De zomer is voor ons nog altijd vakantietijd. We doen wel al het werk dat we willen doen – en dat is op sommige dagen best wel wat – maar het ritme ligt toch net iets anders. Dat heeft natuurlijk alles te maken met onze schoolgaande kinderen. Daarnaast is de zomer bij ons ook elk jaar een komen en gaan van slapers, voornamelijk van de familie. Nu ben ik hier wel al het moeilijkste door, omdat degenen die komen slapen eigenlijk allemaal hun plan kunnen trekken wat kledij betreft. Mijn deel bestaat er vooral nog uit om op tijd en stond voldoende eten op tafel te krijgen. Voor de rest probeer ik toch maar niet te veel op de slaapkamers te gaan kijken, want dat durft wel eens op een ravage te lijken. Ondertussen heb ik wel al geleerd dat het helpt om hen een wasmand te geven om hun vuile kleren in te doen, dan hoeven we die op de laatste dag enkel nog in een zak te steken. Dat vinden de kinderen best gemakkelijk en eigenlijk de moeders ook, want de propere kleren en vuile was raken niet door elkaar.
Nu hebben we deze zomer echt wel enkele leuke dingen gedaan. Heel in het begin van de vakantie hebben we ons ‘uitwisselingsproject’ gehouden. Dat kwam er eigenlijk op neer dat we al de kinderen van de kant van mijn man – en dat zijn er best heel wat – hadden herverdeeld volgens leeftijd en geslacht. Voor de kinderen bleek dat fantastisch, want dat betekende dat ze eindelijk eens een paar dagen konden doorbrengen met leeftijdsgenoten, zonder last van broers of zussen. Voor ons was dat eigenlijk ook wel plezierig. Wij kregen vier meisjes, waaronder onze eigen dochter. Dat is toch wel heel iets anders dan drie zonen en één dochter. Er werd heel wat meer afgebabbeld en de badkamer was heel wat meer uren bezet. Snel iedereen klaar om ergens naartoe te vertrekken is dan niet zo evident. Maar als je ’s avonds in huis komt en ze staan klaar met een aperitiefje en een dessertbordje, dan is dat toch echt iets om van te genieten.
Wat later in de zomer kwamen er nog eens drie kinderen slapen, van Geert zijn zus. Zij zijn de enigen in de familie (aan Geerts kant) die thuis geen landbouwbedrijf hebben. Het meisje heeft het niet direct op de boerderij begrepen. De zonen, negen en zes jaar, halen haar deel duidelijk in. Zij vinden het fantastisch om koe te spelen. Het komt er dan op neer dat er één de boer speelt en de rest zijn de koeien. Wat is er dan fantastischer dan in alle leegstaande stallen te kunnen rondlopen? Je hoort ze van een heel eind ver staan loeien. Of ze staan met hun hoofd door een voederhek en de boer moet dat weer los maken voor ze eruit kunnen. Niets zou hen beletten om er zo tussenuit te kruipen, maar wil het een beetje levensecht zijn, dan is het toch beter dat je dat met je hoofd doet. Een paar keer per dag zie je ze door de melkput gaan, want ja, koeien moeten gemolken worden. Na het melken doet de boer ze naar de weide en je ziet ze plots op de weide lopen. Ze blijven niet allemaal samen, maar verspreiden zich over de hele weide.
In het begin vroegen we ons wel eens af wat ze daar aan het zoeken waren. Maar dan bleek dat ze weer eens koe aan het spelen waren, en dat ze blijkbaar liepen te grazen. Ze gingen zo op in hun spel dat zelfs Bram (veertien jaar) mocht – of moest – meespelen. De ene keer eens als boer, en de andere keer als koe. De eerste ochtend was Bram in zijn bed blijven liggen, terwijl de andere jongens, zonder wekker, toch al vroeg wakker waren. De tweede ochtend vroeg de jongste aan Bram of hij hem niet mocht komen wakker maken, want ze gingen weer koe spelen. Bram heeft gelukkig genoeg fantasie en hij vond dat geen probleem. Het gevolg was dat er die ochtend al om zeven uur volop bedrijvigheid was in de stallen. Niet alleen wij liepen er rond, maar ook de kinderen waren alweer koe aan het spelen.
’k Moet zeggen dat we er meer dan eens naar hebben staan kijken. Het was in elk geval een mooi schouwspel. En dan beseffen we weer ten volle dat we volop moeten genieten van die mooie momenten, want de kans is groot dat dat over enkele jaren voor ons verleden tijd zal zijn.
Toen we later aan hun ouders het hele verhaal vertelden, herkenden ze dat ogenblikkelijk. Ook thuis blijkt dat hun favoriete spel; inspiratie daarvoor doen ze op bij ooms en tantes op de boerderij. Wat hun buren daarvan maken, dat zullen we waarschijnlijk nooit weten, maar hopelijk hebben ze genoeg fantasie om er met de glimlach het hunne van te denken.
En zo was het al eens een komen en gaan van kinderen. De ene keer hadden we één of twee kinderen aan tafel, en enkele dagen later acht. Het mooie weer hielp natuurlijk wel een handje om het allemaal leefbaar te houden. Op het einde van de vakantie bleek dat nog niet alles op de planning van ‘komen slapen’ en ‘gaan slapen’ ook echt is kunnen doorgaan. Dus ook volgend jaar belooft de grote vakantie weer te kort te zijn.
– Carine Cornu
september 25, 2009
Vreemde koeien
september 18, 2009
Trendbreuk
Ik zou deze dagboekbijdrage willen beginnen met de omschrijving van wat een dagboek voor mij is. In het woordenboek wordt dit beschreven als ‘een boek waarin men zijn persoonlijke bedenkingen en belevenissen opschrijft’. De reden waarom ik met deze omschrijving begin is simpel; ik word geregeld aangesproken over wat ik hier neerschrijf. Die reacties gaan dan zowel over de stijl als over de inhoud. En laat mij eerlijk zijn, ik vind het plezant om daarover aangesproken te worden want dat wil zeggen dat men mijn stukjes leest. Gelezen worden is uiteindelijk de bedoeling van iedereen die iets neerschrijft dat gepubliceerd zal worden.
Schrijven kan je met verschillende bedoelingen doen. Je kan schrijven om de mensen te ontspannen, je kan schrijven om de lezer te informeren … Je kan ook – en dat is mijn bedoeling en de bedoeling van deze rubriek – schrijven om de lezer te laten kennismaken met je eigen kijk op de wereld. Aangezien ikzelf melkveehouder ben, is het niet meer dan logisch dat het dan vooral gaat over mijn mening en bedenkingen op de ontwikkelingen in de landbouwsector, en meer specifiek in de melkveehouderij.
Laat me daarom nog eens duidelijk stellen dat ik hier mijn mening als privépersoon neerschrijf en dat ik alle respect heb voor mensen met een andere mening. Ik hoop alleen maar dat die andere mening echt jouw mening is en niet die van een voorlichter die in jouw plaats denkt. Want, hoe mooi deze mensen ook kunnen praten, wanneer het verkeerd loopt, zit jij als boer wel met de gebakken peren en ben je zelf verantwoordelijk voor de engagementen die je op hun aanraden aangegaan bent. Tot zover de inleiding.
Onlangs was ik – samen met nog enkele andere boeren uit onze regio – net als Peter Van Bossuyt en Marlies Caeyers voor de Boerenbond en iemand van het ABS aanwezig op de eerste vergadering in het kader van het Natura-2000-proces, waar het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) kwam uitleggen wat heel dit project inhoudt en vooral wat de bedoeling is. Zoals dat meestal gaat, zoek je bij het binnenkomen een plaats aan een tafel waar al bekende mensen zitten, waardoor we als vertegenwoordigers van de landbouwsector aan dezelfde ronde tafel plaatsnamen. Aan de andere tafels zaten vertegenwoordigers van Voka, Landelijk Vlaanderen (de vereniging van grond- en boseigenaars), Unizo, Sint-Hubertus (de jagers) en Natuurpunt.
Aan elke tafel kwam iemand van ANB zitten, om de mensen rond de tafel zich te laten voorstellen en hen te vragen met welke verwachtingen ze naar de bijeenkomst gekomen waren. Ik verwoordde al meteen mijn grootste bekommernis bij dit soort plannenmakerij, namelijk dat we als landbouwsector uiteindelijk weer het kind van de rekening zullen zijn. We lazen in de folder, die het ANB uitdeelde bij wijze van kennismaking, bijvoorbeeld: ‘Het Agentschap voor Natuur en Bos stelt zich tot doel om elke dag te werken aan meer en betere bossen, natuur en groen in Vlaanderen.’ Dan hoef je echt geen pessimist te zijn om te voorspellen wie er hier aan het kortste eind zal trekken. Ik refereerde hierbij naar allerhande plannen die de groene jongens in het verleden gemaakt hadden en waar wij als landbouwsector dan in het beste geval nog enkele kleine aanpassingen konden afdwingen. Volgens de mensen van het ANB gaat dat dit keer zeker niet gebeuren, omdat alle sectoren van bij het begin inspraak zullen krijgen in de plannen. Als men inderdaad gaat werken volgens de werkwijze en basisprincipes die daar voorgesteld werden, dan kunnen we spreken van een trendbreuk die wij als landbouwsector alleen maar kunnen toejuichen.
In elke presentatie kwam die avond dezelfde slagzin terug: ‘Samen, beter en meer’. Om die slagzin in daden om te zetten, zal men bij de uitwerking van Natura 2000 – die te velde moet resulteren in de instandhoudingsdoelstellingen (IHD) voor de habitat- en vogelrichtlijngebieden – moeten komen tot een goede samenwerking tussen landbouwers, bosbouwers, industrie, jagers en natuur. Door de opmerkingen die ik maakte, kwam de vertegenwoordiger van de grond- en boseigenaars na de vergadering al voorstellen om samen aan één touw te trekken, omdat onze belangen voor een groot deel samenvallen. Want hoe dan ook zijn we in het verleden net iets te vaak voor voldongen feiten geplaatst en op verborgen agenda’s van de groene jongens gestoten, om nu onbevangen en zonder achterdocht alles te geloven wat men ons voorspiegelde.
Zo krijg ik voor de volgende maanden nog een reeks extra vergaderingen op mijn al goed gevulde agenda, want sinds maart van dit jaar zit ik ook nog als vertegenwoordiger van de bedrijfsgilden van de Boerenbond in de raad van bestuur van de vzw Regionaal Landschap Kleine en Grote Nete. Ook daar kregen we de belofte dat men enkel met consensus wil beslissen. Zouden ze de landbouw dan toch eindelijk als een evenwaardige partner zien bij het maken van plannen voor het platteland?
– Marcel Heylen
september 8, 2009
De aarde vanuit de hemel
Deze zomer zond televisiezender één op zaterdagavond een interessante documentaire reeks uit waarin de aarde gefilmd werd vanuit de lucht. Geen nieuws op zich, was het niet dat in deze reeks ook verschillende aspecten aangepakt werden in verband met de natuur en de landbouw. Je kon er met je eigen ogen zien hoe de gletsjers van de Mont-Blanc aan het wegsmelten zijn, hoe de woestijn in Afghanistan weer een groot meer werd en dergelijke dingen meer. Gewoon goeie televisie, zou je zeggen, en eens leuk om te zien. Het werd pas echt interessant toen ook de hedendaagse landbouw eens vanuit een andere hoek bekeken werd onder de titel ‘Hoe voeden we straks bijna zeven miljard mensen?’ Al snel werd duidelijk welke enorme roofbouw de landbouw op sommige plaatsen pleegt. Stukken regenwoud verdwijnen voor gigantische bananenplantages. Vanuit de lucht werd getoond dat duizenden hectaren in Indonesië nu beplant zijn met oliehoudende palmsoorten, waar vroeger tropische houtsoorten groeiden. Natuurlijk ging het ook over ggo’s; het bedrijf Monsanto kwam hier niet al te best uit. Er werd ook gezegd dat de chemische bestrijding van allerlei plagen steeds moeizamer verliep en dat die voor de landbouwer bijna onbetaalbaar zou kunnen worden – iets wat we de laatste jaren zelf ook erg ondervinden. Alternatieven zoals feromoonverwarring werden ook aangehaald.
Wat mij het meeste aansprak, was het feit dat er de laatste decennia heel wat gewassen verdwijnen. Als je daarbij stilstaat, moet je wel zeggen dat dit zeker waar is. Voorbeelden zoals de perzikteelt in het Hageland en de druiven in Overijse zijn hier getuigen van. Ze worden nog wel geteeld en het is lovenswaardig dat er telers zijn die de teelt niet verloren laten gaan, maar de grote dagen van weleer zullen wel nooit terugkomen. Ik weet nog hoe ik als kind in Glabbeek massaal pruimen zag aanvoeren; vandaag moet je bijna zoeken om nog ergens een pruimenboom te vinden. Hetzelfde verhaal komt steeds terug: het is in België te duur om deze fruitsoorten nog te telen en ze worden zo goedkoop ingevoerd dat we er niet mee concurreren. Datzelfde verhaal horen we nu ook in de teelt van zure kersen, en daar zitten we nog met een afnemende vraag. Ook dat gegeven speelt mee in het verdwijnen van gewassen. Je kan wel iets telen, maar de mensen moeten het nog willen eten; soms zijn ze gewoon wat uitgekeken op je product. Pensen met kriekjes kan wel eens lekker zijn, maar ik denk niet dat dit gerecht nog wekelijks bij elk gezin op tafel staat. Zal straks de kriekenteelt ook verdwenen zijn? Ik weet het niet.
In de appelteelt speelt zich ook een dergelijk verhaal af. Het is nu de concurrentie met goedkope appels die men op dezelfde markten verkoopt als degene waar wij ooit kind aan huis waren. Vermits winstmarges de handel bepalen, kiezen ze daar nu voor de goedkope Poolse appel – of zelfs de Poolse appel in een Belgisch pakblad. Deze laatste praktijk heb ik me laten vertellen door iemand die het zelf gezien had.
In de appelteelt hebben we nu wel om de tien jaar te kampen met zware concurrentie. De ietwat oudere lezer herinnert zich zeker nog de Franse Golden. Zelf heb ik als twintiger eens deelgenomen aan een manifestatie tegen de import van fruit uit het zuidelijk halfrond. Nog enkele jaren later waren we blij dat onze veel te dikke Jonagold naar Rusland kon. Telkens kwam de appelteler sterker uit de impasse. Zelfs crisissen konden we overwinnen. De fruitteler heeft dit steeds zelf moeten oplossen. Waar werd er dit jaar betoogd tegen de lage appelprijs? Wie gaat op hoog niveau praten om de mensen te helpen die dit jaar zwaar verhageld zijn en die voor hun fruit minder krijgen dan het gekost heeft? Als er morgen met een koe of een varken iets scheelt, legt men heel het land plat, terwijl wij nog steeds onze plan moeten trekken en dan nog dikwijls te horen krijgen dat die fruitboeren toch nog rijk genoeg zijn.
Fruittelers zullen er wel altijd zijn en appels en peren ook. Gelukkig hebben we de gave van te volharden en op zoek te gaan naar iets nieuws. Zo zag ik een ondernemende fruittelersfamilie uit het Tiense rode bessen plukken met een machine. Een andere teler ging ergens bomen verzorgen, terwijl nog iemand anders zijn heil zoekt in biologische markten. Ik was ook te gast in Rillaar, bij Better3Fruit, waar men de Zari promootte, een nieuw zomerras als aanvulling op de gangbare variëteiten. Er stonden daar ook nog heel wat nieuwe appelrassen. Of er iets bruikbaars inzit, weet nog niemand; maar het feit dat men toch nog zoekt naar iets nieuws is toch al positief te noemen. Wie weet vinden we ooit nog eens een tweede Jonagold en zijn we weer vertrokken voor een aantal gouden jaren. Een mens mag al eens dromen, toch?
– Kris Van der Velpen
september 4, 2009
Adembenemend
Op een mooie zomerse zondagavond was ik eens bezig aan de paperassen. Dat is niet zo verwonderlijk, tijdens de week zijn we druk aan het werk en dan worden al die enveloppen en papieren al vlug op een stapel gelegd. Zo nam ik ook een brief ter hand van de Mestbank. Weer ergens een toelichting om iets te doen wat we niet graag doen dacht ik. Ik ben niet erg schrikachtig meer, maar toen ik de inhoud van die brief aan het lezen was moet mij een wel erg hoorbare zucht ontsnapt zijn. Krista kwam zelfs vanuit de zetel kijken wat er scheelde. En dat was niet van de poes! Er werd mij een heffing opgelegd die ongeveer 10.000 euro te hoog was omdat ik niet genoeg aan de mestverwerkingsplicht had voldaan … in 2006!
Vele jaren geleden hadden wij als gemengd bedrijf nog varkens op de boerderij. Omdat ons hart meer bij de koeien lag dan bij de varkens hebben wij toen onze stallen verhuurd aan een zeugenhouder die zo met zijn eigen biggen een gesloten bedrijf maakte. Een sanitaire ideale droom dus. Maar toen de mestwetgeving opkwam besloten wij dat de eigenaar van de varkens ook eigenaar van de mest moest worden en zorgen voor de (betalende) mestafzet. Plots kwam echter minister Dua op de proppen die het nodig vond om mestrechten toe te wijzen aan personen, en dat vonden wij in ons geval natuurlijk niet zo juist. In volledige samenspraak met de huurder van onze stallen hebben wij toen die mestrechten op ons laten zetten, maar daarmee beschouwde men ons als overnemer uit een groot bedrijf en zo erfden wij de besmetting van de mestverwerkingsplicht. Ondertussen hebben wij al lang geen varkens meer hier, het andere bedrijf is ook al grotendeels afgebouwd, maar de heffing blijft bestaan. Al vier jaar op rij betaalden wij daar een boete voor van ongeveer 1900 euro, maar dit jaar was men er op de administratie van de Mestbank in geslaagd om ons een verkeerde berekening voor te schotelen van bijna 10.000 euro te hoog. Een mens zou van minder verschieten. Onnodig te zeggen dat dit in deze moeilijke tijden in de landbouw bijzonder ongelegen komt. Maar hoe is het eigenlijk zover kunnen komen dat iemand daar in de Mestbank (enkele tientallen?) verkeerde aangiftes verstuurd heeft? De wegen van de Mestbank zijn ondoorgrondelijk en ik zal het allicht nooit weten.
Toen ik deze heffing kreeg werd het mij gelijk bijna zwart voor de ogen. Eigenlijk dacht ik dat ik door de nieuwe reglementering van die heffing af was. Ik wist al dat die van vroeger 5 jaar ging lopen. En ik dacht dat die ten einde was. Met deze nieuwe heffing dacht ik dat ik nu misschien een nieuwe cyclus ingezet had van 5 jaar. De hoge heffing was dus van 2006. Ik wist al dat ik ook in 2007 en 2008 niet voldoende mest had verwerkt (gewoon omdat ik dat niet verplicht was) dus zag ik dat cijfer van de heffing al vermenigvuldigen met een factor 3. Meteen begon ik aan mezelf te twijfelen over mijn capaciteiten als manager van mijn bedrijf. Had ik iets over het hoofd gezien? Iets verkeerd ingeschat? En zou een stommiteit mij uiteindelijk misschien wel 50.000 euro gaan kosten? Allemaal vragen die mij die avond te binnen schoten. Later bedacht ik wat een minder sterke persoonlijkheid had kunnen doen als hij bijvoorbeeld die avond langs de loods zou lopen en daar een touw zien liggen …. En dat allemaal door een fout van de Mestbank. Boeren vandaag lopen (financieel) op de toppen van de tenen, en voor een administratieve fout aan Mestbank, Sanitel of premies worden zij gestraft met 500 of 5000 euro, het lijkt wel een willekeur. Ik vraag mij af als die verantwoordelijke van de Mestbank voor zijn onbedachte daad zal aangesproken worden? Of misschien zal het zijn chef nooit opvallen.
