Mijn dagboeken in Boer & Tuinder

juni 17, 2009

Land van hoop en glorie?

Ingedeeld onder: Luc Callemeyn — melkbrigade @ 9:33 am

Het is precies 5 jaar geleden dat ik u hier het verslag bracht van onze reis naar Amerika met onze fokkerijclub Westhoek Holsteins. Ik ben nu net een week thuis van de tweede editie. Waar wij de vorige keer de streek van Michigan en vervolgens Canada bezochten, trokken we nu meer naar het warme zuiden met als start de omgeving van Dallas in Texas en vervolgens New Mexico, Arizona, Nevada en California. Niet alleen het klimaat was er anders (zeer heet), we kwamen ook terecht op de mega-grote bedrijven. Naar schatting hebben wij op onze reis 50.000 koeien gezien en ongeveer 70.000 stuks jongvee. Zo zagen wij bedrijven van 200 tot 10.000 koeien, of ook een jongvee opfokbedrijf met 26.000 dieren van 8 – 23 maand. Niet te geloven allemaal, als je dan met de bus aan het rondrijden bent in de voedergangen en op het bouwblok van een slordige 150 hectaren, loodsen, silo’s en mestopslag inbegrepen. Wat dacht je van een bedrijf waar 7 mengvoerwagens constant voeder aan het bereiden zijn? Of 4000 kalverhutjes waar elke dag 100 à 150 verse kalveren binnenkomen die moeten biest krijgen?
Het was imponerend om te zien, maar tegelijk ook confronterend om te leren hoe men omgaat met de diverse productiefactoren zoals: klimaat, voeder, arbeid, gebouwen en kapitaal.
Het heeft mij verrast dat er zoveel onproductieve oppervlakte is in de VS. Wij hebben ongeveer 6000 km afgelegd met de bus en daarvan was meer dan de helft gebieden met droge prairie, rotsen, bergen of zandvlakten met cactussen. Niet alleen is het daar warm, in de zomer gemiddeld 35-45° met uitschieters tot 50°, er valt ook bijzonder weinig neerslag, tot 300 liter per jaar. Zo zagen we heel veel grote watersproeiers die tot 60 ha in één cirkel konden beregenen, tot 600 liter per vierkante meter. Door de warmte kan men dan wel tot 2 oogsten per jaar hebben (tarwesilage + maïs) maar iedereen vroeg zich af hoe lang zulke roofbouw op het grondwater nog mogelijk is. Het voeder van de grote melkveebedrijven wordt dikwijls van 1000 km ver aangevoerd, liefst zo droog mogelijk om zoveel mogelijk kg ds te vervoeren per vracht. Op de boerderij voegt men dan wel weer water of kaaswei toe voor de smakelijkheid.
De kosten voor gebouwen zijn minimaal, een corral (grote box) afgespannen met staaldraden en een voerhek en in het midden een afdakje voor wat schaduw tegen de verzengende hitte, precies groot genoeg dat alle koeien er onder kunnen. Er zijn dan wel gigantische hoeveelheden ventilatoren die wat luchtstroming moeten teweegbrengen, of ook koudwatersproeiers aan het voerhek. De mest in de corral wordt met de tractor steeds weer verdeeld zodat hij vlug kan opdrogen en die wordt later uitgeschept en verder gecomposteerd en gedroogd voor de akkerbouw. Ofwel wordt de mest uit de loopgangen opgezogen en op een betonvlak verdeeld om te laten drogen. De gangen worden regelmatig gespoeld met recyclagewater van de mestverwerking zodat ook het zand dat uit de ligboxen valt weer kan gerecupereerd worden.
Arbeid is nog steeds vlot beschikbaar in Amerika, en zeker door de huidige recessie is het niet moeilijk om aan goedkope werkkrachten (Mexicanen aan 3-5 dollar per uur) te komen. Kijk dan maar niet te nauw naar hun huisvesting, ik zag krotjes waar je in Vlaanderen nog geen vergunning zou voor krijgen om varkens in te houden. Wat betreft efficiëntie is er nog niet veel veranderd, 1 man doet net als bij ons ongeveer 50 koeien. Op het grootste bedrijf met 10.000 koeien is dit wel 200 man personeel, om dat te leiden moet je niet enkel een goede koeiboer zijn, maar ook een uitstekend manager!
De capaciteiten van de manager komen in deze moeilijke tijd voor de melkveehouderij ook tot uiting in het beheer of aantrekken van kapitaal. Vele bedrijven in de VS staan dezer dagen op de rand van het failliet vanwege lage melkprijs, hoge voederkosten en grote aflossingen. Waar we 5 jaar geleden zagen dat vele bedrijven bezig waren om te verdubbelen of meer, zagen we nu mooie recente bedrijven van ongeveer 2000 koeien die niet volzet waren of die leeg stonden. Het laatste jaar geen vaarzen ingeschakeld, of helemaal failliet. Een volgende confrontatie met het kapitaal wordt de volgende maïsoogst. Veel akkerbouwers zijn voor hun vorige oogst nog niet betaald, en wanneer die nu in juli-aug beslissen om niet te hakselen als voeder maar om hun maïs te dorsen (momenteel voor zeer goede prijzen), dan verdwijnt een groot ruwvoederpotentieel.
Bij onze laatste bedrijven die we bezochten bespeurden wij een zekere kentering. Eentje was zijn bevloeide gronden aan het omschakelen van dierenvoeder naar wijngaarden en amandelnoten, een ander maakte plannen om de bio-melk van zijn 800 koeien te gaan verwerken tot boter en kaas. Tja, ook daar staat de evolutie niet stil.
Ik ben blij dat ik weer terug ben, straks kan ik 3 ha tweede snede gaan maaien voor mijn 75 koeien. Toch weer met de voetjes op de grond.

