarvoor je hier amper papier in de kisten kan zetten, laat staan iemand betalen om ze in te pakken – en dan heb ik het nog niet over het product zelf.
Natuurlijk zal er in die landen volgend jaar waarschijnlijk wel een lagere productie zijn. Als je een jaar enorme producties haalt, heb je het jaar daarna altijd wat minder. Het zal langzamerhand ook wel verminderen dat ze zo goedkoop kunnen produceren; de lonen zullen er ooit gelijk komen met hier en ze zullen daar ook moeten blijven investeren. Tot een jaar of drie geleden vond je hier geen tweedehandsmachines of -tractors meer. Nu kopen zij ginder ook liever nieuw materiaal, dat naar hun normen toch wel wat geld kost.
Persoonlijk denk ik dat we als Belgische telers moeten blijven gaan voor kwaliteit en vers product. Toen ik in november appels leverde, kreeg ik voor de kleinere maten nog wel een redelijke prijs, later in december ook nog, maar eenmaal februari was het ‘gene vette’ meer zoals ze hier zeggen.
Iets wat zeker nefast is voor de prijsvorming – zowel van appels als van peren – is individualisme. Hiermee bedoel ik mensen met een kortetermijnvisie, die nog steeds denken dat geld geld is en voor wie het niet uitmaakt waar het vandaan komt. Bij zulke mensen is de coöperatieve gedachte ver weg en ze verkopen hun fruit aan iedereen. De dag dat hun handelaar niet meer komt opdagen of dat die elders kan profiteren, reppen ze zich terug naar de veiling en zijn ze content dat ze daar mogen leveren. Als je weet dat men zestig jaar geleden hemel en aarde bewogen heeft om telersverenigingen op te richten, dan zou het dwaas zijn om nu opnieuw elk zijn eigen fruit aan te bieden. Ook de veilingklok mag je niet zomaar afschrijven. Waar men dat wel gedaan heeft, is men bijna jaloers op ons omdat wij steeds bleven geloven in de verkoop langs de klok.
Op ons bedrijf staat de veiling wel goed aangeschreven. Wij zijn als kind opgegroeid met eerst de veiling in Glabbeek, en later met de Belgische Fruitveiling. Natuurlijk zijn er ook al eens mindere momenten. De zon kan niet alle dagen schijnen, zegt men. Maar als teler ben ik blij dat ik een gegarandeerde afzet heb – tot de laatste kilo fruit, dag na dag en voor elke fruitsoort, of ze nu moeilijk of vlot verkoopbaar is.
Het is mijn mening dat we de veiling weer meer moeten gaan zien als een stuk van onszelf. Het is tenslotte ook onze enige betrouwbare handelspartner, waarmee je als lid een engagement hebt aangegaan de dag dat je je als aandeelhouder inschreef. Misschien is dat wel eens iets om over na te denken tijdens deze paastijd.
Bij deze wens ik ook alle lezers zalige en gezellige paasdagen toe.

– Kris Van der Velpen

april 2, 2009

Wie moet ik nog geloven?