In ieder geval was ik er nog niet van af. In eerste instantie wilde ik mij tot een bekende politieker wenden die hier en daar wel wat te zeggen heeft. Daarna dacht ik mij een gerenomeerde advokaat aan te schaffen. Eentje die de rechtbank zou binnenstormen en die zou zeggen: “Luistert eens hier jongens, zo zit dat, en maakt dat eens gauw in orde”. Niets van dat alles, ik legde mijn geval uit aan de dienst die ook mijn mestbank aangiftes verzorgt, en die kon mij vertellen dat de Mestbank toegaf een fout te hebben gemaakt. Daarna maakt ik een afspraak met de verantwoordelijke van die dienst heffingen. Er was inderdaad een fout gemaakt, zo vertelde hij. Ik moest nu maar een bezwaar indienen. Ik zuchtte weer. Ik moest dus een bezwaar indienen dat mij handenvol geld zou kosten, terwijl de Mestbank al wist dat ze zelf in de fout waren . Ik ben nogal voor simpele oplossingen, dus stelde ik voor om mij gewoon een nieuwe, juiste heffing te bezorgen, en die vorige, zand erover. Ja, maar dat kon niet want eens een heffing uitgeschreven was moest die ook geïnd worden. Administratie!! Ik mocht dat bezwaar ook zelf en in mijn eigen woorden doen en dat heb ik dan op grond van de eerder medegedeelde gegevens zo goed en zo kwaad mogelijk gedaan.
Nog even de adem inhouden tot er een antwoord komt.
Luc Callemeyn
augustus 25, 2009
Sterfelijkheid
Tot mijn veertigste levensjaar waande ik mij onsterfelijk, zoals alle jonge mensen. Mijn man en ik spraken wel eens over wat de ander zou doen als één van ons vroegtijdig stierf, en vooral over wat er met de kinderen en de boerderij zou moeten gebeuren. Maar verder dan wat lacherige suggesties kwamen we niet. Ik zou een flinke boerenknecht in dienst nemen en hij waarschijnlijk een leuke meid of zo!
Zoals jullie wellicht al weten, kreeg ik in oktober 2000 een hartinfarct. De grond werd volledig onder mijn voeten weggemaaid en ik werd in één klap sterfelijk. Ja, die 16de oktober heb ik de hemelpoort gezien en dat doet wat met een mens. Sinds die dag ben ik soms in gedachten afscheid aan het nemen van de mijnen en van wie ik liefheb en mijmer ik af en toe hoe mijn gezin het verder zou doen zonder mij. In het begin had ik dat heel erg, maar stilletjes aan minderden die gedachten. Gelukkig zijn we ondertussen al weer een paar jaar verder en zijn de kinderen jongvolwassenen.
In 2006 werd ik nogmaals abrupt op mijn sterfelijkheid gewezen. Dat tweede infarct heeft me – nog meer dan het eerste – veel van mijn krachten ontnomen en het was psychisch ook heel zwaar om dragen. Sindsdien heb ik dikwijls het gevoel dat ik verder strompel in het leven, vooral in het boerenleven dan. Ik help wel mee wanneer en waar ik kan, maar ik kan behoorlijk gefrustreerd zijn door mijn beperkingen. Je ziet zoveel werk om je heen, zoveel dat je zou willen doen, maar er zijn dagen dat er eigenlijk niet veel uit mijn handen komt en dat ik anderen mijn taken moet laten opknappen. Ik kan daar heel ongelukkig om zijn … Andere dagen kan ik meer aan en doe ik dan weer te veel, zodat ik ’s avonds in de zetel plof en ik geen grammetje energie meer heb – zelfs niet om mijn mond open te doen en te praten. Ik moet soms meer dan een uur bekomen vooraleer er weer beweging te krijgen is in mij. Gelukkig kent mijn gezin ondertussen mijn gebruiksaanwijzing: met rust laten en weer tot zichzelf laten komen.
Was ik volgens mijn cardioloog destijds een werknemer geweest, dan mocht ik niet meer gaan werken en hoefde ik enkel nog mijn gezin te runnen.
Soms denk ik: “Kon ik maar nog lang genoeg leven, tot ik weet dat mijn kinderen hun plaats in de wereld gevonden hebben!” Maar wanneer ben je daar nog zeker van? Je kunt nu denken dat ze het alle drie goed voor elkaar hebben, maar vijf jaar later kan het al een heel ander plaatje zijn. Dus is een mens nooit gerust, hé. Maar dat geldt uiteraard voor iedereen.
Er zullen nog wel mensen zijn die zich in mijn klaagzang van hierboven herkennen. Mensen die ook één of andere ziekte met zich meedragen of doorgemaakt hebben en het ook soms verdomd lastig hebben om mee te draaien in die mallemolen van het leven. Zeker als je zelfstandig bent, is het dubbel zo zwaar – vind ik toch.
Waar ik het ook zeer moeilijk mee heb, is als er hier iemand langskomt wanneer ik net eventjes uitgeteld in de zetel lig. Als die persoon niks van me weet, dan denkt die misschien wel dat ik een luie trien ben die midden de dag zomaar in de zetel ligt en de anderen voor zich laat opdraven. Weerom voel ik dan een diepe gêne. Maar ik kan toch niet aan de eerste de beste mijn hele verhaal doen? Bovendien stuit ik ook op onbegrip. Sommigen denken dat een infarct doormaken een beetje is als een flinke griep doorstaan: eenmaal die voorbij is, is weer alles zoals voorheen. Maar zo is het helaas niet.
“Trek je dat toch niet zo aan”, zegt mijn man. “Je doet voortdurend erg hard je best.” Ik weet wel dat hij gelijk heeft. Als ik niet op een boerderij woonde, dan zou ik het toch gemakkelijker vinden om mij er niks van aan te trekken. Geen mens die erover valt als je eventjes niets doet. Maar als kind van zelfstandigen ben je van kindsbeen af zodanig geprogrammeerd dat eventjes niks doen gelijkgesteld wordt aan lui zijn. Altijd bezig willen zijn, altijd iets om handen hebben, dat werd er bij ons vroeger ingestampt en het is er dan ook moeilijk uit te krijgen. Tot het niet meer gaat, uiteraard.
“Maar ja, ik ben er toch nog”, zegt men dan. Uiteindelijk is dat wel zo. Als we hier in een straal van 1 km rond ons kijken, dan komen we tot de tragische vaststelling dat er – in de 14 jaar dat we hier wonen – al 5 jonge en zelfs heel jonge mensen die boerden, gestorven zijn. Twee heel jonge mensen door zeer tragische accidenten: iemand werd vermoord (!), een ander stierf na een hersentrauma en nu onlangs overleed een vrouw door kanker. En allemaal lieten ze een gezin achter. Dat zijn grote drama’s voor de betrokkenen. En toch draait de wereld door …
– Bernadette Jonckheere
augustus 20, 2009
Nos amis, les Wallons en Ardenne
Naar jaarlijkse gewoonte trekken wij er het eerste weekend van augustus op uit. Telkens rijden we richting Ardennen. Het begint stilaan op een familiebezoekje te lijken. Het is al voor de vierde maal dat we onze tenten op dezelfde hoeve opslaan. Allez, we slaan niet letterlijk onze tenten op, we gaan gewoonweg op hoevetoerisme: ‘chambres d’hôtes’ zoals je op zoveel plaatsen ziet.
Wij houden van de stilte, van de natuur en van het platteland – plat is het daar niet, maar je begrijpt wel wat ik bedoel! We logeren bij mevrouw Tassigny. Zijzelf heeft een stal dikbillen, maar tijdens de zomermaanden lopen haar dieren in de weiden rond haar boerderij. De zolder van haar huis heeft ze ingericht om mensen te ontvangen. Er kunnen een stuk of tien mensen overnachten. Je kan het niet geloven hoe kalm men daar leeft. Er is weinig stress te merken. Natuurlijk draait de boerenstiel – net zoals hier – niet echt rond, maar ze leven er toch totaal anders. Telkens wij Vlaanderen verlaten, zien wij een heuse bedrijvigheid op de velden en hoe verder wij het land intrekken, hoe kalmer het wordt. Je zou je beginnen afvragen wie er de slimste van de twee is. Je hebt tenslotte maar één leven en als er hierboven beslist wordt dat het gedaan is, is het ook werkelijk met je gedaan!
Een weekendje is zo vlug voorbij. Intussen staan we weer met ons beide voeten op Vlaamse gronden en hebben we ons witloofseizoen gestart. Ook wij zoeken manieren om ons product beter aan de man te krijgen en we hebben nieuwe perspectieven geopend. Mijn man heeft namelijk besloten om elke zaterdagnamiddag op de boerenmarkt van Diksmuide te staan. Ik steun hem voor de volle honderd procent. Hij heeft gelijk, hij zoekt een manier om meer waardering te vinden en voldoening in zijn geteelde groente. Op de veiling moet je dat momenteel niet zoeken, want het is er nog steeds niet te vinden.
We hebben deze stand overgenomen van een kweker, die daarmee gestopt is. Op de markt hangt er een speciale sfeer. Het is een sfeer van samenhorigheid van landbouwers. Boeren die trots zijn op hun werk en hun product en dat willen aanprijzen aan de man in de straat. Het zijn producten die rechtstreeks van de producent aan de consument verkocht worden. Dus, aan de versheid ervan hoef je niet te twijfelen. Er staan kramen met zuivelproducten, groenten en fruit, vlees, gevogelte, ijsjes en pannenkoeken, bloemen enzovoort. Waaraan zou je als consument nog twijfelen? Waarom zou je nog naar de supermarkt gaan? Je hebt er alles bij de hand. De producten worden er op een democratische en klantvriendelijke manier verkocht.
Je mag het wel niet onderschatten. De zaterdag was al de drukste dag van de week en met deze markt op zaterdagnamiddag moeten we nog een tandje bijsteken. Maar voor mijn man zijn dit echt een viertal uurtjes ontstressen. Hij doet het graag en dat is toch ook belangrijk. Intussen kan ik mijn huis schoonmaken en onze oudste zoon is dan boer ‘ad interim’. Hij heeft dikwijls een hele waslijst klusjes die nog afgewerkt moeten worden, terwijl zijn vader de markt doet. Maar geen nood, hij werkt ze met plezier af.
Van zodra we het witloofseizoen starten, begint de zomervakantie vlug te korten. Eens half augustus voorbij blijven er maar een tweetal weekjes meer over. Wat gaat die tijd toch vlug. Onze twee jongens hebben tijdens de maanden juli en augustus veel gewerkt. In juli hebben ze geholpen met de bloemkolen en in augustus helpt onze oudste bij onze buur courgettes plukken. Klaas is vijftien jaar oud en heeft graag zijn dagelijkse bezigheid. Het hoeven daarom niet allemaal even drukke dagen te zijn, maar hij werkt graag. De vakantie eindigt voor hem met een weekje ‘vakantiepraktijk’. Hij moet nog een weekje op school helpen de tuinen te onderhouden, de vruchten in de serres plukken enzovoort.
Onze jongste is momenteel op kamp met de Chiro. Het is dus stilletjes in huis en dat zit me niet zo lekker. Ik heb graag mijn kroost rond mij. Hetzelfde scenario herhaalt zich tijdens de eerste schoolweek. Twee maanden waren mijn kinderen in en rond het huis, in de gebouwen of ergens op de boerderij, maar ze waren thuis. Vanaf september is het stil, zowel binnen als buiten. Enerzijds keert de stilte en de rust terug, maar het blijft toch steeds een stukje afgeven. Dat is lastig voor mijn moederhart!
– Sofie Vansteelandt
augustus 4, 2009
De baas trakteert
Ik heb me al honderd keer afgevraagd waarom je op de landbouwbeurs van Brussel bij al die meelhandelaren en banken volop drank krijgt en bij de Fransen in Parijs niks. Eindelijk heeft een vertegenwoordiger van het grootste Franse kippenslachthuis het me uitgelegd. In Frankrijk zijn het de kippenslachters of eierenhandelaars, enzovoort die de boer opzoeken om een stal te bouwen. Met het afnamecontract dat we met hen tekenen, mag je vrij een meelhandelaar kiezen, want ze produceren zelf geen meel. Maar ja, zo’n meelhandelaar is meestal 10 à 15% duurder dan de handelaar die aan het slachthuis verbonden is, en die handelaar krijgt van de vleesafnemer waarschijnlijk nog erg zware kwaliteitseisen opgelegd. Daarom kunnen ze ons niet trakteren op het landbouwsalon en daarom rijden ze met een klein autootje rond.
Wat die vertegenwoordiger me ook vertelde, is begrijpelijk hier, want ze hebben jaren enorme concurrentie ondervonden van de Belgische meelhandelaren. Franse kippenboeren die afhaakten met de groep Poux (of dat grote kippenslachthuis), zien we vaak terugkeren na enkele rondes met de prijzen van Deinze. Die marktprijzen van Deinze zijn heel goed in de zomer, maar voor de rest van het jaar zijn ze te laag. Zo kunnen de Fransen nu pronken met winstgrafieken die 20% of meer hoger zijn dan de gemiddelde Belgische prijs over vijf jaar gezien.
Eindelijk start ik in oktober met 5000 legkippen van het Label Rouge. Deze maand hoor ik dat de Franse autoriteiten toestemming geven om tot 6000 kippen per hok te houden en je mag twee hokken hebben op je boerderij. Ik vrees dat ze beginnen te panikeren dat er geen eieren meer zullen zijn in de toekomst. Label Rougekippen moeten een buitenloop hebben van 6 m2 per kip. In mijn geval komt dat neer op 2,5 ha. Ze zullen lopen op een droog stuk kalkgrond, waar toch bijna niks op groeit.
Toen ik mijn overeenkomst met de eierenhandelaar afsloot, betaalde hij 1,22 euro/kilo eieren of 16 eieren. Diezelfde 26 juni stond in Boer&Tuinder de prijs van 1,01 euro/kilo, wel voor scharreleieren. De volgende dag kwam de meelhandelaar die hij gestuurd had een contract afsluiten met mij. Ook die was 15% goedkoper dan degene die ik al had gekozen. Eigenlijk kan ik in Noord-Frankrijk maar tussen twee meelfabrieken kiezen die gespecialiseerd zijn in Label Rougemeel of 65% granen in het meel.
Op 7 juli vertrok de voorlaatste bus boeren van Ruddervoorde die ik dit jaar ontvang terug naar huis. Nu kan ik mij weer volop storten op de aankoop van tarwestro. Het kan nog veranderen, maar vorig jaar rond deze tijd had ik al ruimschoots mijn boekje volgeschreven. Nu heb ik maar een 200 van de 600 hectare kunnen aankopen. Misschien verandert het nog, maar al mijn cliënten zeggen njet (of nee).
Wintergerststro heb ik in overvloed aangekocht, de varkensboeren mogen gerust zijn. Zomergerststro verkoop ik aan de Nederlandse geitenboeren. Door de crisis die ik in mijn vorige dagboek beschreef, is er weinig zomergerst geplant, maar ik heb er wel kunnen kopen. Koolzaadstro moet ik van mijn Nederlandse afnemer niet kopen, of toch maar weinig. Dit moet bij hem verhakseld worden en dan verkoopt hij het als kattenbakvulling. Vanwege de crisis verversen zijn klanten waarschijnlijk hun kattenbak veel minder.
Het stro van de conservenerwten heb ik droog binnen gehaald en ik hoefde het niet in te wikkelen. Zo verkoopt het veel beter dan in plastic. Het hooi van de luchthaven zal moeilijk te verkopen zijn deze winter, want in Vlaanderen werd er ook veel hooi geperst en dus probeer ik het richting Parijs te verkopen.
Het ergste is de aankoop van tarwestro. Alleen de oude boeren zonder opvolger en jonge veeboeren zijn me trouw gebleven. De graanboeren willen me niks verkopen. Zij hakselen het, want de waarde van de meststoffen erin is tweemaal hoger dan de prijs die ik voor het stro betaal. Het geeft geen zin meer om te zeggen: “We kopen van je in goede tijden, maar je moet ook in slechte tijden aan ons verkopen.” Gelukkig ben ik niet alleen; mijn collega’s of concurrenten hebben hetzelfde probleem bij hun aankoop. Sommigen doen nog een wanhoopspoging, door met de boer op de dorser te onderhandelen en hen te overtuigen zijn stro te lossen. Ik kan dat niet doen, want ik zit zelf op de stropers en heb geen tijd ervoor.
Op 17 juli werd hier de laatste wintergerst geperst en binnengehaald. De strohandel heeft iets minder afgehaald. Het geeft niet, ik heb er ook minder binnen. Ondertussen heeft mijn Hollandse afnemer me opgebeld: ik mag nog volop koolzaadstro opkopen. Dus die crisis is toch minder erg. En met mondjesmaat komen er nieuwe klanten bij voor mijn tarwestro. Wel moet ik voor het tarwestro dezelfde prijs betalen als vorig jaar. Liever dat dan geen stro.
Vandaag, 4 augustus, is er algemene paniek. Iedere Franse boer belt me nu op dat hij stro voor me heeft, maar vanuit België komt er geen vraag. Het is niet meer prettig, maar gelukkig blijft het mooi weer en kunnen we mooi stro binnenhalen.
– Pierre Michels
juli 17, 2009
Het kieken en de wetgevende macht
Beste lezer, je vindt niet altijd even gemakkelijk een onderwerp voor je dagboek, maar soms bots je er tegenaan. Dat overkwam mij op 23 mei. Uit vorige dagboeken weet u dat ik af en toe en hakselaar bestuur, want soms help ik een loonwerker met chronisch personeelsgebrek.
Ik was dus met zo’n tuig onderweg van Hansbeke naar Zomergem. Net over de brug van het kanaal verandert de weg er in een schaduwrijke, smalle dreef. Ik kwam uit de felle zon het donkere gat ingereden. Een tegenligger – een tractor met sproeier – had er zich aan de kant gezet. Ik had de tractor gezien maar niet het spuittoestel, dat nog eens zo’n halve meter uitstak. Ik had het echt niet gezien; in één kwak lag zijn volledige sproeiraam tegen het asfalt! Miljaar … Had ik niet met open deur gereden, dan had ik het niet eens gemerkt en was ik gewoon doorgereden. Maar ik had ‘iets’ gehoord en ik was wat doorgereden om een parkeerplaats te vinden. “Gaat dat kieken nu nog doorrijden ook?” schreeuwde de boer tegen de twee chauffeurs die met mij mee waren.
Enkel op mijn band kon ik een afdruk zien: had ik drie centimeter meer naar rechts gereden, dan was er niets gebeurd! Maar goed, dit was de eerste keer in de dertig jaar dat ik een hakselaar bestuur dat de loonwerker door mijn fout de verzekering moest aanspreken. Ze mogen dus eigenlijk niet klagen.
De boer met de tractor was onderweg van Sint-Laureins, op de grens met Nederland, naar een perceel maïs op de grens van Deinze en Kruishoutem. Dat is 45 km! Hij had dus ongeveer twee derde van dit traject afgelegd en mocht nu onverrichter zake zijn terugreis aanvatten, met een sproeier in twee delen. Nog maar goed dat er geen spuitstoffen in het vat waren of er was wel degelijk sprake geweest van een ernstige puntvervuiling, want ook de aanzuigfilter werd afgerukt. De boer tilde het zwaarst aan het feit dat zijn maïs nu niet gesproeid kon worden en die had dat dringend nodig. Uit eerlijke schaamte stelde ik voor dat ik zijn maïs zou sproeien. Zo gezegd, zo gedaan. ’s Anderdaags ben ik samen met hem naar de zuidkant van Deinze gereden, met mijn sproeier – een mooi toestel dat ik enkele jaren geleden tweedehands op de kop kon tikken. Toen de boer dat zag, zei hij vlakaf dat ik zijn toestel beter helemaal naar de vaantjes had gereden.