Luc Callemeyn

Overschakelen naar Plan B

Ingedeeld onder: Dagboek B&T — melkbrigade @ 9:33 am

Tijdens het interviewen van een bekend persoon wordt er soms naar een ‘plan B’ gevraagd. Daarmee bedoelen ze welk beroep je op de tweede plaats in gedachten had. Wel, ik heb daar ook al dikwijls bij stilgestaan. Ik ken collega-landbouwers die gedeeltelijk uit de sector gestapt zijn en een nieuwe start als werknemer genomen hebben. Dat stemt toch tot nadenken! Zelf ben ik geïnteresseerd in heel wat verschillende beroepen. Zo heeft het me altijd al aangesproken om ambtenaar bij het parket te worden. Waarschijnlijk kunnen jullie de link niet leggen, maar ik heb nog een tijdje Rechten gestudeerd. Het fascineert me hoe deze mensen ongevallen, dubieuze sterfgevallen, moordzaken enzovoort ophelderen.
In de tweede plaats had ik graag iets in de horeca ondernomen, want ik kook en bak met veel plezier. Ooit – misschien als mijn kinderen groter zijn – wil ik aan het vormingsinstituut kooklessen volgen. Bij KVLV lassen we elk jaar drie of vier kooklessen in. Ons gezin is voor de bakker een slechte klant want mijn brood bak ik zelf, van gewoon bruin tot volkoren en rozijnenbrood. Sporadisch halen we nog een taart bij de bakker. Het geeft een grote voldoening als je een eigen creatie op tafel kan aanbieden. Het lukt de ene keer beter dan de andere, maar we zijn allemaal maar amateur-bakkers. Ik ben misschien wat ouderwets, maar mijn mayonaise bereid ik ook zelf. Je weet dan tenminste wat er allemaal insteekt en de smaak is helemaal anders. Natuurlijk komt er bij mij soms ook kunst- en vliegwerk aan te pas en dan zet ik een maaltijd op tafel uit een bokaal.
Graag had ik onze jongste zoon naar de hotelschool gezonden, want hij heeft ook een boontje voor koken. Het mocht niet baten, de interesse is er wel maar niet voldoende om er zijn beroep van te maken. Ik begon al te dagdromen. Matthijs baat een restaurant uit en mama helpt in de keuken mee want een helpende hand blijft toch steeds welkom. Ik probeer graag een nieuw recept uit en dan geeft iedereen op een score op tien. Mijn ene keukenkast zit vol kookboeken en mappen met recepten die ik verzamel uit tijdschriften als Libelle of Nest, enzovoort.
Toen mijn plannetje maar niet wou lukken, zijn we in de slagerijschool op bezoek gegaan. Misschien zou hij zijn gading vinden als slager. Dan kon ik in zijn slagerij helpen. Maar nee hoor, na ons eerste bezoek zakte het enthousiasmepeil tot nul. Hij zou absoluut geen slager meer worden. Misschien probeerde ik te veel mijn gedachten in zijn handen te leggen. Iedereen moet zijn eigen weg vinden en blijkbaar kronkelt die van Matthijs tussen de struiken en de bomen. Hij wilde last but not least tuinaanlegger worden. Als er nu één iets is waar ik echt geen verstand van heb, is het toch wel daarvan. Ik heb absoluut geen groene vingers, zelfs een cactus kan ik laten sterven – en dat is toch niet evident, hé!
We zullen het maar vanuit de positieve hoek bekijken: binnen afzienbare tijd hoef ik de tuin niet meer te onderhouden. Mijn tuinman zal dat wel doen. Zelfs nu doet hij het al gedeeltelijk. Ieder weekend rijden de kids het gras af. Ze hebben samen een moestuintje en regelmatig wordt het onkruid verwijderd. Ik had bij hoog en bij laag gezworen nooit meer een moestuintje aan te leggen, want het eindigt toch altijd in een herbarium van soorten onkruid. Mijn man kreeg toen de opdracht om het tuintje maar weer bij het gazon te brengen. Nu mijn twee zonen les volgen in de tuinbouwschool, willen ze wat experimenteren. Het gevolg daarvan is dat het gazon weer gedeeltelijk omgespit werd en de moestuin is ‘back’.
Genoeg gemijmerd, ik zal maar opnieuw witloof gaan plukken. We gaan onze laatste twee weken in. Daarna wordt het tijd om de stress even aan de kant te schuiven. We stoppen tot half augustus. Intussen hebben we vruchten op het land waarmee we bezig zijn. We hebben een eerste vrucht bloemkolen staan. De nieuwe witloofwortelen zijn al gedeeltelijk gezaaid. Later zullen we die wat dunnen, het onkruid verwijderen enzovoort. We zijn blij dat we onze geest wat kunnen laten rusten, want het was nu ook geen seizoen om in de annalen te noteren. Je zou er de moed bij verliezen. Momenteel herstelt de markt zich een beetje. Aan alle witlooftelers wil ik graag het volgende meegeven: laat de moed niet zakken. Het is niet plezant om voor een minimumprijsje je product op de markt te brengen. Maar ik houd me aan één gedachte vast: “Het is nog nooit slecht blijven gaan en het tij zal wel keren. Na regen komt de zon altijd weer tevoorschijn!”
– Sofie Vansteelandt