Hoort bij: Pierre Michels — melkbrigade @ 7:19 pm

Vorig jaar was iedereen zeker dat de prijs van de landbouwproducten nooit meer zou dalen. We begonnen aan de hemel te denken, maar we zijn in de hel gevallen. Een mooi voorbeeld daarvan is de tarwe. Ik wou onlangs een deel van mijn nieuw uitgezaaide tarwe verkopen. De vertegenwoordiger die ik hiervoor aansprak, vroeg mij of ik dat niet aan een andere kon vragen … Vorig jaar liepen ze bij de oogst mijn erf op en af om toch maar aan tarwe te geraken en nu zitten ze hier met hun silo’s vol onverkoopbare granen. Dit jaar zullen ze zelfs geen enkele kilo zomergerst, erwten, haver enzovoort aankopen, want ze geraken niets kwijt.
Hier in Frankrijk legt het departement ieder jaar de tarweprijs van de coöp vast. Vorig jaar stond hij bij de oogst bijvoorbeeld op 135 euro per ton. Stijgt de tarweprijs, dan krijgen wij als coöperatieboeren een bijslag; daalt de prijs, dan krijgen we de vastgestelde prijs. Bij tarweprijzen van 300 euro vorig jaar, zijn er wel veel zelfstandige graanhandelaars bijgekomen en dat heeft voor een enorme concurrentie gezorgd. De directeurs van de coöps hebben in de zomer 2008 al hun wapens bovengehaald om toch graan aan te trekken en nu zitten ze allemaal met veel te duur graan – dat dus onverkoopbaar is. Binnenkort zullen wij op de vergaderingen van de coöperatie wel horen hoeveel miljoenen ze verloren hebben en wie gaat dat betalen – wij trouwe coöpboeren, en niet die overlopers!
Mijn ene coöp heeft zo zijn eigen manier om boeren met hun tarwe te lokken. Ze dachten dat de prijs van de tarwe na de oogst weer zou stijgen – en eigenlijk dacht iedereen dat, ik ook. Ze losten de karren tarwe van de eerste boeren gewoon op de grond naast de silo’s, goed in het zicht van de straat. De boeren die daar langskwamen, zagen die tarwe op het plein en dachten: “Tiens, ze moeten daar wel een goeie prijs geven, want hun silo’s zitten vol – waarom zou de tarwe anders buiten liggen in de regen?” De grote boeren of herenboeren – die traditioneel aan de zelfstandige handelaars verkopen – passeerden daar ook. Uit nieuwsgierigheid stuurden die hun ‘teeltverantwoordelijke’ naar de coöp om te horen welke prijs die zou bieden. Ze konden niet persoonlijk gaan, want in hun ogen zijn wij coöpboeren een soort ‘bende communisten’ en te klein om mee te praten. Die ‘chef’ kwam dan terug met twee prijzen: de gewone prijs voor als hij zelf zou aanvoeren, maar een hogere prijs als de herenboer het graan zou brengen. Wanneer er zo enkele herenboeren tarwe aanbrengen, geeft dat een enorm effect langs de weg. De boerinnen – die hier meestal de tarwe afvoeren – melden dan achteraf aan hun man in de maaidorser dat ze iets nieuws gezien hebben: die herenboeren kunnen ook met de tractor rijden en dan nog wel naar onze coöp! Als ze aankomen in de coöp en langs de weegbrug gepasseerd zijn, mogen die herenboeren, begeleid door een arbeider, binnen in de loods storten. Niet dat het een andere variëteit is dan de tarwe die buiten gestort werd, maar gewoon omdat zo’n chique boer niet kan achteruitrijden met zijn kar.
In Vlaanderen bestaat zo iets belachelijks niet, maar in Frankrijk is dit realiteit en ik weet zeker dat mijn Vlaamse collega-boeren in Wallonië datzelfde fenomeen ook kennen. En natuurlijk trekt mijn coöp met die technieken automatisch nog meer boeren aan, want volk trekt volk. Wie durft er trouwens naar een lege silo rijden? “Als een silo niet vol geraakt, dan moet eriets verkeerds aan de hand zijn”, denkt iedereen.
Mijn andere coöp maakt het nog bonter om die zelfstandige handelaars te beconcurreren. Nadat ze de laatste tarwe ingeslagen hebben, vertrekken de arbeiders en de verkopers van mijn coöp met hun auto’s en vrachtwagens naar het noorden – waar de oogst nog niet gedaan is en waar de thuisbasis ligt van hun concurrenten, de graanhandelaren. Daar proberen ze dan die zelfstandigen een loer te draaien. Op zo’n honderd meter voor de ingang van de concurrentie, houden ze alle tractoren met graan tegen en ze bieden die boeren een prijs ver boven de prijs die ze anders zouden krijgen. Die graanhandelaars zitten dan wel met een groot probleem: ofwel betalen ze meer – en die van mijn coöp vertrekken meteen want hun doel is bereikt – ofwel verliezen ze hun cliënten. Niet dat die boeren uit het noorden dan bij de coöp komen, want onze mannen kregen de opdracht de prijs zoveel mogelijk op te drijven zonder maar een kilo te kopen en met allerhande oneerlijke truken.
Zo zitten al de coöps vol onverkoopbare tarwe. Binnenkort zullen we erover vergaderen. Het is nu al zeker dat ze de nieuwe tarwe boven de oude zullen stockeren. Maar zullen ze bij de ban(k)dieten nog aan geld raken om ons voorschot voor 2009 te betalen? De coöperaties zijn in de jaren dertig van de vorige eeuw gestart vanwege de falende graanhandelaren en nu gaan ze zelf in de fout …

Pierre Michels

Volgende pagina »

Blog op Wordpress.com.