Maar nu komt het. Waarom bewerkt een boer een veld op zo’n grote afstand? Waarom spreekt hij hiervoor geen loonsproeier van ter plaatse aan? Wel, dat is een bizar verhaal. Hij werd onteigend op de wijk ’t Zandeken in Evergem, waar men inmiddels het Kluizendok is beginnen graven, voor de uitbreiding van de Gentse haven. Hij heeft dan een ander bedrijf overgenomen in Sint-Laureins. Als gevolg van die onteigening kreeg hij van de VLM andere gronden toegewezen, en die liggen in Deinze. Ben je daar dan mee geholpen? “Als je jaren op de wip van een onteigening zit, neem je alles mee waar je kans van krijgt”, aldus die boer. Je leert leven met die afstand. Omdat die gronden dan ook nog door Pier, Pol en Jan gebruikt werden, hebben ze een ernstig onkruidprobleem. Daarom wou hij de zaak zelf in handen nemen, wat ook te begrijpen is.
Zo zie je maar dat je in Vlaanderen nooit je boontjes te week moet leggen op een stuk grond. Ze kunnen van overal komen. Vlaanderen is te klein voor de ondernemende Vlaming en het zal steeds méér te klein worden. Jaren geleden kocht de VLM in Deinze de Stockstormhoeve, met meer dan 35 ha grond erbij. Dat ligt nogal moeilijk in Deinze want er zat toen een jonge boer op dat bedrijf en ook hij moest zijn biezen pakken! De gronden zouden als grondenbank dienen voor de aanleg van het Deinse en Gentse stadsbos. Maar daar kwam nog niet veel van in huis – althans niet van die ruilen, wel van de bebossing. De Deinse boeren vertrouwen de VLM niet meer. Volgens de laatste ontwikkeling komen er nu vijf grote serrecomplexen op de Stockstormhoeve. Maar dat is uiteraard ook landbouw.
Wij zijn een huis aan het bouwen. Na 25 jaar boeren mag het wel eens iets anders zijn dan een stal of een loods. Nu de banken zo knoeien met onze zuurverdiende spaarcenten, is dit misschien het beste wat je kan doen. Een stulpje voor onze oude dag, als ’t God en nog een paar anderen belieft. Tot nu toe hebben we bijna alles zelf gedaan. De ruwbouw is klaar en nu plaatsen we het dak. Zo weet u meteen waar al onze ‘vrije’ tijd en ook wel een flink stuk van onze vakantietijd naartoe zal gaan. Het geeft wel een goed gevoel hoe je samen met je gezinnetje een huis uit de grond puurt. Ook mijn vader helpt wel eens mee, maar die heeft als gepensioneerde bijzonder weinig tijd, dat begrijp je wel. De belangrijkste pion in dit alles is onze zoon Brecht, die even in de bouw heeft gewerkt. Het ziet er beetje bij beetje naar uit dat hij de hoeve hier wel zal voortzetten en dan moeten wij plaats kunnen ruimen. Het zou de zesde generatie zijn van vader op zoon in lijn. Het doet mij een beetje denken aan een spreuk die hier vroeger op de schouw stond: ‘Daar alleen kan liefde wonen, daar alleen is ’t leven zoet, waar men stil en ongedwongen alles voor elkander doet.’ Mijn echtgenote Vera ziet het nog eenvoudiger. Onlangs bij een discussie over de kleur van het voegsel: “Tut, tut, tut … jullie zijn de uitvoerende macht. Ik ben de wetgevende macht!” … Maar dat wist ik natuurlijk allanger.
Ach, ’t leven kan toch schoon zijn! Prettige vakantie, en vergeet vooral niet ook echt vakantietijd te nemen.
– Johan Schollier
juli 16, 2009
Tour de France, tour de ma vie
Ik heb eens gehoord dat afdalingen veel gevaarlijker en moeilijker zijn dan een beklimming. Je kan door de snelheid uit de bocht gaan en zo recht het ravijn in. Te stevig in de remmen gaan is ook gevaarlijk, je gaat zo onderuit. En toch moet je zorgen dat je met zo weinig mogelijk inspanningen, gestroomlijnd, geniet van de voordelen van een afdaling. Ook mijn ouders zijn aan hun afdaling bezig; binnen enkele jaren komt de pensioen gerechtigde leeftijd eraan. Voor een zelfstandige is dit nog steeds 65. Toch als je niks wil verliezen van het al armmoedige bedrag in vergelijking met het pensioen van een doorsnee ambtenaar. Maar laat ik over het bedrag maar niet klagen, aangezien ik er van overtuigd ben dat wanneer het mijn beurt is, de pot helemaal leeg zal zijn, indien men niet drastisch ingrijpt! Het gaat echt mijn verstand te boven als ik op het nieuws hoor dat men arbeiders – met de economische crisis als drogreden – soms op vervroegd pensioen stuurt. Op 52-jarige leeftijd!
Maar laat ik niet klagen. Ik ben gelukkig met men bedrijfje, werkend in en met het groen. Zoals je misschien weet uit mijn eerdere dagboeken, is mijn bedrijf nauw verweven met dat van mijn ouders. Onze bedrijven liggen naast elkaar, en werken op alle vlakken samen, zowel op productie als verhandeling en afzet. Hierdoor zal ik ook voor een heel stuk meegaan in de afdaling die mijn ouders nu maken. Ik zal ergens wel terug aan een klim zal beginnen, daar waar zij definitief afstappen. En inderdaad merken we dat een afdaling niet evident is. Stoppen, hoe doe je dat? Voorlopig moeten we onze productie en afzet nog op hetzelfde niveau houden zoals vroeger, wat we dan ook doen. Laat ik bij deze onze klanten alvast gerust stellen.
Nu zal je misschien denken dat een overname van het ouderlijk bedrijf door mezelf logisch zou zijn. Misschien is dit wel zo, maar daar bedank ik vriendelijk voor. Dit heeft met mijn persoonlijke situatie te maken en met mijn visie op het leven. Ik zou erg graag actief blijven in de veredeling van struiken en bomen, wat een kleine nichemarkt is. Maar ik ben zeker niet van plan om nog grote en zware cols te gaan beklimmen, als je begrijpt wat ik bedoel. Natuurlijk zal ik nog moeten investeren en hard werken; hier heb ik geen bezwaar tegen. Dat laatste is trouwens altijd mijn lust en leven geweest. Maar als parcours verkies ik dan toch een glooiend landschap, waar ik genietend kan doorfietsen.
Een echt klein familiaal bedrijfje, zonder externe werknemers, eigen baas, beperkte oppervlakte en toch leefbaar, zoals ik het thuis altijd heb gekend. Laten we eerlijk zijn, en toegeven dat het klimaat dat de Vlaamse Overheid, de banken, Fedis, de politieke en professionele instanties creëerden niet gunstig is. Er is in het verleden een (juiste) keuze gemaakt om vooral opportuniteiten te creëren voor grotere KMO’s. Ik heb hier alle begrip voor, zeker omdat dit voor de Vlaamse regio waarschijnlijk de beste keuze was en nog steeds is. Ik ben er daarom van overtuigd dat ik mijn heil best elders ga zoeken. Dit is een uitdaging die mij erg stimuleert, maar anderzijds ervaar ik ook wel eens angst. Toch kijk ik met veel goesting naar de toekomst. Als ik echt wat concreets te melden heb, dan lees je het als eerste hier.
Ik kijk in deze fase van mijn leven regelmatig terug. Ik ben heel gelukkig dat ik geboren en getogen ben op ‘den boerenbuiten.’ Opgegroeid op de boomkwekerij, goede en degelijke opvoeding gehad van mijn ouders en grootouders. Heel veel kansen gekregen in het leven en vele ervaringen mogen opdoen. Meer dan vijftien jaar actief geweest als boomkweker en voorvechter voor onze belangen. Ik heb dan ook met fantastische mensen mogen samenwerken, veel geleerd, en getracht wat goeds te doen. Rondleidingen gegeven op onze bedrijven, complimentjes hiervoor gekregen. Dossiers gelezen en soms echt een verschil gemaakt bij onderhandelingen. Jurylid geweest bij verschillende wedstrijden en laatstejaarsstudenten beoordeeld, wat ik nog steeds als een groot voorrecht ervaar. Hopelijk heb ik steeds juist geoordeeld? Ik heb ook stagiairs begeleid en geholpen bij hun verhandelingen, en later gemerkt dat ze goed terecht zijn gekomen. Dit en nog zoveel meer geeft mij zoveel voldoening en goesting om verder te doen. Net als het dagboek trouwens.
Nog kort even over onze voorzitter, Piet Vanthemsche. Bij zijn aantreden had ook ik vooroordelen, ik ken hem niet persoonlijk. Wel lees ik steeds vaker zijn ‘Op de eerste rij’, en zie hem met regelmaat op informatieve zenders, zoals laatst op kanaal Z. Ik heb mijn vooroordelen reeds laten varen, en ben steeds meer onder de indruk van zijn aanpak.
Wat wens ik hem (en iedereen) voor deze zomer buiten goed weer? Goesting, vooral veel goesting om er voor te blijven gaan, zeker nu in crisistijd. Het licht aan het einde van de tunnel bereiken we niet door negativisme, wel door steeds kritisch te blijven werken aan een duurzame toekomst. Saluut en de wind van achter.
– Henk van Beek
juli 10, 2009
Administratieve vereenvoudiging
Als ik nu – einde juni, bij het begin van de zomer – terugkijk op de voorbije maanden, dan mogen we toch wel besluiten dat we een prachtig voorjaar achter de rug hebben. Al was het soms wel moeilijk om te beslissen wanneer de vooruitzichten gunstig waren om te maaien. De weersvoorspellingen waren bijna twee maanden lang elke dag hetzelfde: mooi, zonnig weer, met plaatselijk kans op een bui. Om de risico’s te spreiden, hebben we onze eerste snede gras dan ook in vier keer gemaaid. Dat moet ik wel een beetje nuanceren. We hebben namelijk ons Italiaans raaigras als voorteelt van maïs in twee beurten gemaaid en onze graas- en maaiweiden ook in twee keer. Dat laatste vooral ook om groeitrappen te krijgen in onze graasweiden voor de koeien, want ik blijf vasthouden aan weidegang voor onze koeien. In de eerste plaats voor de gezondheid van de dieren zelf, want ondanks alle comfort dat we onze koeien in de stal proberen te geven ben ik er nog altijd van overtuigd dat de weide de comfortabelste verblijfplaats is voor een koe. Want, zeg nu zelf, het is toch een waar genot voor de boer om een kudde gelukkige en gezonde koeien op een zonnige dag in de weide te zien grazen of languit in het gras te zien liggen. Dan vergeet je toch op slag de lage melkprijzen en besef je weer waarom je melkveehouder werd.
Maar ook economisch gezien is weidegang volgens mij een goede zaak. Door grazen en maaien van de weilanden regelmatig af te wisselen, kan je de opname van gras behoorlijk op peil houden. Daardoor kan je – in combinatie met maïs aan het voederhek in de stal – een zeer evenwichtig en relatief goedkoop rantsoen aanbieden aan de koeien, zonder dat je moet toegeven op melkproductie. Het blijft natuurlijk de keuze van de boer zelf of hij al die moeite wil doen en of hij daar tijd voor heeft of tijd voor wil maken. Ook dit is allemaal wel erg relatief, want ik zie de laatste tijd bij veel melkveehouders een enorme drang om te groeien in aantal koeien. Als reden halen ze dan telkens aan dat ze dit doen om klaar te zijn voor de toekomst.
Ik heb daar zo mijn bedenkingen bij. Laat me vooraf duidelijk stellen dat ik de mening van iedereen respecteer en dat iedereen van mij zijn plannen mag realiseren, maar ik stel vast dat er heel wat boeren zijn die met 50 à 60 melkkoeien hun boterham kunnen verdienen. Studies wijzen trouwens uit dat dit aantal ook de limiet is voor één persoon om zijn werk en de verzorging van de dieren goed rond te krijgen en daarbij ook nog een normaal, aanvaardbaar gezins- en sociaal leven te hebben. Want hoe gedreven en werklustig je ook bent, elke mens heeft zijn grenzen en er is echt wel meer in het leven dan werken alleen.
Voor mij betekent ‘klaar zijn voor de toekomst’ dat ik een bedrijf heb dat de volgende generatie kan overnemen en met een veestapel die een goede genetische basis heeft, want daar is volgens mij nog heel veel winst te halen. Wanneer je – door stieren te gebruiken die de productiekracht van je koeien verbeteren – met hetzelfde aantal koeien 2000 kg melk per koe en per jaar meer kan produceren, dan heb je zo ruim 100.000 kg melk meer geproduceerd in dezelfde stal, zonder dat je kosten moet maken om bij te bouwen. Ik besef natuurlijk ook wel dat het een werk van lange adem is om je veestapel genetisch te verbeteren, terwijl je bij bouwen al na enkele maanden het resultaat ziet. Daar staat wel tegenover dat je de financiële lasten van bouwen ook heel wat jaren meedraagt.
Ik heb de afgelopen drie weken zowat de Ronde van Vlaanderen achter de rug, want van Diksmuide, over Ninove en Oostmalle, tot in Hasselt heb ik in het kader van een reeks studienamiddagen over Veeportaal als een van de sprekers aangetoond hoe deze internettoepassing voor mij als veehouder een meerwaarde oplevert. De opkomst was telkens goed. Er waren heel weinig klachten over de werking van Veeportaal en – wat zeker zo belangrijk is – heel wat vooral rundveehouders maken al gebruik van Veeportaal of willen er gebruik van maken. Bij de start in maart gebeurde 16% van de geboortemeldingen via Veeportaal; in de maand mei was dit al opgelopen tot 33%. De boodschap die ik telkens meegeef ,is dan ook behoorlijk positief. Ik ben van oordeel dat je het ook mag zeggen als iets goed is.
Het plezante aan Veeportaal is dat je steeds meer mogelijkheden ontdekt naarmate je er meer mee werkt en vooral dat je ondervindt dat deze toepassing duidelijk bijdraagt aan de zo dikwijls gevraagde maar tot nu toe nog veel te weinig gerealiseerde administratieve vereenvoudiging. Ik geef even een voorbeeld dat ikzelf ervaren heb in de praktijk. Bij een controle op de randvoorwaarden hoef je helemaal geen veeregister op papier meer voor te leggen. Wie al zijn veebewegingen binnen de drie dagen in Veeportaal bijwerkt, hoeft enkel het register op het computerscherm te tonen als officieel bewijs.
Voor de mensen die interesse hebben: op donderdag 2 juli is er in Aalter nog een laatste studienamiddag. Misschien ontmoeten we elkaar daar wel.
– Marcel Heylen
juli 3, 2009
Koeien in de wei
Het klinkt voor velen onder jullie allicht bekend in de oren. Een zalige, zomerse zondagnamiddag. Wat later dan gewoonlijk naar huis gekomen van een feestje … en dan moet je nog aan het werk beginnen. Eén probleempje hebben we enkele jaren geleden al aangepakt. De koeien lopen gewoonlijk op een weide waar we met de auto voorbijrijden. Daar zetten we enkele van de kinderen af en zij kunnen de koeien zo meebrengen naar huis. Tegen dat wij thuis zijn en de melkmachine gestart is, zijn de koeien en de kinderen thuis. Die weide heeft er ondertussen al enkele jaren haar naam aan te danken: de kinderen hebben haar de ‘zondagswei’ gedoopt.
Dat was dus de voorbije zondag niet anders, maar de kinderen zaten allemaal op hun blote voeten in de auto. Mijn man Geert bood aan om dit keer de koeien mee naar huis te brengen. Omdat we dan van plaats moesten wisselen om verder te rijden, vond ik dat ik dat eigenlijk net zo goed kon doen. Ik dus uit de auto gestapt, in een rok en met mijn zonnebril op. En dat bleek nu juist het probleem. De koeien keken hun ogen uit. Ze wisten echt niet welke verschijning ze daar plots zagen. In plaats van de koeien vlot naar huis te krijgen, bleven ze allereerst al rustig staan. Je kunt ervan op aan dat ik elke hoek van de wei heb gezien, telkens een koe ophalend die het nog bijlange na niet nodig vond om gemolken te worden. Als ik dan toch wat dichter in hun buurt kwam, dan stonden ze mij eerder te bekijken als een rariteit dan dat ze rustig richting stal zouden gaan.
Na een korte tijd dacht ik eraan dat ik mijn zonnebril nog op had. Het leek me toen een goed idee om die maar af te zetten. De koeien zouden mij misschien weer herkennen en eindelijk doen wat ze moesten doen – dus naar de stal gaan. Sommige koeien vonden blijkbaar de boerin in een rok ook een zeer zeldzame vertoning (het is dan ook niet mijn gebruikelijke werktenue) en ze vonden het nog steeds nodig om mij aan te staren. Uiteindelijk zijn ze toch thuis geraakt. En met het mooie weer was het voor mij al bij al toch wel een mooie wandeling.
De koeien van de wei halen als het mooi weer is, vind ik eigenlijk best een fijne bezigheid. Het is misschien omdat ik het niet dagelijks doe, dat ik er wat meer van kan genieten. Dikwijls sturen we de kinderen om de koeien, liefst met z’n tweeën. Ook al hebben ze er niet altijd evenveel zin in, voor hen is het eigenlijk alleen maar een wandeling. Als de koeien achter ons hof lopen, zie je zeker het volgende scenario. Eerst vertrekken de kinderen, al huppelend of zigzaggend. Na een hele tijd verschijnen de koeien. Vanuit de keuken zie ik ze naar huis komen, eerst druppelsgewijs en stilaan in een lange stoet. Allemaal mooi in het gelid, na elkaar. Een prachtig gezicht, maar voor mij ook het sein dat ik kan starten met melken.
Af en toe ga ik met één van de kinderen om de koeien. Zo ging ik op een avond de koeien halen samen met Marrit, onze dochter van 11. Ze liepen toen vrij ver van het hof en we moesten toch tien minuutjes stappen voor we aan de weide waren. Zo samen stappend heb je eigenlijk wel een mooie gelegenheid om eens te babbelen. Ik vraag me af en toe wel eens af of ze het erg vinden om op een boerderij geboren te zijn. Zij zien namelijk meer de nadelen, terwijl wijzelf en ook de anderen er de voordelen van inzien. Af en toe eens moeten helpen, is zo een van die grote nadelen als kind. En stilaan ging het gesprek dan ook die richting uit. Met de grote vakantie voor de deur vroeg ik mij af of ze niet liever had dat ik uit werken zou gaan, zoals zoveel mama’s. Ik zei er dan ook in één adem bij dat ik als ik thuis was wel wat meer tijd zou kunnen vrij maken voor hen. Ik zou ook al eens gemakkelijker kunnen helpen bij hun huiswerk. Zo somde ik vooral al de voordelen op van buitenshuis te werken. Ze had haar antwoord al snel klaar: “Maar je zou dan wel veel minder thuis zijn. Neen, laat ons maar op een boerderij wonen. Zo zijn jullie altijd thuis.” Dus blijkbaar gaat ze toch wel een zalige en onbezorgde vakantie tegemoet.
– Carine Cornu
juni 28, 2009
Sneeuwwitjes appel was zeker niet Belgisch
Als ik dit artikel schrijf, zijn we net de verkiezingen van 7 juni gepasseerd. Een mooiere Vlaamse overwinning was bijna ondenkbaar. In de komende weken wordt er hopelijk ook aan de kiezers gedacht en gebeurt er ook iets met de stem van het volk. Een vraag die vaak terugkeert, is welke richting men nu uit kan – of wil – en de eerste dagen na elke verkiezing is het altijd wat speculeren wie met wie in zee gaat en naar welke doelstellingen gestreefd zal worden de komende jaren.