mei 8, 2009

De betaallandbouw van McCarthy

Ingedeeld onder: Johan Schollier — melkbrigade @ 12:00 am

Onlangs kwam er hier een Pool op het erf gereden. Van op de straat zag hij dat wij naast een grotere vacuümtank nog een kleintje hadden staan en hij vroeg of we die niet verkochten. De man werkt hier in België, maar telkens als hij teruggaat naar Polen neemt hij een mestvat mee, liefst tussen 3000 en 5000 liter. Hij neemt er de wielen af en stopt die in een bestelwagen. De romp gaat op de aanhangwagen en zo vertrekt hij ermee voor een tocht van 1700 km. Een tijd geleden trokken kleine melktankjes naar Polen; nu zoeken ze mestkarren. Zo staan er veel te verkommeren in Vlaanderen, maar je moet ze vinden natuurlijk. De man blijft me bellen of ik er geen weet staan. Ik dacht: “Wacht maar, manneke …” Hij heet Andrej, hij spreekt vloeiend Frans en zijn nummer is 0477 47 13 78. Veel geeft hij er niet voor, maar bedenk dat er nog een tijd kan komen – zoals wel vaker gebeurt – dat je nog geld moet toeleggen om het kwijt te raken.
Op de valreep van het voorbije melkjaar kregen wij, voor de vijfde maal de voorbije winter, een onverwachte controle. Ze hadden van Brussel de opdracht gekregen omdat wij een bepaalde maand 31% meer melk hadden dan dezelfde maand het jaar voordien. Hoewel diezelfde mensen een maand eerder al geweest waren, werden dieren en kaarten opnieuw geteld. Melken we geen kamelen of ezelinnen tussen de koeien? Is de tank wel groot genoeg? Staan er geen ketels of kannen om dit kleinood in zijn inhoud bij te staan? 31%, da’s veel natuurlijk. Was ik dan vroeger slecht bezig? Drie jaar geleden geluk gehad met het geslacht van de kalveren, veel vaarsjes. Het was eigenlijk te voorzien dat er een tekort aan vaarzen zou komen. Nu het quotum voor het vierde jaar op rij niet vol zou geraken, hebben we toch maar alles aangehouden. Maar er is meer: gemengd voederen en rechte kuilranden voor de smaak. Wij hebben een nieuwe voederbakmenger gekocht. Al het voerwerk gebeurt nu met hetzelfde tuig. Onze zoon heeft de voorbije winter gevoederd en hij heeft dat blijkbaar heel goed gedaan. De zoon doet het beter dan zijn vader. Goed zo, zo moet het zijn. Net zoals ik meer uit de koeien moest puren dan mijn vader. Maar er is nog meer: het was onze eerste winter met zachte stalmatten en naast vaste borstels nu ook een roterende borstel. Extra wellness voor de koeien, het zal ook wel meegespeeld hebben. En natuurlijk: het grote verschil tussen remmen en doormelken … Al die dingen samen.