In de hedendaagse fruitteelt is het ook altijd kiezen welke richting we de komende jaren uitgaan. Telen we over vijf jaar alles biologisch? Of wordt de huidige millieubewuste teelt iets wat zeer nauw aansluit bij de biologische productie? Als je ziet dat vandaag de residunormen van veel sproeiproducten zodanig laag worden, zou dat me niks verbazen. Sproeiproducten zoals Captan spoten we tot voor twee jaar nog in ons schema tegen bewaarziektes, dus twee weken voor de pluk. Tegenwoordig moet je nu al stoppen met Captan, want anders komt je fruit niet meer in aanmerking om naar Rusland te exporteren. Zo is er intussen al een heel lijstje van producten waar men vanuit die hoek serieuze beperkingen oplegt. Je kan wel opmerken dat niemand verplicht is om zijn fruit naar Rusland te exporteren, maar wat doe je als je appels eens wat groter uitvallen? Gewoonlijk zijn we dan maar al te blij dat we ze ginder nog kwijtraken. Er is ook niet alleen de export naar Rusland, maar er zijn nu ook enkele supermarkten die hun eigen residunormen opleggen. In zo’n situatie ben je als teler nog meer verplicht om je spuitgedrag aan te passen.
De tijd van wat meer te sproeien dan noodzakelijk is voorbij. Tot voor kort keken we alleen maar naar sproeischema’s die garantie boden op ziekte- en insectenvrij fruit. Nu moeten we ons afvragen of we het product nog wel kunnen gebruiken zonder straks problemen te krijgen met onze afzet van het fruit.
Gelukkig heeft deze hele problematiek ook een positieve kant, want nu moeten we wel meer op zoek naar alternatieven. Zo maken we tegenwoordig gebruik van een techniek die de insecten hormonaal in de war brengt. Je hoeft dan maar een plastic dopje met een feromoon in de boom te hangen en de fruitmot verdwijnt na een tijd uit je boomgaard. Er zit een hele techniek achter, maar om die volledig uit de doeken te doen, is mijn column wat klein. In het begin moet je dit proces wel nog ondersteunen met sproeiproducten, maar in de loop van de zomer bespaar je toch één of twee bespuitingen. Hopelijk werkt deze techniek nu nog heel efficiënt en kunnen we het gebruik ervan nog uitbreiden, zodat we ons – en de nuttige insecten –een massa insecticiden uitsparen. Wie weet halen we ooit het nieuws hiermee.
Wat ik ook bij mezelf merk, is dat we al eens vlugger naar de bosmaaier grijpen om netelstruiken te verwijderen. Vroeger zouden we die bespoten hebben tot ze er letterlijk bij neervielen. Misschien komt er over enkele jaren een machine aan te pas om de herbicidendruk te verminderen. Voorlopig is dat nog iets wat hoofdzakelijk in de bioteelt gebeurt, maar het zou me niet verwonderen dat we straks in de zomer de vegetatie onder de bomen moeten afmaaien in plaats van de grond dood te sproeien met herbiciden.
Als teler heb je in dit verhaal weinig te kiezen. Je hoeft dat allemaal wel nog niet doen en je mag zelfs nog alles sproeien wat wettelijk toegelaten is, maar persoonlijk denk ik dat we toch genoodzaakt zijn om de evolutie van het residuvrij fruit zeer nauw op te volgen. Anders eindigen we zoals menig aardbeiteler die vandaag langs de kant van de weg zijn product moet slijten omdat hij van geen lastenboek wil weten.
Gelukkig hebben we in België wel goede instanties zoals ons Proefcentrum voor de Fruitteelt, het ministerie van Landbouw en de veilingen, die ons over deze materie tijdig informeren. Ik hoorde onlangs op een vergadering van de Studiekring Guvelingen dat vorig jaar zelfs alle instanties samengewerkt hebben om de telers tijdig te informeren over de residunormen voor export naar Rusland. Toen ik vernam dat dat in veel andere landen niet gelukt was, was ik toch wel positief verwonderd.
Zo zie je maar dat er mits een beetje goodwill wel wat te bereiken valt. Hopelijk lukt het onze politici deze dagen ook om hun goodwill te tonen zonder hun eigenheid prijs te geven.
– Kris Van der Velpen
juni 17, 2009
Land van hoop en glorie?
Het is precies 5 jaar geleden dat ik u hier het verslag bracht van onze reis naar Amerika met onze fokkerijclub Westhoek Holsteins. Ik ben nu net een week thuis van de tweede editie. Waar wij de vorige keer de streek van Michigan en vervolgens Canada bezochten, trokken we nu meer naar het warme zuiden met als start de omgeving van Dallas in Texas en vervolgens New Mexico, Arizona, Nevada en California. Niet alleen het klimaat was er anders (zeer heet), we kwamen ook terecht op de mega-grote bedrijven. Naar schatting hebben wij op onze reis 50.000 koeien gezien en ongeveer 70.000 stuks jongvee. Zo zagen wij bedrijven van 200 tot 10.000 koeien, of ook een jongvee opfokbedrijf met 26.000 dieren van 8 – 23 maand. Niet te geloven allemaal, als je dan met de bus aan het rondrijden bent in de voedergangen en op het bouwblok van een slordige 150 hectaren, loodsen, silo’s en mestopslag inbegrepen. Wat dacht je van een bedrijf waar 7 mengvoerwagens constant voeder aan het bereiden zijn? Of 4000 kalverhutjes waar elke dag 100 à 150 verse kalveren binnenkomen die moeten biest krijgen?
Het was imponerend om te zien, maar tegelijk ook confronterend om te leren hoe men omgaat met de diverse productiefactoren zoals: klimaat, voeder, arbeid, gebouwen en kapitaal.
Het heeft mij verrast dat er zoveel onproductieve oppervlakte is in de VS. Wij hebben ongeveer 6000 km afgelegd met de bus en daarvan was meer dan de helft gebieden met droge prairie, rotsen, bergen of zandvlakten met cactussen. Niet alleen is het daar warm, in de zomer gemiddeld 35-45° met uitschieters tot 50°, er valt ook bijzonder weinig neerslag, tot 300 liter per jaar. Zo zagen we heel veel grote watersproeiers die tot 60 ha in één cirkel konden beregenen, tot 600 liter per vierkante meter. Door de warmte kan men dan wel tot 2 oogsten per jaar hebben (tarwesilage + maïs) maar iedereen vroeg zich af hoe lang zulke roofbouw op het grondwater nog mogelijk is. Het voeder van de grote melkveebedrijven wordt dikwijls van 1000 km ver aangevoerd, liefst zo droog mogelijk om zoveel mogelijk kg ds te vervoeren per vracht. Op de boerderij voegt men dan wel weer water of kaaswei toe voor de smakelijkheid.
De kosten voor gebouwen zijn minimaal, een corral (grote box) afgespannen met staaldraden en een voerhek en in het midden een afdakje voor wat schaduw tegen de verzengende hitte, precies groot genoeg dat alle koeien er onder kunnen. Er zijn dan wel gigantische hoeveelheden ventilatoren die wat luchtstroming moeten teweegbrengen, of ook koudwatersproeiers aan het voerhek. De mest in de corral wordt met de tractor steeds weer verdeeld zodat hij vlug kan opdrogen en die wordt later uitgeschept en verder gecomposteerd en gedroogd voor de akkerbouw. Ofwel wordt de mest uit de loopgangen opgezogen en op een betonvlak verdeeld om te laten drogen. De gangen worden regelmatig gespoeld met recyclagewater van de mestverwerking zodat ook het zand dat uit de ligboxen valt weer kan gerecupereerd worden.
Arbeid is nog steeds vlot beschikbaar in Amerika, en zeker door de huidige recessie is het niet moeilijk om aan goedkope werkkrachten (Mexicanen aan 3-5 dollar per uur) te komen. Kijk dan maar niet te nauw naar hun huisvesting, ik zag krotjes waar je in Vlaanderen nog geen vergunning zou voor krijgen om varkens in te houden. Wat betreft efficiëntie is er nog niet veel veranderd, 1 man doet net als bij ons ongeveer 50 koeien. Op het grootste bedrijf met 10.000 koeien is dit wel 200 man personeel, om dat te leiden moet je niet enkel een goede koeiboer zijn, maar ook een uitstekend manager!
De capaciteiten van de manager komen in deze moeilijke tijd voor de melkveehouderij ook tot uiting in het beheer of aantrekken van kapitaal. Vele bedrijven in de VS staan dezer dagen op de rand van het failliet vanwege lage melkprijs, hoge voederkosten en grote aflossingen. Waar we 5 jaar geleden zagen dat vele bedrijven bezig waren om te verdubbelen of meer, zagen we nu mooie recente bedrijven van ongeveer 2000 koeien die niet volzet waren of die leeg stonden. Het laatste jaar geen vaarzen ingeschakeld, of helemaal failliet. Een volgende confrontatie met het kapitaal wordt de volgende maïsoogst. Veel akkerbouwers zijn voor hun vorige oogst nog niet betaald, en wanneer die nu in juli-aug beslissen om niet te hakselen als voeder maar om hun maïs te dorsen (momenteel voor zeer goede prijzen), dan verdwijnt een groot ruwvoederpotentieel.
Bij onze laatste bedrijven die we bezochten bespeurden wij een zekere kentering. Eentje was zijn bevloeide gronden aan het omschakelen van dierenvoeder naar wijngaarden en amandelnoten, een ander maakte plannen om de bio-melk van zijn 800 koeien te gaan verwerken tot boter en kaas. Tja, ook daar staat de evolutie niet stil.
Ik ben blij dat ik weer terug ben, straks kan ik 3 ha tweede snede gaan maaien voor mijn 75 koeien. Toch weer met de voetjes op de grond.
Luc Callemeyn
Overschakelen naar Plan B
Tijdens het interviewen van een bekend persoon wordt er soms naar een ‘plan B’ gevraagd. Daarmee bedoelen ze welk beroep je op de tweede plaats in gedachten had. Wel, ik heb daar ook al dikwijls bij stilgestaan. Ik ken collega-landbouwers die gedeeltelijk uit de sector gestapt zijn en een nieuwe start als werknemer genomen hebben. Dat stemt toch tot nadenken! Zelf ben ik geïnteresseerd in heel wat verschillende beroepen. Zo heeft het me altijd al aangesproken om ambtenaar bij het parket te worden. Waarschijnlijk kunnen jullie de link niet leggen, maar ik heb nog een tijdje Rechten gestudeerd. Het fascineert me hoe deze mensen ongevallen, dubieuze sterfgevallen, moordzaken enzovoort ophelderen.
In de tweede plaats had ik graag iets in de horeca ondernomen, want ik kook en bak met veel plezier. Ooit – misschien als mijn kinderen groter zijn – wil ik aan het vormingsinstituut kooklessen volgen. Bij KVLV lassen we elk jaar drie of vier kooklessen in. Ons gezin is voor de bakker een slechte klant want mijn brood bak ik zelf, van gewoon bruin tot volkoren en rozijnenbrood. Sporadisch halen we nog een taart bij de bakker. Het geeft een grote voldoening als je een eigen creatie op tafel kan aanbieden. Het lukt de ene keer beter dan de andere, maar we zijn allemaal maar amateur-bakkers. Ik ben misschien wat ouderwets, maar mijn mayonaise bereid ik ook zelf. Je weet dan tenminste wat er allemaal insteekt en de smaak is helemaal anders. Natuurlijk komt er bij mij soms ook kunst- en vliegwerk aan te pas en dan zet ik een maaltijd op tafel uit een bokaal.
Graag had ik onze jongste zoon naar de hotelschool gezonden, want hij heeft ook een boontje voor koken. Het mocht niet baten, de interesse is er wel maar niet voldoende om er zijn beroep van te maken. Ik begon al te dagdromen. Matthijs baat een restaurant uit en mama helpt in de keuken mee want een helpende hand blijft toch steeds welkom. Ik probeer graag een nieuw recept uit en dan geeft iedereen op een score op tien. Mijn ene keukenkast zit vol kookboeken en mappen met recepten die ik verzamel uit tijdschriften als Libelle of Nest, enzovoort.
Toen mijn plannetje maar niet wou lukken, zijn we in de slagerijschool op bezoek gegaan. Misschien zou hij zijn gading vinden als slager. Dan kon ik in zijn slagerij helpen. Maar nee hoor, na ons eerste bezoek zakte het enthousiasmepeil tot nul. Hij zou absoluut geen slager meer worden. Misschien probeerde ik te veel mijn gedachten in zijn handen te leggen. Iedereen moet zijn eigen weg vinden en blijkbaar kronkelt die van Matthijs tussen de struiken en de bomen. Hij wilde last but not least tuinaanlegger worden. Als er nu één iets is waar ik echt geen verstand van heb, is het toch wel daarvan. Ik heb absoluut geen groene vingers, zelfs een cactus kan ik laten sterven – en dat is toch niet evident, hé!
We zullen het maar vanuit de positieve hoek bekijken: binnen afzienbare tijd hoef ik de tuin niet meer te onderhouden. Mijn tuinman zal dat wel doen. Zelfs nu doet hij het al gedeeltelijk. Ieder weekend rijden de kids het gras af. Ze hebben samen een moestuintje en regelmatig wordt het onkruid verwijderd. Ik had bij hoog en bij laag gezworen nooit meer een moestuintje aan te leggen, want het eindigt toch altijd in een herbarium van soorten onkruid. Mijn man kreeg toen de opdracht om het tuintje maar weer bij het gazon te brengen. Nu mijn twee zonen les volgen in de tuinbouwschool, willen ze wat experimenteren. Het gevolg daarvan is dat het gazon weer gedeeltelijk omgespit werd en de moestuin is ‘back’.
Genoeg gemijmerd, ik zal maar opnieuw witloof gaan plukken. We gaan onze laatste twee weken in. Daarna wordt het tijd om de stress even aan de kant te schuiven. We stoppen tot half augustus. Intussen hebben we vruchten op het land waarmee we bezig zijn. We hebben een eerste vrucht bloemkolen staan. De nieuwe witloofwortelen zijn al gedeeltelijk gezaaid. Later zullen we die wat dunnen, het onkruid verwijderen enzovoort. We zijn blij dat we onze geest wat kunnen laten rusten, want het was nu ook geen seizoen om in de annalen te noteren. Je zou er de moed bij verliezen. Momenteel herstelt de markt zich een beetje. Aan alle witlooftelers wil ik graag het volgende meegeven: laat de moed niet zakken. Het is niet plezant om voor een minimumprijsje je product op de markt te brengen. Maar ik houd me aan één gedachte vast: “Het is nog nooit slecht blijven gaan en het tij zal wel keren. Na regen komt de zon altijd weer tevoorschijn!”
– Sofie Vansteelandt
mei 8, 2009
De betaallandbouw van McCarthy
Onlangs kwam er hier een Pool op het erf gereden. Van op de straat zag hij dat wij naast een grotere vacuümtank nog een kleintje hadden staan en hij vroeg of we die niet verkochten. De man werkt hier in België, maar telkens als hij teruggaat naar Polen neemt hij een mestvat mee, liefst tussen 3000 en 5000 liter. Hij neemt er de wielen af en stopt die in een bestelwagen. De romp gaat op de aanhangwagen en zo vertrekt hij ermee voor een tocht van 1700 km. Een tijd geleden trokken kleine melktankjes naar Polen; nu zoeken ze mestkarren. Zo staan er veel te verkommeren in Vlaanderen, maar je moet ze vinden natuurlijk. De man blijft me bellen of ik er geen weet staan. Ik dacht: “Wacht maar, manneke …” Hij heet Andrej, hij spreekt vloeiend Frans en zijn nummer is 0477 47 13 78. Veel geeft hij er niet voor, maar bedenk dat er nog een tijd kan komen – zoals wel vaker gebeurt – dat je nog geld moet toeleggen om het kwijt te raken.
Op de valreep van het voorbije melkjaar kregen wij, voor de vijfde maal de voorbije winter, een onverwachte controle. Ze hadden van Brussel de opdracht gekregen omdat wij een bepaalde maand 31% meer melk hadden dan dezelfde maand het jaar voordien. Hoewel diezelfde mensen een maand eerder al geweest waren, werden dieren en kaarten opnieuw geteld. Melken we geen kamelen of ezelinnen tussen de koeien? Is de tank wel groot genoeg? Staan er geen ketels of kannen om dit kleinood in zijn inhoud bij te staan? 31%, da’s veel natuurlijk. Was ik dan vroeger slecht bezig? Drie jaar geleden geluk gehad met het geslacht van de kalveren, veel vaarsjes. Het was eigenlijk te voorzien dat er een tekort aan vaarzen zou komen. Nu het quotum voor het vierde jaar op rij niet vol zou geraken, hebben we toch maar alles aangehouden. Maar er is meer: gemengd voederen en rechte kuilranden voor de smaak. Wij hebben een nieuwe voederbakmenger gekocht. Al het voerwerk gebeurt nu met hetzelfde tuig. Onze zoon heeft de voorbije winter gevoederd en hij heeft dat blijkbaar heel goed gedaan. De zoon doet het beter dan zijn vader. Goed zo, zo moet het zijn. Net zoals ik meer uit de koeien moest puren dan mijn vader. Maar er is nog meer: het was onze eerste winter met zachte stalmatten en naast vaste borstels nu ook een roterende borstel. Extra wellness voor de koeien, het zal ook wel meegespeeld hebben. En natuurlijk: het grote verschil tussen remmen en doormelken … Al die dingen samen.
Tegenover een literrecordmaand voor ons, plaatst de melkerij een diepterecord voor de melkprijs. Wie nu niet veel liters heeft, waarmee betaalt die dan de toevloed van voorjaarsfacturen? Met spaargeld? Het zal groeien worden of sterven. Groeien van groot naar groter! Van klein naar groot, vergeet het maar. Welke investering kan je dragen met zo’n melkprijsje? Hoe moet het verder? Ieder jaar gokken? Boerenbondconsulent Jan Halewyck verwacht dat de resterende quotumjaren nog slechts eenmaal vol zullen raken. Nu nog bijkopen? Natuurlijk kochten wij ook quotum aan, maar steeds met mondjesmaat. Ik ben altijd bijzonder sceptisch geweest over onstuimige quotumaankopen. Toch zullen er boeren zijn die meer geld geven aan derden dan hun eigen ouders kregen voor de overname. Als onze kinderen op onze boerderij willen boeren, zullen we een en ander door de vingers moeten zien of er is geen doen meer aan … Een bakker, een slager, een apotheker en een boer starten een zaak en da’s duur. De eerste drie kunnen aan de slag, maar de boer staat nog nergens. Hij heeft nog een fortuin nodig voor luchtbellen en papieren bestanden. Nu het quotum op apegapen ligt, slaat deze gekte over op NER’s. Ik noem dat betaallandbouw en daar ben ik vierkant tegen. En dan maar klagen dat men elders in de wereld goedkoper kan produceren. Het is hier hoe dan ook de duurste regio ter wereld op te boeren. Wij hebben ons lot deels in eigen handen.
Ik had hier nog wat spuitstoffen voor de suikerbietteelt. Die teelt is ons, zeg maar, afgepakt. Ik heb die gesleten aan een boer aan de andere kant van Deinze, waar de bieten wel nog opgehaald worden. Ik ken dat bedrijf al langer, maar ik kwam nooit eerder op het erf. Het is een pracht bedrijf. Nog in puur landelijk gebied, oud Vlaams en toch heel modern. De beste grond in grote blokken rond het erf. Het gezin heeft twee zonen, jonge twintigers. Toch heeft mijn collega geen opvolgers. Zij zouden nog wel boeren, maar zullen het uiteindelijk niet doen vanwege de paperassen en de overheidsbemoeienissen. Ik vind dat erg, zo’n schoon bedrijf! Waar gaat dat naartoe? Waar zijn wij mee bezig? Waar gaat Vlaanderen zijn boeren blijven halen? Die jonge mensen zijn niet gek. Ik kan het begrijpen: kiezen voor een leven ‘onder de sloef’! Werkt onze overheid met een geheim McCarthyplan om hier op een subtiele manier de boeren weg te ruimen? McCarthy was een meedogenloze Amerikaanse communistenjager. Ze gaan er nog in slagen ook, als ze de jonge mensen de moed blijven ontnemen. Moeten wij niet dringend een collectieve ongehoorzaamheid organiseren en heel dit systeem aan onze laars lappen? Een geweldloze Boerenkrijg? Het zal niet lukken zeker? Het is mooi in de pas lopen of … geen premies! We zitten vast. Zelfs de politici krijgen last van controleziekte en zetten privédetectives in. Verdorie, zouden wij ook niet een detective op onze melkerijen zetten?
– Johan Schollier
mei 1, 2009
Voorjaarsperikelen
Bij ons in de polder verloopt het voorjaar opmerkelijk rustiger dan in het binnenland. Omdat wij in het najaar ploegen, hoeven we nu alleen nog te bemesten, klaar te leggen en maïs te zaaien. Dat bemesten wordt bij ons maar gedeeltelijk gedaan met een gewone aalton. In het vroege voorjaar proberen wij zoveel mogelijk te werken met een ‘sleepslangensysteem’. Dat wil eigenlijk zeggen dat er een darm rechtstreeks in de mestkelder wordt gestoken, met daaraan een zware pomp. Deze pomp stuurt de mest door die darm tot aan de tractor met injecteur op het land. Daar heb je natuurlijk iets grotere percelen land voor nodig, die niet te ver van je deur gelegen zijn. Het is toch wel een redelijk werk om alle darmen uit te rollen. Gelukkig zijn ze ondertussen steeds beter voorzien van het nodige materiaal om alles vlot te laten verlopen, zodat we ook daar weeral veel tijd kunnen uitsparen. Ligt de grond toch te ver van de mestput, dan wordt er een container gezet en wordt de mest aangevoerd. Het voordeel is dat je kan injecteren met weinig structuurschade op het land en dat het vrij snel gaat. Daar staat natuurlijk een kostenplaatje tegenover. Maar het feit dat er geen structuurschade is, vergoedt de meerprijs ruimschoots in de volgende teelt.
Elk jaar starten we zo vroeg mogelijk met het grasland op die manier te injecteren. Dat wil eigenlijk zeggen dat we bemesten vanaf dat het toegelaten is en het weer en de toestand van de percelen het toelaten. Omdat we toch een beetje rekening wilden houden met de interesse van onze jongste, stond het dit jaar voor ons gepland op een woensdag – zodat hij erbij kon zijn. Maar het weer wilde niet echt mee. Plots spraken ze al een beetje vroeger van regen en dat konden we natuurlijk missen. Geert heeft toen gebeld naar de loonwerker, een buurman, om indien mogelijk nog een beetje te vervroegen en al op maandag te injecteren. Gelukkig was er nog plaats vrij.
Dus maandagochtend rond acht uur kwam de loonwerker met twee tractoren en het nodige materiaal het hof op. Senne, onze jongste van acht jaar, ging zo rap als hij kon toch nog naar buiten om zoveel mogelijk in de buut van die tractoren te zijn vóór hij uiteindelijk naar school moest. Die eerste werken na een lange winter zijn nu eenmaal altijd heel interessant. Ten minste als er met de tractor iets moet gebeuren. En zeker als de loonwerker komt, want die zijn tractoren zijn groter en indrukwekkender dan de onze – ten minste voor hem toch.
Zo rond een uur of vier was al het grasland geïnjecteerd dat we wilden doen en ze reden met hun materiaal naar huis. Rond die tijd is ook de school uit, dus toen Senne thuiskwam was de loonwerker al weg. De ontgoocheling was navenant. Stampvoetend en behoorlijk kwaad liep hij door het huis. Ik trok hem even op mijn schoot – misschien is dat wel een voordeel van de jongste te zijn. Daar kalmeerde hij dan toch gedeeltelijk van, maar zijn boosheid was wel nog niet helemaal weg. Ertegenin proberen te gaan en hem proberen te overtuigen dat ze nog moesten terugkomen om op de tarwe te injecteren en dat ook het maïsland nog aan de beurt was, hielp allemaal niet. Je kent dat wel, meerijden op grasland is anders dan meerijden over de tarwe of op bloot land. Eigenlijk was hij gewoon niet voor rede vatbaar. En dan kwam het er uiteindelijk toch uit: “Ik had veel beter naar onze buurman geluisterd.” Ik wilde wel eens graag weten wat die buurman dan had voorgesteld. “Wel,” was zijn antwoord, “ik moest de school maar afgebeld hebben. En volgende keer doe ik dat.”
Uiteindelijk is alles nog goed gekomen. Na een tijdje is hij helemaal gekalmeerd. Hij heeft ondertussen al kunnen meerijden toen de tarwe bemest werd. Vorige zaterdag was het maïsland aan de beurt. Hij heeft zijn wekker gezet om vroeg genoeg op te zijn om te kunnen meerijden. Zijn huiswerk is er dit weekend bij ingestoken, maar je kan natuurlijk niet alles hebben. Voor één keer heb ik hem dan maar verontschuldigd. Ik had hem trouwens ook niet gevraagd om het te maken. Dat kan nu eenmaal gebeuren.
En nu is het hopen dat we deze week niet te veel regen krijgen, zodat we verder kunnen klaarleggen en mais zaaien. En hopelijk krijgen we daarna ook nog enkele uitzonderlijk mooie dagen, zodat ook het gras gemaaid kan worden en op een goede manier in de kuil gestoken kan worden.
Een nieuw seizoen is duidelijk begonnen. Na een te lange, koude winter zijn we er weer helemaal klaar voor. Laat die mooie, warme zomer nu maar komen.
– Carine Cornu
april 24, 2009
Een nieuwe lente, een nieuw begin
Elk jaar opnieuw, bij de eerste dagen met mooi weer, krijgen de meeste mensen – en zeker de boeren – een vreemd en moeilijk te definiëren gevoel dat ik bij mezelf het best kan omschrijven als lentekriebels. Blijkbaar maakt het lengen van de dagen een soort oerinstinct wakker bij de mens dat de drang doet ontstaan om aan de slag te gaan. Bij de boeren is dit het begin van een erg drukke tijd. Ze maken gebruik van elke periode met mooi weer om te bemesten, akkers te ploegen en zaaiklaar te leggen.
Tot voor twee jaar hoorde bij de lente, voor mij althans, ook steeds dat prachtige, blije gevoel van de koeien te kunnen buitenlaten in de weide. Sinds vorig jaar is dat spijtig genoeg verleden tijd. Door het strenger worden van de mestwetgeving, met daarbij het invoeren van derogatie, is het namelijk niet meer toegestaan om de koeien nog te laten grazen op Italiaans raaigras, de nateelt van maïs.
Aangezien wij hier, rond onze boerderij, relatief laag gelegen gronden hebben, kunnen wij normaal gezien onze koeien niet vroeg buiten laten op de echte graasweiden, omdat anders de kans te groot is dat ze de graszode kapot trappelen. Omdat we op onze huiskavel regelmatig aan teeltafwisseling doen, graasweide afwisselen met maïs, konden we de koeien vroeger op het Italiaanse raaigras laten lopen in het vroege voorjaar. De koeien konden zo genieten van de buitenloop en al het gras dat ze opaten was meegenomen, zonder dat het kwaad kon dat ze de zode vertrappelden want die werd toch omgeploegd om er maïs te zaaien.
Ik begrijp trouwens de achterliggende gedachtegang niet die aan de grondslag ligt van deze absurde regel in de voorwaarden voor derogatie. Enerzijds beweert men dat de mestwetgeving en de daarbij behorende regels er zijn om het milieu te beschermen, en anderzijds verbiedt men de boeren de milieuvriendelijkste manier om gras te oogsten: het laten afgrazen door de koeien. Nu moeten we het gras eerst maaien, eventueel oprapen en voor de koeien brengen in de stal om het vers te vervoederen, of enkele malen keren met de hooischudder, dan op rijen leggen en laten oprapen of hakselen en in de kuil brengen, of in grote balen laten persen en wikkelen in plastic folie. De winst voor het milieu bij deze bewerkingen ontgaat mij volledig.
Ook bij Dierengezondheidszorg Vlaanderen (DGZ) had de lente iets nieuws in petto, op 16 maart ging het – vooraf veel besproken en dikwijls uitgestelde – Veeportaal online. Waarom ik dit aanhaal, zal wel duidelijk zijn voor de lezers die mij kennen. Ik ben sinds twee jaar lid van de raad van bestuur van DGZ, als vertegenwoordiger van de rundveehouders van de provincie Antwerpen. Aangezien Veeportaal vooral door de rundveehouders gebruikt zal worden (ook varkenshouders maken gebruik van Veeportaal, maar in mindere mate), is het wel duidelijk dat ik mij als rundveehouder sterk betrokken voel bij deze internettoepassing, die op termijn zeker zal leiden tot administratieve vereenvoudiging. Nu – vijf weken na de start van Veeportaal – zijn de meeste gebruikers, vooral diegenen die de opleiding volgden om met Veeportaal te leren werken, best tevreden over de nieuwe manier om geboorte-, vertrek- en aankomstmeldingen, bestellingen enzovoort te doen. Vooral doordat het systeem nog niet voldoende stabiel was en er nog te veel fouten waren, duurde het lang eer Veeportaal beschikbaar was voor de veehouders. Wij hebben er als bestuurders van DGZ continu op aangedrongen geen toepassing vrij te geven waarvan we niet zeker waren dat ze nagenoeg foutloos ging werken. We wilden absoluut voorkomen dat er zich een rampscenario zou voordoen, zoals dat van VRV bij de overgang van de vroegere melkcontrole naar MPR – dat de meeste melkveehouders nog glashelder voor de geest staat – met een veelheid aan fouten en onvolkomenheden en de daaruit voortvloeiende ergernissen.
Ik weet ook wel dat de veehouders op dit ogenblik heel wat kritiek hebben op het nieuwe telefonische meldingssysteem VRS van DGZ. Maar laat dit duidelijk zijn: het VRS-systeem is in principe tijdelijk in het leven geroepen voor veehouders die om allerlei redenen op dit ogenblik nog geen gebruik willen maken van de internettoepassing Veeportaal. Het streven van de bestuurders van DGZ is wel dat op termijn zoveel mogelijk veehouders gebruik gaan maken van Veeportaal. Dat is ook de reden waarom je op termijn zal moeten betalen voor het gebruik van het telefonische meldingssysteem, in tegenstelling tot de internettoepassing die gratis is.
De Boerenbond heeft trouwens de bedoeling om een nieuwe reeks opleidingen Veeportaal te starten eens de lentewerkzaamheden voor de boeren achter de rug zijn. Die zijn zeker geen verloren tijd als je met Veeportaal aan de slag wilt. Veel succes!
– Marcel Heylen
april 17, 2009
Innovatie of creativiteit.
Vorige zomer en deze winter konden we deelnemen aan een reeks van activiteiten van het Innovatiesteunpunt. Daarbij een bemerking: om halfacht ’s avonds een vergadering beginnen, is voor mij als creatieve en hardwerkende mens veel te vroeg. Ik was dus nu en dan wel eens te laat.
Het bezoek aan het heftruckbedrijf Thermote & Vanhalst (boerenzonen!) heb ik gemist, maar even later waren wij er wel bij voor een bezoek aan Gandaham. Met één tussenstap evolueert men van een anoniem goedkoop bulkproduct (varkenshesp) tot een delicatesse met merknaam – met daarbij heel veel toegevoegde waarde. De bedrijfsleider is niet bang om wat aangeboden kansen uit te proberen, ook al horen die niet meteen tot zijn eigen productengamma. Een derde bezoek aan het Distributiecentrum van Colruyt was over heel de lijn adembenemend. Het bedrijf heeft een enorm logistiek apparaat ter beschikking, om honderden tonnen van het fijnste voedsel op de juiste plaats te krijgen. Het indrukwekkendst was de gerobotiseerde inrichting voor groenten en fruit, die de kisten sorteerde die van de veiling kwamen en ze geheel geautomatiseerd opnieuw samenbracht per winkel volgens bestelbon. Van het gegeven dat al dat voedsel eerst primair door boerenhanden is voortgebracht, is nog weinig herkenbaar. En zeker van een eerlijke prijs is niets te merken. In hun verkooppraatje gaan ze wel uit van vaste en langdurende relaties, maar dat weerhoudt hen er niet van om te proberen hun marge te vergroten door te knibbelen op de inkoopprijzen. Onze verkoopprijzen dus.
Deze winter werden ook enkele vergaderingen georganiseerd met daarbij als centrale thema ‘Hoe kunnen we de aankoper het beste verleiden?’ Zo konden we luisteren naar Fons van Dyck, die ons inzicht bracht in de consument en zijn boek Het merk mens voorstelde. Daarna was er een sessie over het ontwikkelen van een sterk merk en de daarbij horende administratieve hindernissen. Een volgende vergadering met spreker Johan Lambrecht behandelde de strategie en missie van het bedrijf.
Enkele rode draden heb ik alvast onthouden. Vooreerst moet een bedrijf authentiek zijn. Dat wil zeggen dat het geen probleem is om te vertellen dat je hetgene wat je (goed) doet al jaren zo doet. Successen in het verleden geven de beste voorspelling van succes in de toekomst. Never change a winning team. Daarbij is het ook belangrijk dat een bedrijf een vastgelegde missie heeft, die aangeeft waar het naartoe wil in de toekomst en waar het voor staat. Elke medewerker moet die missie uitstralen. Bepaal een doel en ga er recht op af. Zijsprongetjes zijn toegelaten, zolang ze de oorspronkelijke missie niet in gevaar brengen.
Hoe meer ik naar dergelijke voordrachten luister, hoe meer ik besef dat wij met zijn allen geweldig goed bezig zijn. Wij boeren zijn toch authentiek? Wij werken al generaties op een bedrijf dat onze voorouders moeizaam opgebouwd hebben. Een boer herken je van op afstand, dat zie je, dat hoor je, en in het slechtste geval ruik je het. We zijn bereid om vast te pakken en we zijn voor 100 procent begaan met ons beroep. De meesten kunnen bijna over niks anders praten. We hebben een duidelijke missie, want we hebben al lang voor ogen wat we willen en gaan tot het uiterste, zelfs als het niet eens zeker is dat er geldelijk gewin aan te pas zal komen.
In heel de reeks van voordrachten heb ik echter het meest bewondering gekregen voor de sector van de siertelers. Zij moeten al drie jaar van tevoren kunnen inschatten wat de markttendensen zullen zijn naar vorm, kleur en aantallen. Vervolgens moeten ze stekken uitplanten, nieuwe ziekten leren bestrijden en een persoonlijke vorm aan hun planten geven. Daarna moet er verkocht worden en moeten ze geheel volgens eigen inzicht een eerlijke prijs bepalen en zichzelf verzekeren dat ze met een betrouwbare handelaar in zee gaan. Een internationale visie is hierbij zelfs onontbeerlijk. Siertelers ontwikkelen zelf hun planten, kruisen en experimenteren en moeten zelfs soms patenten aanvragen op hun creaties, anders is er concurrentie door de buren of zelfs de Chinezen. Heel iets anders dan de melk-, runder-, varkens-, kippen- en akkerbouwsector, die meestal bulkproducten voortbrengen en prijsnemend zijn.
Bij het woord ‘Innovatie’ denkt men meestal aan iets geheel nieuws. Na vele jaren Innovatiesteunpunt van de Boerenbond is het mij duidelijk geworden dat het creëren van een nieuwe landbouwtak niet meteen voor het grijpen ligt. Er is echter een veelheid van gebieden die kunnen doorontwikkelen. Hoofdzaak is dat je heel veel creativiteit aan de dag legt bij de aangeboden kansen. En die zijn er elke dag, we moeten de ogen open houden voor elke nieuwe ontwikkeling. Daarbij moeten we niet kijken ‘wat’ een ander doet, maar ‘hoe’ hij het doet.
Een oud-leraar zei ooit (in het West-Vlaams): “Het geld ligt achter straate, maar je moet het willen en kunnen zien en je moet je bukken om het op te rapen.”
Luc Callemeyn
Het kan verkeren
Wie herinnert zich als fruitteler nog hoe we vorig jaar overal konden lezen dat onze Belgische Jonagold aan een comeback bezig was? Ik neem wel aan dat heel wat fruittelers zich het jaar 2008 nog zullen herinneren als het topjaar op het vlak van een goede prijsvorming. Zeker als je beseft dat toen voor onze appels met een industriële bestemming bijna zoveel betaald werd als nu voor de betere kwaliteit van eetappel. Ik heb toen ook in deze rubriek vermeld dat we zulke jaren al eens nodig hebben om onze bedrijven voort te zetten. Veel blijft er na zo’n topjaar eigenlijk niet over. Meestal dienen de extra inkomsten om je zaak te moderniseren en om weer bij te benen op financieel vlak. De keerzijde van zo’n jaar merk je ook als je aanslagbiljet in de bus valt. Als je al iets overgehouden zou hebben, mag je dat dit jaar netjes teruggeven aan Vadertje Staat. Zo gaat het in de land- en tuinbouw al jaren en wellicht zal het zo nog jaren verdergaan. Als je in onze sector een bedrijf uitbaat, weet je dat je het goede met het slechte moet nemen.
Een heel ander verhaal doet zich dan voor met de peren. Hier is geen sprake van overaanbod, integendeel zelfs. Maar ook bij de peren blijf ik erbij dat ze de prijs die ze nu genoteerd gaan, dit jaar moeten blijven gaan. Ten eerste waren er al beduidend minder peren en ten tweede moeten ze de lagere prijs van de appels compenseren, zodat de rekening klopt aan het einde van het seizoen. De onkosten worden namelijk niet lager naarmate de prijs van ons fruit daalt.
“Waarom zijn de appels dan goedkoper?” hoor ik een buitenstaander vragen. Het antwoord is simpel: er zijn er gewoonweg te veel. Hoe dikwijls hebben we nu al gezien dat er wel ergens in de wereld massaal veel appels aangeplant worden als de prijzen goed gaan ervoor? We hebben de concurrentie met de Franse Golden gehad. Later was het zuidelijk halfrond de boosdoener en nu overspoelt het voormalige Oostblok – met Polen op kop – in Rusland maar ook in Duitsland de markt met goedkope appels. Onze appels zijn beter, maar die van hen zijn goedkoper. Zij kunnen ze leveren aan een prijs waarvoor je hier amper papier in de kisten kan zetten, laat staan iemand betalen om ze in te pakken – en dan heb ik het nog niet over het product zelf.
Natuurlijk zal er in die landen volgend jaar waarschijnlijk wel een lagere productie zijn. Als je een jaar enorme producties haalt, heb je het jaar daarna altijd wat minder. Het zal langzamerhand ook wel verminderen dat ze zo goedkoop kunnen produceren; de lonen zullen er ooit gelijk komen met hier en ze zullen daar ook moeten blijven investeren. Tot een jaar of drie geleden vond je hier geen tweedehandsmachines of -tractors meer. Nu kopen zij ginder ook liever nieuw materiaal, dat naar hun normen toch wel wat geld kost.
Persoonlijk denk ik dat we als Belgische telers moeten blijven gaan voor kwaliteit en vers product. Toen ik in november appels leverde, kreeg ik voor de kleinere maten nog wel een redelijke prijs, later in december ook nog, maar eenmaal februari was het ‘gene vette’ meer zoals ze hier zeggen.