Tegenover een literrecordmaand voor ons, plaatst de melkerij een diepterecord voor de melkprijs. Wie nu niet veel liters heeft, waarmee betaalt die dan de toevloed van voorjaarsfacturen? Met spaargeld? Het zal groeien worden of sterven. Groeien van groot naar groter! Van klein naar groot, vergeet het maar. Welke investering kan je dragen met zo’n melkprijsje? Hoe moet het verder? Ieder jaar gokken? Boerenbondconsulent Jan Halewyck verwacht dat de resterende quotumjaren nog slechts eenmaal vol zullen raken. Nu nog bijkopen? Natuurlijk kochten wij ook quotum aan, maar steeds met mondjesmaat. Ik ben altijd bijzonder sceptisch geweest over onstuimige quotumaankopen. Toch zullen er boeren zijn die meer geld geven aan derden dan hun eigen ouders kregen voor de overname. Als onze kinderen op onze boerderij willen boeren, zullen we een en ander door de vingers moeten zien of er is geen doen meer aan … Een bakker, een slager, een apotheker en een boer starten een zaak en da’s duur. De eerste drie kunnen aan de slag, maar de boer staat nog nergens. Hij heeft nog een fortuin nodig voor luchtbellen en papieren bestanden. Nu het quotum op apegapen ligt, slaat deze gekte over op NER’s. Ik noem dat betaallandbouw en daar ben ik vierkant tegen. En dan maar klagen dat men elders in de wereld goedkoper kan produceren. Het is hier hoe dan ook de duurste regio ter wereld op te boeren. Wij hebben ons lot deels in eigen handen.
Ik had hier nog wat spuitstoffen voor de suikerbietteelt. Die teelt is ons, zeg maar, afgepakt. Ik heb die gesleten aan een boer aan de andere kant van Deinze, waar de bieten wel nog opgehaald worden. Ik ken dat bedrijf al langer, maar ik kwam nooit eerder op het erf. Het is een pracht bedrijf. Nog in puur landelijk gebied, oud Vlaams en toch heel modern. De beste grond in grote blokken rond het erf. Het gezin heeft twee zonen, jonge twintigers. Toch heeft mijn collega geen opvolgers. Zij zouden nog wel boeren, maar zullen het uiteindelijk niet doen vanwege de paperassen en de overheidsbemoeienissen. Ik vind dat erg, zo’n schoon bedrijf! Waar gaat dat naartoe? Waar zijn wij mee bezig? Waar gaat Vlaanderen zijn boeren blijven halen? Die jonge mensen zijn niet gek. Ik kan het begrijpen: kiezen voor een leven ‘onder de sloef’! Werkt onze overheid met een geheim McCarthyplan om hier op een subtiele manier de boeren weg te ruimen? McCarthy was een meedogenloze Amerikaanse communistenjager. Ze gaan er nog in slagen ook, als ze de jonge mensen de moed blijven ontnemen. Moeten wij niet dringend een collectieve ongehoorzaamheid organiseren en heel dit systeem aan onze laars lappen? Een geweldloze Boerenkrijg? Het zal niet lukken zeker? Het is mooi in de pas lopen of … geen premies! We zitten vast. Zelfs de politici krijgen last van controleziekte en zetten privédetectives in. Verdorie, zouden wij ook niet een detective op onze melkerijen zetten?
– Johan Schollier

mei 1, 2009

Voorjaarsperikelen

Ingedeeld onder: Carine Cornu — melkbrigade @ 12:00 am

Bij ons in de polder verloopt het voorjaar opmerkelijk rustiger dan in het binnenland. Omdat wij in het najaar ploegen, hoeven we nu alleen nog te bemesten, klaar te leggen en maïs te zaaien. Dat bemesten wordt bij ons maar gedeeltelijk gedaan met een gewone aalton. In het vroege voorjaar proberen wij zoveel mogelijk te werken met een ‘sleepslangensysteem’. Dat wil eigenlijk zeggen dat er een darm rechtstreeks in de mestkelder wordt gestoken, met daaraan een zware pomp. Deze pomp stuurt de mest door die darm tot aan de tractor met injecteur op het land. Daar heb je natuurlijk iets grotere percelen land voor nodig, die niet te ver van je deur gelegen zijn. Het is toch wel een redelijk werk om alle darmen uit te rollen. Gelukkig zijn ze ondertussen steeds beter voorzien van het nodige materiaal om alles vlot te laten verlopen, zodat we ook daar weeral veel tijd kunnen uitsparen. Ligt de grond toch te ver van de mestput, dan wordt er een container gezet en wordt de mest aangevoerd. Het voordeel is dat je kan injecteren met weinig structuurschade op het land en dat het vrij snel gaat. Daar staat natuurlijk een kostenplaatje tegenover. Maar het feit dat er geen structuurschade is, vergoedt de meerprijs ruimschoots in de volgende teelt.
Elk jaar starten we zo vroeg mogelijk met het grasland op die manier te injecteren. Dat wil eigenlijk zeggen dat we bemesten vanaf dat het toegelaten is en het weer en de toestand van de percelen het toelaten. Omdat we toch een beetje rekening wilden houden met de interesse van onze jongste, stond het dit jaar voor ons gepland op een woensdag – zodat hij erbij kon zijn. Maar het weer wilde niet echt mee. Plots spraken ze al een beetje vroeger van regen en dat konden we natuurlijk missen. Geert heeft toen gebeld naar de loonwerker, een buurman, om indien mogelijk nog een beetje te vervroegen en al op maandag te injecteren. Gelukkig was er nog plaats vrij.
Dus maandagochtend rond acht uur kwam de loonwerker met twee tractoren en het nodige materiaal het hof op. Senne, onze jongste van acht jaar, ging zo rap als hij kon toch nog naar buiten om zoveel mogelijk in de buut van die tractoren te zijn vóór hij uiteindelijk naar school moest. Die eerste werken na een lange winter zijn nu eenmaal altijd heel interessant. Ten minste als er met de tractor iets moet gebeuren. En zeker als de loonwerker komt, want die zijn tractoren zijn groter en indrukwekkender dan de onze – ten minste voor hem toch.
Zo rond een uur of vier was al het grasland geïnjecteerd dat we wilden doen en ze reden met hun materiaal naar huis. Rond die tijd is ook de school uit, dus toen Senne thuiskwam was de loonwerker al weg. De ontgoocheling was navenant. Stampvoetend en behoorlijk kwaad liep hij door het huis. Ik trok hem even op mijn schoot – misschien is dat wel een voordeel van de jongste te zijn. Daar kalmeerde hij dan toch gedeeltelijk van, maar zijn boosheid was wel nog niet helemaal weg. Ertegenin proberen te gaan en hem proberen te overtuigen dat ze nog moesten terugkomen om op de tarwe te injecteren en dat ook het maïsland nog aan de beurt was, hielp allemaal niet. Je kent dat wel, meerijden op grasland is anders dan meerijden over de tarwe of op bloot land. Eigenlijk was hij gewoon niet voor rede vatbaar. En dan kwam het er uiteindelijk toch uit: “Ik had veel beter naar onze buurman geluisterd.” Ik wilde wel eens graag weten wat die buurman dan had voorgesteld. “Wel,” was zijn antwoord, “ik moest de school maar afgebeld hebben. En volgende keer doe ik dat.”
Uiteindelijk is alles nog goed gekomen. Na een tijdje is hij helemaal gekalmeerd. Hij heeft ondertussen al kunnen meerijden toen de tarwe bemest werd. Vorige zaterdag was het maïsland aan de beurt. Hij heeft zijn wekker gezet om vroeg genoeg op te zijn om te kunnen meerijden. Zijn huiswerk is er dit weekend bij ingestoken, maar je kan natuurlijk niet alles hebben. Voor één keer heb ik hem dan maar verontschuldigd. Ik had hem trouwens ook niet gevraagd om het te maken. Dat kan nu eenmaal gebeuren.
En nu is het hopen dat we deze week niet te veel regen krijgen, zodat we verder kunnen klaarleggen en mais zaaien. En hopelijk krijgen we daarna ook nog enkele uitzonderlijk mooie dagen, zodat ook het gras gemaaid kan worden en op een goede manier in de kuil gestoken kan worden.
Een nieuw seizoen is duidelijk begonnen. Na een te lange, koude winter zijn we er weer helemaal klaar voor. Laat die mooie, warme zomer nu maar komen.
– Carine Cornu