Iets wat zeker nefast is voor de prijsvorming – zowel van appels als van peren – is individualisme. Hiermee bedoel ik mensen met een kortetermijnvisie, die nog steeds denken dat geld geld is en voor wie het niet uitmaakt waar het vandaan komt. Bij zulke mensen is de coöperatieve gedachte ver weg en ze verkopen hun fruit aan iedereen. De dag dat hun handelaar niet meer komt opdagen of dat die elders kan profiteren, reppen ze zich terug naar de veiling en zijn ze content dat ze daar mogen leveren. Als je weet dat men zestig jaar geleden hemel en aarde bewogen heeft om telersverenigingen op te richten, dan zou het dwaas zijn om nu opnieuw elk zijn eigen fruit aan te bieden. Ook de veilingklok mag je niet zomaar afschrijven. Waar men dat wel gedaan heeft, is men bijna jaloers op ons omdat wij steeds bleven geloven in de verkoop langs de klok.
Op ons bedrijf staat de veiling wel goed aangeschreven. Wij zijn als kind opgegroeid met eerst de veiling in Glabbeek, en later met de Belgische Fruitveiling. Natuurlijk zijn er ook al eens mindere momenten. De zon kan niet alle dagen schijnen, zegt men. Maar als teler ben ik blij dat ik een gegarandeerde afzet heb – tot de laatste kilo fruit, dag na dag en voor elke fruitsoort, of ze nu moeilijk of vlot verkoopbaar is.
Het is mijn mening dat we de veiling weer meer moeten gaan zien als een stuk van onszelf. Het is tenslotte ook onze enige betrouwbare handelspartner, waarmee je als lid een engagement hebt aangegaan de dag dat je je als aandeelhouder inschreef. Misschien is dat wel eens iets om over na te denken tijdens deze paastijd.
Bij deze wens ik ook alle lezers zalige en gezellige paasdagen toe.
– Kris Van der Velpen
april 2, 2009
Wie moet ik nog geloven?
Vorig jaar was iedereen zeker dat de prijs van de landbouwproducten nooit meer zou dalen. We begonnen aan de hemel te denken, maar we zijn in de hel gevallen. Een mooi voorbeeld daarvan is de tarwe. Ik wou onlangs een deel van mijn nieuw uitgezaaide tarwe verkopen. De vertegenwoordiger die ik hiervoor aansprak, vroeg mij of ik dat niet aan een andere kon vragen … Vorig jaar liepen ze bij de oogst mijn erf op en af om toch maar aan tarwe te geraken en nu zitten ze hier met hun silo’s vol onverkoopbare granen. Dit jaar zullen ze zelfs geen enkele kilo zomergerst, erwten, haver enzovoort aankopen, want ze geraken niets kwijt.
Hier in Frankrijk legt het departement ieder jaar de tarweprijs van de coöp vast. Vorig jaar stond hij bij de oogst bijvoorbeeld op 135 euro per ton. Stijgt de tarweprijs, dan krijgen wij als coöperatieboeren een bijslag; daalt de prijs, dan krijgen we de vastgestelde prijs. Bij tarweprijzen van 300 euro vorig jaar, zijn er wel veel zelfstandige graanhandelaars bijgekomen en dat heeft voor een enorme concurrentie gezorgd. De directeurs van de coöps hebben in de zomer 2008 al hun wapens bovengehaald om toch graan aan te trekken en nu zitten ze allemaal met veel te duur graan – dat dus onverkoopbaar is. Binnenkort zullen wij op de vergaderingen van de coöperatie wel horen hoeveel miljoenen ze verloren hebben en wie gaat dat betalen – wij trouwe coöpboeren, en niet die overlopers!
Mijn ene coöp heeft zo zijn eigen manier om boeren met hun tarwe te lokken. Ze dachten dat de prijs van de tarwe na de oogst weer zou stijgen – en eigenlijk dacht iedereen dat, ik ook. Ze losten de karren tarwe van de eerste boeren gewoon op de grond naast de silo’s, goed in het zicht van de straat. De boeren die daar langskwamen, zagen die tarwe op het plein en dachten: “Tiens, ze moeten daar wel een goeie prijs geven, want hun silo’s zitten vol – waarom zou de tarwe anders buiten liggen in de regen?” De grote boeren of herenboeren – die traditioneel aan de zelfstandige handelaars verkopen – passeerden daar ook. Uit nieuwsgierigheid stuurden die hun ‘teeltverantwoordelijke’ naar de coöp om te horen welke prijs die zou bieden. Ze konden niet persoonlijk gaan, want in hun ogen zijn wij coöpboeren een soort ‘bende communisten’ en te klein om mee te praten. Die ‘chef’ kwam dan terug met twee prijzen: de gewone prijs voor als hij zelf zou aanvoeren, maar een hogere prijs als de herenboer het graan zou brengen. Wanneer er zo enkele herenboeren tarwe aanbrengen, geeft dat een enorm effect langs de weg. De boerinnen – die hier meestal de tarwe afvoeren – melden dan achteraf aan hun man in de maaidorser dat ze iets nieuws gezien hebben: die herenboeren kunnen ook met de tractor rijden en dan nog wel naar onze coöp! Als ze aankomen in de coöp en langs de weegbrug gepasseerd zijn, mogen die herenboeren, begeleid door een arbeider, binnen in de loods storten. Niet dat het een andere variëteit is dan de tarwe die buiten gestort werd, maar gewoon omdat zo’n chique boer niet kan achteruitrijden met zijn kar.
In Vlaanderen bestaat zo iets belachelijks niet, maar in Frankrijk is dit realiteit en ik weet zeker dat mijn Vlaamse collega-boeren in Wallonië datzelfde fenomeen ook kennen. En natuurlijk trekt mijn coöp met die technieken automatisch nog meer boeren aan, want volk trekt volk. Wie durft er trouwens naar een lege silo rijden? “Als een silo niet vol geraakt, dan moet eriets verkeerds aan de hand zijn”, denkt iedereen.
Mijn andere coöp maakt het nog bonter om die zelfstandige handelaars te beconcurreren. Nadat ze de laatste tarwe ingeslagen hebben, vertrekken de arbeiders en de verkopers van mijn coöp met hun auto’s en vrachtwagens naar het noorden – waar de oogst nog niet gedaan is en waar de thuisbasis ligt van hun concurrenten, de graanhandelaren. Daar proberen ze dan die zelfstandigen een loer te draaien. Op zo’n honderd meter voor de ingang van de concurrentie, houden ze alle tractoren met graan tegen en ze bieden die boeren een prijs ver boven de prijs die ze anders zouden krijgen. Die graanhandelaars zitten dan wel met een groot probleem: ofwel betalen ze meer – en die van mijn coöp vertrekken meteen want hun doel is bereikt – ofwel verliezen ze hun cliënten. Niet dat die boeren uit het noorden dan bij de coöp komen, want onze mannen kregen de opdracht de prijs zoveel mogelijk op te drijven zonder maar een kilo te kopen en met allerhande oneerlijke truken.
Zo zitten al de coöps vol onverkoopbare tarwe. Binnenkort zullen we erover vergaderen. Het is nu al zeker dat ze de nieuwe tarwe boven de oude zullen stockeren. Maar zullen ze bij de ban(k)dieten nog aan geld raken om ons voorschot voor 2009 te betalen? De coöperaties zijn in de jaren dertig van de vorige eeuw gestart vanwege de falende graanhandelaren en nu gaan ze zelf in de fout …
Pierre Michels
maart 27, 2009
Allerlei soorten stress
Iedereen heeft er mee te kampen. Ook wij kunnen aan dit fenomeen niet meer ontsnappen. De postbode dumpt weer geregeld enveloppen in de brievenbus. Het zijn de alombekende en terugkerende items zoals verzamelaanvragen, wateraangifte enzovoort. Ik hoef dit niet verder uit te leggen, want iedereen is met deze rompslomp vertrouwd.
Nu de winter stilletjes met de noorderzon verdwijnt, treedt er een nieuwe vorm van stress op de voorgrond. We noemen dit onze voorjaarsstress. Wij draaien nog volop seizoen, alleszins nog tot einde mei. Dat wil zeggen dat we voor de volledige honderd procent witloof telen. Onze dagen zijn dus nog goed gevuld. Maar dat mooie lentezonnetje priemt door het venster en mijn man krijgt natuurlijk lentekriebels: kriebels om het land te gaan bewerken. (Hou jullie fantasie maar weer in toom!) Wij maken dan steeds een moeilijkere periode door. Aan de ene kant wil hij verder witloof telen en aan de andere kant zou hij graag op zijn tractor springen en eraan beginnen. Je hoort dan verschillende tractoren van de collega-landbouwers ronken en dat geeft geen aangenaam gevoel en geen prettige sfeer in onze plukruimte. Hij zou misschien beter de velden bewerken, want momenteel draait de witloofteelt ook geen schitterende cijfers, zoals zovele takken van de landbouw, zeker? De melksector, de varkenssector, noem maar op.
Ik kan alleen maar over onze sector spreken. We hebben gewoon te kampen met een overproductie. Een overproductie aan witloofwortelen, met als gevolg een te grote hoeveelheid witloof dat op de markt komt. We zijn allemaal een beetje het slachtoffer van een té grote werkijver. Verschillende bedrijven zijn uitgebreid en hebben buitenlandse werkkrachten aangetrokken. Daardoor is er meer aanbod dan vraag en dan geldt nog steeds de wet: te veel aanbod doet de prijs dalen. En je mag gerust zijn dat hij daalde! Een mooi voorbeeld om mijn uitspraak te staven is het volgende. Enkele weken geleden werd carnaval gevierd. Ook bij onze noorderburen (de Nederlanders) werd er duchtig gefeest. Zij produceren dan tijdelijk te weinig, zodat ze op de REO Veiling bijkopen. We brachten ons witloof nog maar naar de veiling en er werden al heel wat palletten witloof vooraf opgeladen. De druk op de ketel minderde en het werd een week met mooie, leefbare prijzen. Wat baat het om met een massaproductie te werken, als het product geen afzetmarkt vindt? Maar hoe moeten we nu uit deze spiraal geraken?
Dit voorjaar vinden we hetzelfde fenomeen in de sector van de industriegroenten. Iedereen moet minderen, afhankelijk van de fabriek waaraan je levert en de groenten die je teelt. Sommige fabrieken hebben de voorbije winter een moeilijkere afzet gehad en reduceren onze contracten ruim. Wij telen groenten om mijn man en mezelf – en in de zomervakantie onze twee kinderen – werk te geven. Na een dagje bloemkolen oogsten, komen we in de fabriek aan en dan zien we tractoren met aanhangwagens, volgeladen met gigantisch veel containers. Moeten we nu niet een beetje de resultaten van een massaproductie dragen? Je kan nu natuurlijk tegen me zeggen: “Ga ervoor en breid uit.” Maar dat is een keuze die je maakt en wij hebben andere prioriteiten. Pas op, ik ga hier niet verkondigen dat het zo niet zal eindigen, maar voorlopig hebben we daar geen behoefte aan. Ik zeg altijd: als een doorsneegezin iedere week één kilo witloof klaarmaakt, dan gaan zij er geen twee kilo eten omdat er meer witloof geproduceerd wordt.
Verder hebben we ten slotte de examenstress. Pasen nadert, met de bijbehorende paasexamens. Die brengen hier toch de nodige spanningen met zich mee. Er moet meer gestudeerd worden, er blijft minder vrije tijd over. Ikzelf heb graag dat het vakantie is. De sfeer in huis is dan veel losser en er wordt niet zo nauw naar de klok gekeken. ’s Morgens kunnen de kinderen wat uitslapen en ’s avonds kunnen ze samen met ons rond de warme houtkachel naar een film blijven kijken. Anders wordt er weer geklaagd dat ze steeds de ontknoping missen – wat natuurlijk ook niet leuk is. Mijn jongste kookt graag en dus heb ik in de vakantie steeds een ‘hulpkok’ in mijn keuken. Zo hebben we het allemaal wat gemakkelijker en kunnen we wat meer tijd spenderen aan leuke dingen. Dus, zou ik zeggen, nog even op de tanden bijten en laat die paasvakantie maar komen (en in het bijzonder die klokken)!
– Sofie Vansteelandt
maart 20, 2009
Net als in de film
Om een actueel beeld te schetsen van de boomkwekerij in de huidige crisissituatie, kan ik melden dat volgens mij voor de meesten het glas tot op heden nog steeds halfvol is; in tegenstelling tot sommige siertelers met verwarmdekasteelten, die durven aangeven dat hun glas eerder halfleeg is. Het is moeilijk om te duiden hoe de situatie nu exact is in de sierteelt, gezien deze sector nog steeds erg verscheiden is wat productie en afzet betreft. Wel kan ik bevestigen dat ik nog niemand heb horen juichen van hoe geweldig het wel gaat, maar dat is nog nooit gebeurd in de land- en tuinbouw.
Zowel op mijn bedrijf als op mijn ouderlijke bedrijf stellen we vast dat er toch wat veranderd is. Terwijl we de laatste tien jaren gewend waren om te produceren op contractbasis, heeft dit jaar slecht één van onze zes grote afnemers iets op papier durven zetten! Het spreekt voor zich dat we contact houden met alle grote afnemers. Tijdens die contacten geven ze aan dat ze waarschijnlijk wel ongeveer dezelfde aantallen zullen afnemen als alle vorige jaren, maar dat veel zal afhangen van hun verkoop en of die dan dezelfde zal blijven onder invloed van de huidige economische situatie. Een duidelijk afwachtende houding … Ik hoor dat wel vaker, ook in andere sectoren.
Net als binnen heel de land- en tuinbouwsector, kunnen ook wij niet zomaar onze productie wijzigen. Hier gaat tenslotte een productieproces van bijna een heel jaar aan vooraf. Ook wij moeten uitgangsmateriaal aankopen, grondstoffen, meststoffen … Met andere woorden, we moeten investeren in mogelijk verkoopbare planten. Het belooft dus een spannend verkoopsseizoen te worden.
We zitten dit jaar – net als alle andere jaren – ook met enkele restpartijen die nog niet verkocht zijn. Die kunnen we meestal dumpen op Flora Holland, met toch vaak (soms) redelijke prijzen. Begin april starten we hiermee. Ik ben dus meer dan benieuwd naar wat de prijzen zullen doen, want ook in crisistijd zijn de veilingen nog geen heilige huisjes. Anderzijds blijken de kosten hier niet te dalen of ze blijven zelfs gelijk aan de vorige jaren. Lap, weer wat minder boter op mijn boterham.
En toch zijn er nog heel wat mensen die in een ontkennende fase zitten: “Crisis, niks van aan. Dat zeggen ze enkel om mensen bang te maken. Gezever.” Natuurlijk, als tweeverdieners maandelijks hun mooie loon gestort zien, de bedrijfsauto ook nog eens lekker privé kunnen gebruiken, voldoende vakantiedagen krijgen om te bakken in de buitenlandse zon, te skiën en natuurlijk après-skiën op de mooie, witte, buitenlandse bergen, dan zal er vast niks aan de hand zijn. Daar krijg ik wel een punthoofd van!
Het zal vast aan mij liggen, maar ik heb het gevoel dat onze maatschappij vreemd genoeg juist nu steeds minder het verschil maakt tussen realiteit en fictie, terwijl we toch de laatste drie decennia zoveel vernieuwing hebben gekend. Van keukenrobot tot vaatwasser en microgolfoven, computer en internet. Eerst met de fiets rond de kerktoren en daarna naar Brussel, om nu vervolgens met de vlieger heel de wereld af te reizen. Vroeger twaalf koeien melken, met de hand, in emmers en slapen boven de stal; nu liefst honderd koeien, met de melkrobot en slapen in de villa.
Ook ik ben van de generatie van ‘Stilstaan is achteruitgaan’, maar zijn we nu niet vreselijk uit de bocht aan het gaan? God, wie ben ik om hierover te zeuren, terwijl ook ik vaak gretig gebruik maak van alle moderne faciliteiten. Dan denk ik soms: “Ik weet gewoon te veel!” Wil ik het allemaal nog wel weten? Weten onze politieke leiders het nog wel? Vroeger konden we politiek nog beschouwen als een blijspel, daarna werd het eerder fictie, vervolgens horror, om nu te eindigen in een kompleet drama. Als ontspanning en vaak om te vluchten uit de dagelijkse realiteit laten we ons wat graag verleiden door de media in alle vormen. Trendy bladen, (gewelddadige) computerspelletjes, soaps, internet en film. En dan verliezen we onszelf hierin. We willen iemand zijn, liefst op de cover van een blad. Dat gewelddadige spel willen we echt beleven. Van De Witte van Zichem naar Hector, American Gigolo en Pretty Woman. Vergeten we de Muscles from Brussels niet en – ik moet ze zelf ooit nog eens gaan zien – Loft, De SM Rechter en Milk. Mijn top drie? Op 1 My Own Private Idaho van Gus Van Sant, op 2 Spring, Summer, Fall, Winter… and Spring van Kim Ki-Duk, op 3 Presque rien van Sébastien Lifshitz. Een dagboek blijft toch iets persoonlijks.
Enfin, ik zal blij zijn als we morgen, maandag 16 maart, weer buiten kunnen gaan werken tussen onze plantjes, na drie maanden binnenwerk: handveredelingen van ’s morgens tot ’s avonds. Ik hoop op een mooi voorjaar, met onze voeten op de grond en een economie die stabieler zal zijn.
– Henk van Beek
Jong, jonger, jongst
Het is alweer heel wat jaren geleden dat we geconfronteerd werden met de vraag: tot wanneer ben je eigenlijk jong? Stopt dat plots met ouder worden? Stopt dat met te trouwen, of hoe zit dat eigenlijk? Wel, het volgende voorvalletje bracht ons destijds in elk geval veel duidelijkheid.
Waar ik vroeger werkte, hadden we regelmatig stagiaires en ook dit keer was dat zo. We waren met die stagiair wat aan het praten over allerhande dingen. Uiteindelijk kwam de nieuwe uitbater van de schoolhoeve ter sprake. Natuurlijk waren we wel een beetje nieuwsgierig naar wie dat nu eigenlijk was. We wilden wel weten of we de persoon in kwestie kenden of ten minste er een gezicht op konden kleven. En zo kwamen we bij de vraag of het nog een jong iemand was. Wijzelf waren toen begin de dertig en we voelden ons nog behoorlijk jong. We stonden even paf toen we zijn antwoord hoorden, namelijk: “Oh ja, jong? Iets zoals jullie zeker?” En wij die dachten dat we toen nog bij de jonge gasten behoorden. Nadien konden we dat natuurlijk wel plaatsen, want voor iemand van zestien à zeventien jaar is begin de dertig behoorlijk oud, natuurlijk. Maar het was wel de eerste keer dat we zomaar met de neus op de feiten gedrukt werden: je blijft niet eeuwig jong.
Anderzijds merken we zelf soms ook dat de jaren hun tol wel eisen. En dan heb ik het namelijk over ons eigen recuperatievermogen. Zo merk je al heel goed dat je na een avondje stappen eigenlijk meer dan één nachtje nodig hebt om te recupereren en je opnieuw kiplekker te voelen. Of als het eens heel druk is geweest op het bedrijf en in het gezin, dan kan je er best tegen om eens een half dagje aan een heel wat lager tempo te werken. De al wat ouderen onder ons beloven ons trouwens dat dat met de jaren niet zal beteren. We zullen ons dan toch nog maar een beetje jong voelen, zeker?
Ondertussen zijn het onze eigen kinderen die er ons af en toe aan doen denken dat wij ook stilaan een jaartje ouder worden. Of, om het meer met hun woorden te zeggen: “We zijn niet meer altijd mee met onze tijd.”
En het meest van alles valt dat op als er weer eens een of ander elektronisch toestel in huis komt. Zolang we iets moeten aankopen voor ons bedrijf, dan doen we nog wel de moeite om te weten hoe het allemaal werkt en waarvoor het allemaal gebruikt kan worden. We laten ons vooraf uitvoerig inlichten en achteraf wordt het nodige uitgeprobeerd. Normaal ook, want het gaat meestal toch wel over een aanzienlijk bedrag. Maar als we letterlijk ‘iets in huis halen’, dan loopt dat eigenlijk toch wel anders. Dan zijn het meer de kinderen die zich daarover ontfermen.