april 24, 2009

Een nieuwe lente, een nieuw begin

Ingedeeld onder: Marcel Heylen — melkbrigade @ 12:00 am

Elk jaar opnieuw, bij de eerste dagen met mooi weer, krijgen de meeste mensen – en zeker de boeren – een vreemd en moeilijk te definiëren gevoel dat ik bij mezelf het best kan omschrijven als lentekriebels. Blijkbaar maakt het lengen van de dagen een soort oerinstinct wakker bij de mens dat de drang doet ontstaan om aan de slag te gaan. Bij de boeren is dit het begin van een erg drukke tijd. Ze maken gebruik van elke periode met mooi weer om te bemesten, akkers te ploegen en zaaiklaar te leggen.
Tot voor twee jaar hoorde bij de lente, voor mij althans, ook steeds dat prachtige, blije gevoel van de koeien te kunnen buitenlaten in de weide. Sinds vorig jaar is dat spijtig genoeg verleden tijd. Door het strenger worden van de mestwetgeving, met daarbij het invoeren van derogatie, is het namelijk niet meer toegestaan om de koeien nog te laten grazen op Italiaans raaigras, de nateelt van maïs.
Aangezien wij hier, rond onze boerderij, relatief laag gelegen gronden hebben, kunnen wij normaal gezien onze koeien niet vroeg buiten laten op de echte graasweiden, omdat anders de kans te groot is dat ze de graszode kapot trappelen. Omdat we op onze huiskavel regelmatig aan teeltafwisseling doen, graasweide afwisselen met maïs, konden we de koeien vroeger op het Italiaanse raaigras laten lopen in het vroege voorjaar. De koeien konden zo genieten van de buitenloop en al het gras dat ze opaten was meegenomen, zonder dat het kwaad kon dat ze de zode vertrappelden want die werd toch omgeploegd om er maïs te zaaien.
Ik begrijp trouwens de achterliggende gedachtegang niet die aan de grondslag ligt van deze absurde regel in de voorwaarden voor derogatie. Enerzijds beweert men dat de mestwetgeving en de daarbij behorende regels er zijn om het milieu te beschermen, en anderzijds verbiedt men de boeren de milieuvriendelijkste manier om gras te oogsten: het laten afgrazen door de koeien. Nu moeten we het gras eerst maaien, eventueel oprapen en voor de koeien brengen in de stal om het vers te vervoederen, of enkele malen keren met de hooischudder, dan op rijen leggen en laten oprapen of hakselen en in de kuil brengen, of in grote balen laten persen en wikkelen in plastic folie. De winst voor het milieu bij deze bewerkingen ontgaat mij volledig.