Vroeger begrepen wij niet hoe het toch mogelijk was dat onze eigen ouders niet zo snel overweg konden met nieuwe apparaten – als het hen al lukte. Nu merken we dat het soms toch wel heel gemakkelijk is om het aan de jongere garde over te laten om uit te zoeken hoe die technische snufjes allemaal werken, en zelf enkel aan te leren wat je echt nodig hebt. Nog meer dan vroeger kunnen alle toestellen die je in huis haalt veel meer dingen dan wat jij er eigenlijk van vraagt.
Zo heb ik ondertussen geleerd dat een mp3-speler een interessant gebruiksvoorwerp kan zijn. Normaal gezien ben ik heel erg tegen het gebruik van zulke spullen. Maar zelf zie ik er ondertussen het nut van in, op bepaalde momenten dan toch. Je zal mij er zeer zelden mee zien rondlopen. Maar om biggen te castreren is het wel heel plezant. Dat werkje neem ik geregeld helemaal alleen voor mijn rekening, ten minste als het school is en ik geen hulp heb van de kinderen. Als ik dan toch alleen aan het werk ben – en het gaat bovendien nog over een vrij eentonig werk – dan kan een streepje muziek inderdaad voor wat verlichting zorgen. De biggen hebben er geen last van dat ik een beetje asociaal sta te doen en ze vinden het misschien nog een verzachtende omstandigheid dat ik af en toe probeer wat mee te zingen. Want ja, wat ik zoal op die mp3 heb staan, dat zijn – voor mij dan toch – overbekende liedjes die ik goed kan meezingen. En wat mijn oren betreft, ik denk niet dat die veel meer schade gaan oplopen van een mp3 in mijn oren, dan van het geschreeuw van biggen.
Maar je bent natuurlijk niets met een mp3-speler als er geen muziek op staat. En ook daarvoor is het handig om van die jonge gasten in huis te hebben. Zij vinden het helemaal niet erg als je vraagt om er nog enkele liedjes bij te zetten of er enkele te vervangen. Elke mogelijkheid om met de computer bezig te zijn, vinden zij best. En zo zie je maar, ook na zoveel jaren proberen we af en toe nog eens mee te zijn met onze tijd.
– Carine Cornu
Schatjes van patatjes
Deze keer hoefde ik echt niet lang na te denken over de titel van mijn dagboek. Het ligt zo voor de hand, ik kon er zelfs niet om heen. De AGRA-vrouwen van het gewest Deinze-Zulte brachten een bezoek aan het aardappelverwerkende bedrijf Lutosa in Leuze-en-Hainaut. Leuk om weten: Lutosa is de Latijnse vorm van Leuze. Ook een paar echtgenoten hadden de moed om met de ‘Boerinnenbond’ op zwier te gaan. Ik alvast ook, want ik ben altijd op zoek naar dagboekmateriaal, en eerlijk gezegd ging ik ook uit interesse mee. Ik wou wel eens zien wat er met een vracht aardappelen van 30 ton gebeurt nadat die onze boerderij verlaat.
In 2001 heeft Lutosa 37 miljoen euro geïnvesteerd in de bouw van een nieuwe productielijn voor voorgebakken en diepgevroren frieten. Het is die lijn die wij bezocht hebben, want het hele bedrijf bezoeken in één dag is niet te doen. Er is nog een grote site in Sint-Eloois-Vijve en naast frieten maken ze er nog een heel gamma van voorgebakken producten op basis van verse puree: aardappelnootjes, denappeltjes, hertoginnenaardappeltjes, ovenkroketten en gratins.
Alles begint met de aankomst van de grondstof: onze aardappel, liefst 680.000 ton per jaar of 25% van de Belgische productie. Die koopt Lutosa aan bij handelaars enerzijds (55%) en bij 350 landbouwers die contractueel leveren anderzijds (45%). Het bedrijf werkt voor 95% met de variëteit Bintje. Van 15 juli tot bij de oogst van het Bintje gebruiken ze de vroege rassen Première, Fresco en Anosta. Landbouwers en handelaars voeren continu aan. Tijdens de rooimaand oktober worden de grote opslagplaatsen van het bedrijf zelf gevuld om de continuïteit te verzekeren. In alle sites samen kunnen ze 90.000 ton veldgewas stockeren. Het bedrijf draait immers de klok rond. Enkel op zaterdag is er onderhoud en de zondagmiddag om 14 uur start er al een nieuwe week.
De werkplaats die wij bezochten, is in zijn soort een van de modernste ter wereld. Ze kenmerkt zich door de zorg die er besteed wordt aan hygiëne en door de extreme vorm van automatisatie. Er werken 450 mensen en toch zie je in de productie heel weinig mensen. Je geraakt er niet zomaar binnen. Elke bezoeker moet door een hygiënesluis in bedrijfskledij en met een mutsje op het hoofd. De wanden, de machines, bijna alles is in inox.
Nu wil ik even de productie beschrijven in een notendop. De eerste fase is de controle van de aangevoerde aardappelen. De drie belangrijkste parameters zijn de grootte, het drogestofgehalte en de bakkleur. Enkel aardappelen van een optimale kwaliteit gaan door naar de frietproductie, de rest gaat in vlokken of puree. In een tweede fase worden de aardappelen gewassen en oppervlakkig gestoomd, waardoor de schil loskomt. Die schil wordt er afgeborsteld en de aardappelen worden opnieuw gewassen. Nu volgt een eerste optische controle. Camera’s en lazers sporen beschadigde, misvormde of rotte aardappelen op, maar ook vreemde voorwerpen. Die worden met een persluchtstoot verwijderd. Dan worden de aardappelen gesneden tot frieten. Dat gebeurt met watermessen en krachtige pompen. Tegen 120 km per uur worden de voorgesorteerde aardappelen door conische buizen gestuwd; daardoor vliegen de aardappelen steeds in hun langste richting door de messen. De vers gesneden frieten worden dan gekalibreerd en getrieerd op lengte en dikte.
Dan volgt er een tweede optische sortering. Bij het minste foutje aan een friet wordt die eruit geblazen. Vervolgens worden ze geblancheerd in een warmwaterbad met stoominjectie. Dan worden de frieten gedroogd in een stroom van warme droge lucht, om vetabsorptie te beperken en de knapperigheid te verbeteren. Hierop volgt het bakken van de frieten, gedurende één tot anderhalve minuut in plantaardige olie van 160 à 170 °C. Ontvetten gebeurt met warme lucht.
De frieten moeten nu zo vlug mogelijk afkoelen. Een diepvriestunnel van -50 °C brengt het afgewerkte product in een mum van tijd op -18 °C. Er volgt nog een derde optische controle. Rest nog de verpakking: per soort, per gewicht, per lengte, per kleur, per klant, per land … Alles gaat eerst in zakken en vervolgens in dozen en uiteindelijk belandt alles op een pallet. Ik zag zelfs dozen met Chinese lettertekens. Bij dit laatste proces was er geen mens te bespeuren, alles is gerobotiseerd. Zestien ton afgewerkte producten per uur belanden voor hun laatste reis in een van de grootste geautomatiseerde vrieskamers ter wereld: 46.000 pallets.
Het is zondagmiddag als ik dit schrijf. Ik heb een neef in Kruishoutem, die er een Avevezaak runt. Hij start een tweede vestiging in de Vlaamse Ardennen. Vandaag is het er demodag. Een automatische meststoffenverlading wordt officieel in gebruik genomen. De boer kan er meststoffen ophalen zonder dat hierbij andere personen aanwezig hoeven te zijn. Ook bij onze toeleveranciers blijft de tijd niet stilstaan. Na de geld-, brood-, versemelk- of aardbeienautomaat doet nu blijkbaar ook de stikstofautomaat zijn intrede. Veel succes aan deze jonge mensen! Ik kom nog eens af. Kijk, ik ben al weg.
– Johan Schollier
februari 27, 2009
Melk is goed voor elk
‘Melk is goed voor elk’, met deze pakkende slogan werd vijftig jaar geleden de Belgische bevolking aangezet om meer melk te gaan drinken. Omdat men toen ook al wist dat je bij de kinderen moet beginnen als je gewoontes wilt veranderen, werd de Melkbrigade opgericht. Aangezien ik al iets langer dan vijftig jaar op deze aardbodem rondloop, heb ik de hoogdagen van die Melkbrigade van op de eerste rij meegemaakt.
Ik kan mij nog goed herinneren dat we in de lagere school probeerden elkaar de loef af te steken om zo snel mogelijk een volle lidmaatschapskaart, met 30 stempels, van de Melkbrigade te hebben. In principe kon je van je onderwijzer maar één stempel per dag krijgen, maar wanneer je bijvoorbeeld het bord schoonveegde tijdens de speeltijd, kreeg je als beloning een extra stempel. En inventief als onderwijzers toen waren, kon je natuurlijk ook stempels verliezen wanneer je niet goed luisterde, of als je schooltaken niet in orde waren.
Ook de boegbeelden van onze jeugd – met name Nonkel Bob en Tante Terry – maakten reclame voor de Melkbrigade. Al bekende Nonkel Bob later wel dat hij graag een scheutje whisky in zijn melk deed om het ‘verteerbaar te maken’. Zo zie je maar dat niet altijd alles is zoals het lijkt, ook toen al. Achteraf gezien was de Melkbrigade de grootste reclamecampagne die ons land ooit kende. Tussen 1959 en 1970 waren 650.000 kinderen lid van de Melkbrigade.
Naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van de Melkbrigade is melk de laatste dagen niet uit het nieuws weg te branden. Zo was er vorige week heel wat te doen over een onderzoek dat aantoonde dat kinderen die opgroeien op een boerderij, die daar geregeld in contact komen met vee en rauwe melk drinken, veel minder last hebben van allergieën dan stadskinderen. Of, zoals professor Ceupens het formuleerde: “Boerenkinderen hebben niet alleen een gezond boerenverstand, ze zijn ook nog eens gezonder dan de doorsneekinderen.” Het is alleen spijtig dat al die goede eigenschappen van melk niet van tel zijn wanneer de inkopers van de supermarkten prijsonderhandelingen voeren met de melkerijen. Want dan is het blijkbaar niet meer dan normaal dat zo’n gezond en voedzaam product als melk veel goedkoper is dan water of ongezonde frisdranken.
Het is hoog tijd dat VLAM met het geld dat ze van onze erg povere melkprijs afhouden eens een aansprekende campagne voert die de consumenten aanzet om meer melk te drinken. De gemiddelde Vlaming drinkt momenteel één glas melk per dag. Om voldoende calcium binnen te krijgen, zouden dat best drie glazen per dag zijn, hoorde ik onlangs een voedingsdeskundige uitleggen.
Het is toch vreemd dat de consument zo weinig geneigd is om in deze tijden van crisis een goedkoop voedingsmiddel als melk te kopen. Al kan je wel de vraag stellen of de prijs die wij momenteel als melkveehouder krijgen nog wel iets met vraag en aanbod te maken heeft. Je moet blijkbaar als melkveehouders op dit moment al blij zijn als men je melk nog wil komen halen! Terwijl er helemaal niet meer melk geproduceerd wordt in de Europese Unie dan een jaar geleden, toen de melkprijs die de boer kreeg bijna het dubbele was van de huidige prijs.
Op vergaderingen van de bedrijfsgilde en de kring Melkveehouders voel je dan ook heel wat frustratie en onrust onder de aanwezigen. De schrik voor de toekomst zit er goed in, vooral omdat men in een kapitaalintensieve sector als de melkveehouderij niet echt gewoon is met dergelijke prijsschommelingen om te gaan. De lage inkomsten, in combinatie met de aangekondigde afschaffing van de melkquota, zorgen voor heel wat verhitte discussies tussen voor- en tegenstanders.
In deze context vind ik het dan ook vreemd dat een organisatie als de BDB, die voor een kostendekkende melkprijs pleit, tegen de afschaffing van de melkquota is. Terwijl net de hoge prijs die sommige melkveehouders de afgelopen jaren betaalden om melkquotum aan te kopen, nu een zware hypotheek op hun toekomst is. In tijden van lage prijzen is het de kunst de onkosten zo laag mogelijk te houden, en dat kan moeilijk wanneer je gaat investeren in gebakken lucht – wat quotum de laatste vier jaar toch is, aangezien al vier jaar na elkaar het Belgische quotum niet vol gemolken wordt. De huidige lage prijzen voor melk – terwijl het quotum niet vol gemolken wordt – halen dan ook hun argumentatie voor het behoud van het melkquotum onderuit. Vorig jaar beweerde de BDB nog dat de melkprijs zo hoog was dankzij hun inspanningen. Nu blijft het doodstil. Ik denk dat hier het gezegde ‘Succes heeft vele vaders, maar de mislukking is een weeskind’ van toepassing is.
Om de veelzijdigheid van melk nogmaals te illustreren, wil ik nog meegeven dat de Amerikaanse acteur Sean Penn een Oscar kreeg als beste acteur in de film Milk. De ‘melk’ waarover men het hier heeft, is de familienaam van de eerste homoseksuele politicus in Amerika.
– Marcel Heylen
februari 20, 2009
Je hoeft niet gek te zijn om hier te werken …
Vroeger hing in onze sorteerruimte een sticker met als opschrift ‘Je hoeft niet gek te zijn om hier te werken, maar het helpt wel’. Waar die sticker vandaan kwam, dat weet ik al niet meer en hij is ook al een tijdje verdwenen. Misschien maar goed ook, want sinds een tweetal jaren doen we ook aan Groene Zorg op ons bedrijf. Vorige week is hier in het nabije Glabbeek trouwens de vijftigste zorgboerderij gehuldigd, met de daarbij gepaard gaande feestelijke namiddag in zaal De Roos. De mensen van het Steunpunt Groene Zorg hadden samen met de Landelijke Beweging schitterend hun best gedaan en het was een zeer geslaagd evenement. Alleen de aangekondigde minister-president ontbrak, maar zelfs dat werd goed opgelost door zijn kabinetsmedewerker, iets wat bij ministers nog wel eens voorkomt.
Aanvankelijk werd de Groene Zorg opgezet voor mensen met een handicap, die nog wel konden werken maar niet echt konden meedraaien in het gewone arbeidscircuit. Dit gegeven bestond zelfs vijftig jaar geleden al, want toen waren er ook mensen uit instellingen die op een boerderij kwamen werken. Zo konden hun begeleiders evalueren of die mensen in staat waren om weer normaal te functioneren. Al na een paar jaar werd de Groene Zorg ook aangewend voor jongeren die met zichzelf geen blijf weten. Deze groep maakt stilaan een steeds groter wordend deel van de zorgvragers uit.
Zelf heb ik zo al enkele gasten op mijn bedrijf gehad, de ene al met een beter resultaat dan de andere, maar meestal zie je toch dat die jongeren op zich nog de slechtste niet zijn. Vaak speelt hun omgeving hen het meeste parten, want als je zulke jongeren aan het werk kan krijgen, vallen ze wel mee. Als zo iemand bij je komt werken, zie je wel dat ze beseffen dat er ergens iets fout zit. Ze zijn hier ook niet in groep en dat maakt de meesten al wat kalmer. Het is blijkbaar ook niet meer gemakkelijk om als vijftien- tot achttienjarige door het leven te gaan tegenwoordig. Er wordt ook veel van die jongeren verwacht en de leerkrachten en hun ouders begrijpen hen toch niet. Ik heb hier nog niemand gehad die enthousiast was over zijn school.
Als ik vergelijk met mezelf op diezelfde leeftijd, dan zie ik ook dat het leven toen toch nog wat eenvoudiger was. Onze generatie was nog trots als ze met de tractor kon rijden of als ze eens iets kon doen op het ouderlijke bedrijf. Een computer of een gsm was er niet, en als die er was, dan hadden wij dat zeker nergens voor nodig. Je had toen ook vlugger het besef dat er voor alles gewerkt moest worden en het woord ‘respect’ bestond toen ook nog. De jongeren van vandaag zijn daarom niet slechter hoor. In onze tienerjaren waren er ook van die gasten waar niemand vat op had, maar die hadden dan enkel de keuze tussen naar school gaan of gaan werken.
Wat ik als zorgboer ook al wel eens zie, is dat iemand goed aan het werk is tot plots zijn gsm rinkelt. Meestal is het dan een of andere kameraad van school, die zijn makker mist om samen de boel op stelten te zetten. Dan krijg je van die jongere die dag niet veel meer gedaan en alles is te lang en te breed. Veel van de problemen zitten ook bij de ouders die niet inzien dat hun kind op het slechte pad raakt. Tegen zo’n jongere zwijg je best, kwestie van ‘s avonds geen stiefvader aan de lijn te krijgen die ermee dreigt dat hij je voor de rechter zal dagen. Op zo’n moment heb ik een gigantische bewondering voor leerkrachten en directies van scholen.
Vorige vrijdag pakten ze ook uit met een nieuwe term, waarvan ik hoop dat ze hem nog veel mogen gebruiken. ‘Hartelijke duurzaamheid’ wordt hopelijk een nieuw begrip in onze land- en tuinbouw. Ik had het begrip eerder nog niet veel gehoord, maar als je aan Groene Zorg doet, weet je meteen wat het betekent. Je stopt wel wat tijd in een zorgvrager, maar je krijgt het gevoel van iets gedaan te hebben voor iemand. In sommige gevallen help je een jong, onstuimig leven weer op de rechte weg. Er zullen er ook zijn die aan de enkele dagen op de boerderij niks hebben; maar net voor die enkelen die er wel iets aan hebben, moet je het doen. Tenslotte zijn we boerenmensen die andermans probleemkinderen de kans geven om hun zinnen eens te verzetten door ze wat aan het werk te zetten. Als je tegen een zorgvrager gewoon eens iets positiefs zegt in de trant van ‘Dat heb je goed gedaan’, dan ontdekt die meestal iets nieuws want dat hebben ze dikwijls veel te weinig gehoord.
– Kris Van der Velpen
februari 13, 2009
En de boer, hij betaalde voort…
Elke dag hoor je op radio en TV berichten van grote multinationals die tienduizenden werknemers ontslaan. De eisen die men stelt vanuit de vakbondshoek waren altijd maar gericht op minder werken en meer verdienen en meer consumeren als gevolg. Plots is deze zeepbel uit elkaar gespat, orderboekjes bij fabrieken raken stilaan leeg, werknemers worden werkloos gezet, die verdienen dus nu wat minder en houden de portemonnee dicht voor de extra consumptie uitgaven. Voeg erbij dat de banken aan bedrijven in nood al minder overbruggingskredieten vertrekken (als ze al zelf niet in de problemen zitten) en zo blijft de bal maar rollen. En het einde is nog niet in zicht. Wacht nog maar een maand of drie tot ook de onderaannemers in de problemen komen en tot de bouw misschien helemaal stil ligt.
Het lijkt dan wel of alles en iedereen in crisis is. Vorige week las ik in dit ledenblad zelfs over een voedselcrisis. Hoezo? Was er een voedselschandaal? Waren de prijzen te hoog voor de consument. Neen, de prijzen zijn te laag aan de boer. Jammer genoeg is dit eerder het resultaat van een jojo effect op lange termijn waarbij de prijzen eerst naar boven doorschoten, en nu zitten wij in het diepe dal. Zoveel omwentelingen in de prijzen vragen eerst veel geduld tot alles weer op zijn plooi komt. Een volatiele markt dus.
Was u ook op de Boerenfeesten in de voorbije weken? Het leek wel een echte klaagmuur. Boeren vragen dan vertwijfeld of men dan geen enkele garantie meer kan krijgen als verdienste voor het vele werk. Het antwoord is waarschijnlijk even hard als ontnuchterend. Neen. Als men op vandaag grote fabrieken laat failliet gaan en mensen op straat zet, zal men dan dat scenario tegenhouden voor een handjevol boeren? Voeg erbij dat machtige consumenten organisaties alleen maar uit zijn op goedkope aankoop voor de burgers en ik vrees dat onze verzuchtingen niet in hun plaatje passen.