Ook bij Dierengezondheidszorg Vlaanderen (DGZ) had de lente iets nieuws in petto, op 16 maart ging het – vooraf veel besproken en dikwijls uitgestelde – Veeportaal online. Waarom ik dit aanhaal, zal wel duidelijk zijn voor de lezers die mij kennen. Ik ben sinds twee jaar lid van de raad van bestuur van DGZ, als vertegenwoordiger van de rundveehouders van de provincie Antwerpen. Aangezien Veeportaal vooral door de rundveehouders gebruikt zal worden (ook varkenshouders maken gebruik van Veeportaal, maar in mindere mate), is het wel duidelijk dat ik mij als rundveehouder sterk betrokken voel bij deze internettoepassing, die op termijn zeker zal leiden tot administratieve vereenvoudiging. Nu – vijf weken na de start van Veeportaal – zijn de meeste gebruikers, vooral diegenen die de opleiding volgden om met Veeportaal te leren werken, best tevreden over de nieuwe manier om geboorte-, vertrek- en aankomstmeldingen, bestellingen enzovoort te doen. Vooral doordat het systeem nog niet voldoende stabiel was en er nog te veel fouten waren, duurde het lang eer Veeportaal beschikbaar was voor de veehouders. Wij hebben er als bestuurders van DGZ continu op aangedrongen geen toepassing vrij te geven waarvan we niet zeker waren dat ze nagenoeg foutloos ging werken. We wilden absoluut voorkomen dat er zich een rampscenario zou voordoen, zoals dat van VRV bij de overgang van de vroegere melkcontrole naar MPR – dat de meeste melkveehouders nog glashelder voor de geest staat – met een veelheid aan fouten en onvolkomenheden en de daaruit voortvloeiende ergernissen.
Ik weet ook wel dat de veehouders op dit ogenblik heel wat kritiek hebben op het nieuwe telefonische meldingssysteem VRS van DGZ. Maar laat dit duidelijk zijn: het VRS-systeem is in principe tijdelijk in het leven geroepen voor veehouders die om allerlei redenen op dit ogenblik nog geen gebruik willen maken van de internettoepassing Veeportaal. Het streven van de bestuurders van DGZ is wel dat op termijn zoveel mogelijk veehouders gebruik gaan maken van Veeportaal. Dat is ook de reden waarom je op termijn zal moeten betalen voor het gebruik van het telefonische meldingssysteem, in tegenstelling tot de internettoepassing die gratis is.
De Boerenbond heeft trouwens de bedoeling om een nieuwe reeks opleidingen Veeportaal te starten eens de lentewerkzaamheden voor de boeren achter de rug zijn. Die zijn zeker geen verloren tijd als je met Veeportaal aan de slag wilt. Veel succes!

– Marcel Heylen

april 17, 2009

Innovatie of creativiteit.

Ingedeeld onder: Luc Callemeyn — melkbrigade @ 7:42 pm

Vorige zomer en deze winter konden we deelnemen aan een reeks van activiteiten van het Innovatiesteunpunt. Daarbij een bemerking: om halfacht ’s avonds een vergadering beginnen, is voor mij als creatieve en hardwerkende mens veel te vroeg. Ik was dus nu en dan wel eens te laat.