Maar vandaag zijn er wel bedrijfsleiders wie het water tot aan de lippen staat. Noem mij eens een sector waar het wél goed gaat? Melk? Vlees? Akkerbouw? Varkens? Groenten? Fruit? Sierteelt? Het is dan ook schrijnend vast te stellen dat de crisis alvast geen vat lijkt te hebben op de overreglementering die er heerst voor de actieve ondernemers. Voor alles wat je wil doen moet je dossiers opmaken, zenuwslopende vergunningen aanvragen, en vervolgens controle vrezen. En dat moet je alleen maar doen om te mogen werken. Het kost ons allemaal zo veel tijd en handenvol geld. Want elke reglementering is zo complex dat je er best een specialist bijhaalt die aan een exotisch uurtarief werkt, aan wie je eerst je gegevens moet overmaken, die deze samen met jou op jouw aangifte invult, en dat vervolgens in hun envelop verstuurt met jouw handtekening eronder. Hopelijk is alles juist, maar wees gerust, de rekening komt wel. Het kan geen toeval zijn dat adviesbureaus als paddenstoelen uit de grond rijzen en dat grote bureaus constant nieuwe mensen aanwerven. Weet u dat binnen de twee jaar meer dan tienduizend gewone milieuvergunningen moeten worden vernieuwd? Even rekenen, twee dagen werk per dossier is twintigduizend dagen, driehonderd werkdagen per jaar, dat geeft (hoera!) weer werk aan zeventig mensen. En de boer, hij betaalde voort.
Voortdurend komen er nieuwe aangiftes bij, gelukkig (?) meer en meer op de computer. Bij de uitleg krijg je dan steevast te horen dat het maar vijf of tien minuutjes per dag vraagt om regelmatig bij te houden. Tel je even mee? Managementprogramma, Sanitel, mestaangifte, derogatieregistraties, bankverrichtingen, technische boekhouding, mails en info opzoeken. Ik zit al dagelijks aan een vol uur. Als het goed gaat tenminste. Al ooit eens geconfronteerd geweest met een computercrash? Een falend Internet? Een printer die even niet meewil? Hardnekkige foutmeldingen in een programma? Of gewoon als je zelf een griepje van een week hebt. Opgelet, je mag ook niet meer met een hamer op je vingers slaan, want dan kan je niet meer typen.
Gezelle scheef: “Wie schrijft die blijft”. Bij de overheid zeggen ze: “Wie print die wint”. En ik denk soms: “Als we het allemaal blijven slikken, dan zullen we erin verstikken”. Ik zie in deze rompslomp die op ons af komt véél te weinig de inbreng van de landbouworganisaties en ik vrees dat de overweging dat er weer zitdagen en cursussen kunnen gegeven worden aan de leden misschien soms zwaarder wegen dan het gezonde verstand bij het overleggen, bijsturen én afremmen van deze materie in de ontwerpfase.
Allé vooruit, nu nog een pasgeboren kalf proberen aan te geven, dan is die alvast weer legaal in ons bedrijf.
Luc Callemeyn
januari 30, 2009
De vliegveldboer
Vorig jaar hebben ze naast mijn boerderij, dichtbij de stad Albert, een nieuwe luchthaven geopend. Die is een 220 ha groot, het landingsterrein beslaat zo’n 9 ha en is 2,2 km lang. Voorlopig landt er maar één vliegtuig per dag, dat wordt dan volgeladen met vliegtuigonderdelen en ’s avonds vliegt het ermee naar Toulouse, in Zuid-Frankrijk. Ik ben met mijn beide zonen een halve dag naar de lessen gegaan om kennis te maken met het interne reglement en met de radiozender leren om te gaan. Na de lessen hebben ze me een fluorescerend vest gegeven en een luchthavenpaspoort dat ik telkens bij me moet hebben.
Mijn eerste taak als boer is een grasveld van 30 ha rondom de landingsstrook te maaien, zodat de radiogolven niet vervormd worden en het vliegtuig op de juiste plaats landt. Dit jaar zat het er al bovenhands op. Bij het maaien moet ik in mijn tractor immers een radio om mijn nek dragen. Vanuit de toren roepen ze me dan op. Ze zeggen tweemaal je naam, meer mogen ze niet want alles wordt op band opgenomen. Toen ik hierop niet reageerde, kwam de brandweer me onmiddellijk halen, met loeiende sirene. Bij de directeur kreeg ik een hele tirade te horen en ik lag bijna buiten. Allez, ze hebben me nu een brandweerman als copiloot gegeven en al wat die hoeft te doen, is naar de zender luisteren.
Mijn tweede werk op de luchthaven gebeurt in de winter. Als de landingsbaan glad is, word ik betaald om ze te sproeien. Op de tarmac van de luchthaven mag geen zout gestrooid worden want dat zou het aluminium van de vliegtuigen aantasten, dus in de plaats wordt er alcohol gesproeid. Dat soort alcohol kost zo’n 300 euro per ha asfalt en het werkt soms maar een uur. Bovendien moet je dat sproeien tien minuten vóór het vliegtuig landt. De directeur van de luchthaven rekent lang vooraleer hij ons laat sproeien, want de landingstaks is voor een vligrtuig is ongeveer 1000 euro, en het sproeien kost 2700 euro – enkel voor het product dus zonder ons werk erbij te tellen. Meestal word ik om 6 uur ’s ochtends gebeld om met mijn tractor met sproeimachine naar de luchthaven te rijden. De automobilisten die mij volgen, zullen zeker denken dat ik getikt ben: een boer die zo vroeg, in de vrieskou gaat sproeien!
Mijn derde werk is sneeuw ruimen. Dat begint om 2 uur ’s morgens. Op mijn Valmet van 100 pk hebben ze een sneeuwblad van vijf meter breed gemonteerd. Ik heb het dit jaar voor het eerst mogen gebruiken. Ik begin van in het midden van de landingsbaan, met een schuin blad en ik moet meer dan 40 km per uur rijden. Het is het mooiste en plezierigste werk dat je met een tractor kunt doen. Na het sneeuw ruimen moet ik zo snel mogelijk ijsvrij sproeien, om dan naast het personeel bang af te wachten of het vliegtuig dat uit de wolken tevoorschijn komt niet van de landingsbaan zal glibberen. Wie er dan verantwoordelijk is, weet ik niet. Soms heb ik bijvoorbeeld enkele sproeidoppen die niet werken, over heel de lengte.
Voor het sneeuw ruimen en sproeien word ik betaald. Ik heb op de luchthaven eveneens op de vrije zones zo’n 60 ha gras mogen zaaien: 15 ha Engels raaigras waar ik hooi van maak en zo’n 45 ha Italiaans gras dat ik maai juist voor het zaad afvalt en waar ik voordroog van maak. Omdat die grond geëffend werd en het gras er zo arm is, kon ik het eerste jaar maar één snede oogsten. Het gras is uitstekend geschikt voor paarden. Het zou moeten vertrekken naar een Belgische afnemer, die het in pakjes van 5 kg steekt en het winkelklaar maakt.
Voor het gras heb ik mij volledig moeten uitrusten in materieel. Om te beginnen hebben de loonwerkers hier geen grasmaaiers; als ze dan toch een grasmaaier hebben, dan hebben ze geen toelating om op de luchthaven te komen. De dichtstbije vierkantepakkenwikkelaar was in België, hier zijn ze gewoon om ronde balen te maken. Daarom heb ik me een getrokken maaier van vijf meter aangeschaft, een schudder van vijftien meter en een autonome wikkelaar die pakken van twee meter maakt. Om 19 uur moet ik telkens de vlieghaven verlaten, daarom breng ik die voordroogpakken naar de boerderij, om ze daar ‘s nachts in te wikkelen. Dat zorgt ook voor minder schade aan de pakken.
Het is ongelooflijk hoeveel mensen van op de straat staan te kijken naar die grote schudder van 15,4 meter. Er is daar wel een groot probleem mee: als er ergens op 13 meter een paal staat, dan kan ik er niet langs.
Het hooi van 2008 kan ik aan een 80 euro handelsprijs en 110 euro particuliere prijs heel goed verkopen. De volgende jaren zal ik proberen om het hier lokaal te verkopen. Er zitten in mijn buurt ook paardenliefhebbers en maneges. Als het weer het toelaat, zal ik misschien in 2009 geen voordroog maken. Dat kost te veel en de cliënt ziet niet wat er in dat pak zit. Ik zie er een fiasco in. En bovendien is het gras van een vlieghaven – waar er zoveel wind is – niet hetzelfde als mijn natte weiden in Vlaanderen. Dat hooi kan niet anders dan drogen.
Het hooi van die luchthaven heb ik dus gratis, mits ik die 30 ha maai. Het kost mij enkel de meststoffen die ik erop strooi. Kon ik maar aan varkensmengmest geraken, dan was het allemaal winst. Dit jaar verlies ik er geld op omdat ik me die specifieke machines en de meststoffen moest aanschaffen. Ik hoop dat 2009 beter zal zijn, of anders ‘Vaarwel luchthaven!’
Pierre Michels
januari 23, 2009
De wonderen zijn de wereld nog niet uit
Enkele weken geleden waren ook wij bezoekers van Agriflanders in Gent. Het is ongelofelijk hoeveel mensen je tegen het lijf loopt die deze welbekende Dagboekbijdragen lezen. Het doet enorm veel deugd om te horen dat het ‘Dagboek’ zoveel gelezen wordt. Het geeft me moed en doorzettingsvermogen, want de muze is soms ver te zoeken. Ik denk dat mijn collega-schrijvers dit kunnen beamen. Dus, aan allen die deze columns lezen: “Groetjes en bedankt”, en aan de anderen: “Je weet niet wat je mist!” (haha …)
Het laatste weekend van januari vindt er jaarlijks een landbouwbeurs plaats in de hallen van Roeselare. Dit jaar is dat het Land- en Tuinbouwsalon, een veel kleinere beurs maar eentje die spek is voor onze bek, eentje die meer op de tuinbouwers gericht is. Ook wij brengen deze beurs een bezoekje. Onze twee juniors weten steeds wat er in de weekends te beleven valt en waar. Ik denk dat de weekenduitstapjes vaste items zijn die op de speelplaats van de school worden besproken.
Dit jaar gaat er op de beurs wel een wonder geschieden. Ze zijn dus nog zeker de wereld niet uit! Witloofkwekers die zelf hun wortels telen, zijn vaste klanten bij Nunhems. Dit Nederlandse zaadhuis levert het grootste deel van het witloofwortelzaad aan de kwekers, want er worden hier nogal veel Nederlandse rassen gekweekt. Ook wij kweken deze soorten, ze passen het best bij onze grondstructuur. Enkele weken geleden sprong Ann, de vertegenwoordigster voor het witloof, bij ons binnen. Dat gebeurt geregeld omdat zij graag het reilen en zeilen op de bedrijven opvolgt. Wel, deze keer had haar bezoekje een pittig kantje. Zij zocht namelijk producenten die bereid zijn om tijdens de Land- en Tuinbouwbeurs voor de bezoekers groentjes (onder andere witloof) te bereiden en te presenteren. Eén aspect mag je wel niet uit het oog verliezen: mijn man is absoluut geen nieuwe man. Hij draagt in het huishouden zijn steentje bij, maar vraag hem niet om te kokkerellen. Dus doe ik een oproep aan alle bezoekers, breng een bezoekje aan de stand van Nunhems en steun mijn ‘Piet Huysentruyt.’
Wij hebben geen dieren op onze boerderij; wij telen alleen groenten, maar we hebben wel een groot hart voor dieren. Bij ons kun je twee poezen, een hond, twee sierhennen en zeven schapen vinden. Iedereen heeft zijn plaatsje gekregen. De ene huisvest zich in huis, de andere in onze boomgaard enzovoort. Maar verleden week is er eentje bijgekomen: Isaura. Al jaren droom ik van een ezeltje en dit jaar is het wonder geschied. Ik was al een volledig jaar intens op zoek, maar steeds vond ik de geschikte kandidate niet. Met andere woorden, Isaura is mijn verjaardagsgeschenk van verleden jaar. Ik kreeg een budget van mijn schoonouders voor een verjaardagscadeau dat ik zelf al lang wou, maar nog niet had gevonden. Dit was de bijhorende boodschap in de omslag. Ik hoefde niet lang na te denken; het antwoord was mijn ezelinnetje. Vorige vrijdag is zij gearriveerd, ik werd de trotse pleegmama van Isaura. Het is fijn om haar in de weide te zien lopen, om haar te horen balken en ze heeft al een volledige omheining samengebalkt!
De witloofteelt heeft een jaar achter de rug dat we graag vlug zouden vergeten; een jaar van slechte marktprijzen, van te veel produceren, van te weinig afzet, kortom een rotjaar. Maar je mag niet bij de pakken blijven zitten, het verstand op nul en verder werken. Iedere kweker begon dit jaar met een klein hartje te telen, je weet maar nooit! Maar de vriesman heeft het tij doen keren. De consument grijpt in koudere tijden vlugger naar onze groente. Het klinkt misschien raar, maar toch is dit de bittere waarheid. Voor ons mocht dit koude weer nog wat aanhouden. De laatste donderdag van de winterprik ben ik meegegaan naar de veiling; nadien hadden we een afspraak in de school van onze jongens voor het alom bekende oudercontact. Wel, wat ik in de veiling heb gezien, grenst aan het ongelofelijke. Wat er daar aan prei wordt verhandeld, is niet te schatten. Je zou er bijna aan claustrofobie gaan lijden. Links en rechts en achter en voor waren er allemaal tractoren met aanhangwagens volgeladen met prei. Die dag hadden ze 700.000 kg prei aangevoerd. En wij zaten daartussen met onze auto en aanhangwagen met witloof.
Als je hoort welke bedragen er in de land- en tuinbouw worden geïnvesteerd, stemt dit niet tot nadenken? Wordt er gewerkt om te leven of leven sommigen om te werken misschien? Het is een keuze, maar daarom hoeft de kleinere teler toch niet van de markt geduwd te worden. Onze week telt ook zeven dagen, maar de zevende dag blijft toch – op enkele uitzonderingen na – een rustdag. Het is een dag waarin mijn gezin op de eerste plaats komt!
– Sofie Vansteelandt
januari 16, 2009
2009, Krijgen doe(m)denkers gelijk?
Stoppen, hiermee beëindigde Boerenbondondervoorzitter Peter Broeckx zijn toespraak tijdens de ontmoetingsdag voor de bestuursleden van de kringen Fruitteelt, Tuinbouw en het AVBS. Het is volgens mij erg moedig om stoppen als laatste alternatief te vermelden, en dan eveneens te verwijzen naar de vzw ‘Boeren op een Kruispunt’. Mijn persoonlijke lijfspreuk ‘Niemand heeft ooit gezegd dat het gemakkelijk zou zijn’, past ook wel in dit verhaal. Waarom wil ik hiernaar verwijzen bij het begin van een nieuw jaar, wanneer vaak allerlei wensen van succes en geluk ons bereiken? Omdat stoppen toch ook vaak een nieuw begin betekent, wens ik als eerste iedereen die hiermee geconfronteerd wordt een mooi, nieuw begin en gemoedsrust toe in 2009.
Ik wil in dit ‘Dagboek’ graag even stilstaan bij het verloop van die ontmoetingsdag, op 28 november in de Boerenbondkantoren in Leuven. Het was volgens mij in elk geval een erg geslaagd initiatief om alle bestuursleden van de kringen Fruitteelt, Tuinbouw en AVBS de gelegenheid te geven om een bezoek te brengen aan het hoofdkantoor. In de voormiddag werden we verwelkomd met koffie en koeken. De Vlaamse tuinbouwthema’s werden gesitueerd, we maakten kennis met de situatie binnen de drie kringen en kregen een actueel overzicht van het gewasbeschermingsdossier. Bij de middagpauze waren er lekkere soep en broodjes; we namen de gelegenheid te baat om kennis te maken met andere aanwezigen. In de namiddag kregen we een rondleiding door het Boerenbondgebouw. Nu ben ik wel geen kenner van architectuur, maar het zag er mooi uit. Laat ik het omschrijven als ‘ons glazen huis’, met toch ook opvallend veel jonge mensen aan het werk, een open sfeer van ‘U vraagt, wij draaien’. Ook hier werkt men aan onze toekomst en aan die van de volgende generatie. Zo bleek ook dat Boerenbond meer is dan je zou denken. Deze kantoren huisvesten meerdere deelorganisaties: Innovatiesteunpunt, Landelijke Gilden, de redactie, de consulenten Vlaams-Brabant enzovoort. Het gebouw is ook voorzien van alle moderne faciliteiten, vergaderruimtes, een daktuin … Werkelijk de moeite om te zien. De rondleiding zelf eindigde op de bovenste verdieping, bij de top van de Boerenbond.
Na de rondleiding volgde een ontmoeting met algemeen secretaris Sonja De Becker, ooit in de media omschreven als één van de machtigste vrouwen in België – niettemin een charmante en welbespraakte verschijning. Ook onze ondervoorzitter Peter Broeckx was aanwezig, en iedereen die Peter al heeft ervaren tijdens vergaderingen is vol lof. Het verdient dan ook alle respect dat iemand van onder ons dergelijke moed en kundigheid aan de dag weet te brengen om de taak van ondervoorzitter met glans te vervullen. Afwezig was onze voorzitter Piet Vanthemsche, omdat hij met de G10 aan het onderhandelen was en onze belangen verdedigde bij het interprofessionele akkoord.
De volgende nieuwjaarswens van onze voorzitter wil ik graag nog een keertje meegeven en volmondig beamen: “We moeten op een verstandige manier blijven investeren in onze bedrijven, in onderzoek en ontwikkeling, in nieuwe afzetmarkten en in talent.” Ik wens ook proficiat aan al de medewerkers en consulenten van de Boerenbond, voor deze leerrijke en leuke ontmoetingsdag.
Nieuwjaarsnacht was ook voor mij een feest, met vooral muziek, drank en veel volk, in een omgeving waarvan ik soms wel eens wens dat die niet de mijne was. Maar aanvaarden is ook iets wat vooral een toekomst kan maken. Zorgen dat je verder leeft en situaties optimaal benut. Dit ‘aanvaarden’ zal wat mij betreft ook van toepassing moeten zijn in veel dossiers naar de toekomst toe. Natuurlijk moeten we niet blindelings en zonder strijd zomaar alles aanvaarden wat men ons voorschotelt. Laat ik als voorbeeld het dossier ‘Afbakening macrozone glastuinbouw Hoogstraten’ nemen. Indien al onze sectoren niet op korte termijn kunnen aanvaarden dat er duidelijkheid moet komen in de afbakening, met kansen op overleven voor alle sectoren, dan zijn er géén toekomstperspectieven voor de twee volgende, nieuwe generaties. Ik zou zeggen: maak je huiswerk maar eens goed en kijk wat er mondiaal gebeurt op vlak van de agrosector. Ik schrik daarvan.
De dag voor oudejaar was voor mij ook het einde van een generatie. Oma, 88 jaar oud – mijn laatste grootouder nog in leven – heeft ons toen verlaten. Na een lang en mooi leven naast opa (ook een boomkweker, die stierf in 2001) gleed haar levenslust langzaam weg. Het blijft raar wanneer er een generatie verdwijnt, maar we hebben er vrede mee. Ook dat is weer een kwestie van aanvaarden.
En nu dus 2009. Alweer een nieuw jaar, wat gaat dat snel! Natuurlijk horen daar goede voornemens bij en vooral uitdagingen die voor ons liggen. Voor mezelf misschien de vlucht naar het zuiden of het noorden, misschien ‘Boer zkt …’, misschien gaan voor de productie van artisanaal groen. Of heel misschien blijft alles wel gewoon bij het oude. Ook dat is nog niet zo slecht. ‘Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder’ ook in 2009.
– Henk van Beek