Het bezoek aan het heftruckbedrijf Thermote & Vanhalst (boerenzonen!) heb ik gemist, maar even later waren wij er wel bij voor een bezoek aan Gandaham. Met één tussenstap evolueert men van een anoniem goedkoop bulkproduct (varkenshesp) tot een delicatesse met merknaam – met daarbij heel veel toegevoegde waarde. De bedrijfsleider is niet bang om wat aangeboden kansen uit te proberen, ook al horen die niet meteen tot zijn eigen productengamma. Een derde bezoek aan het Distributiecentrum van Colruyt was over heel de lijn adembenemend. Het bedrijf heeft een enorm logistiek apparaat ter beschikking, om honderden tonnen van het fijnste voedsel op de juiste plaats te krijgen. Het indrukwekkendst was de gerobotiseerde inrichting voor groenten en fruit, die de kisten sorteerde die van de veiling kwamen en ze geheel geautomatiseerd opnieuw samenbracht per winkel volgens bestelbon. Van het gegeven dat al dat voedsel eerst primair door boerenhanden is voortgebracht, is nog weinig herkenbaar. En zeker van een eerlijke prijs is niets te merken. In hun verkooppraatje gaan ze wel uit van vaste en langdurende relaties, maar dat weerhoudt hen er niet van om te proberen hun marge te vergroten door te knibbelen op de inkoopprijzen. Onze verkoopprijzen dus.

Deze winter werden ook enkele vergaderingen georganiseerd met daarbij als centrale thema ‘Hoe kunnen we de aankoper het beste verleiden?’ Zo konden we luisteren naar Fons van Dyck, die ons inzicht bracht in de consument en zijn boek Het merk mens voorstelde. Daarna was er een sessie over het ontwikkelen van een sterk merk en de daarbij horende administratieve hindernissen. Een volgende vergadering met spreker Johan Lambrecht behandelde de strategie en missie van het bedrijf.

Enkele rode draden heb ik alvast onthouden. Vooreerst moet een bedrijf authentiek zijn. Dat wil zeggen dat het geen probleem is om te vertellen dat je hetgene wat je (goed) doet al jaren zo doet. Successen in het verleden geven de beste voorspelling van succes in de toekomst. Never change a winning team. Daarbij is het ook belangrijk dat een bedrijf een vastgelegde missie heeft, die aangeeft waar het naartoe wil in de toekomst en waar het voor staat. Elke medewerker moet die missie uitstralen. Bepaal een doel en ga er recht op af. Zijsprongetjes zijn toegelaten, zolang ze de oorspronkelijke missie niet in gevaar brengen.

Hoe meer ik naar dergelijke voordrachten luister, hoe meer ik besef dat wij met zijn allen geweldig goed bezig zijn. Wij boeren zijn toch authentiek? Wij werken al generaties op een bedrijf dat onze voorouders moeizaam opgebouwd hebben. Een boer herken je van op afstand, dat zie je, dat hoor je, en in het slechtste geval ruik je het. We zijn bereid om vast te pakken en we zijn voor 100 procent begaan met ons beroep. De meesten kunnen bijna over niks anders praten. We hebben een duidelijke missie, want we hebben al lang voor ogen wat we willen en gaan tot het uiterste, zelfs als het niet eens zeker is dat er geldelijk gewin aan te pas zal komen.

In heel de reeks van voordrachten heb ik echter het meest bewondering gekregen voor de sector van de siertelers. Zij moeten al drie jaar van tevoren kunnen inschatten wat de markttendensen zullen zijn naar vorm, kleur en aantallen. Vervolgens moeten ze stekken uitplanten, nieuwe ziekten leren bestrijden en een persoonlijke vorm aan hun planten geven. Daarna moet er verkocht worden en moeten ze geheel volgens eigen inzicht een eerlijke prijs bepalen en zichzelf verzekeren dat ze met een betrouwbare handelaar in zee gaan. Een internationale visie is hierbij zelfs onontbeerlijk. Siertelers ontwikkelen zelf hun planten, kruisen en experimenteren en moeten zelfs soms patenten aanvragen op hun creaties, anders is er concurrentie door de buren of zelfs de Chinezen. Heel iets anders dan de melk-, runder-, varkens-, kippen- en akkerbouwsector, die meestal bulkproducten voortbrengen en prijsnemend zijn.

Bij het woord ‘Innovatie’ denkt men meestal aan iets geheel nieuws. Na vele jaren Innovatiesteunpunt van de Boerenbond is het mij duidelijk geworden dat het creëren van een nieuwe landbouwtak niet meteen voor het grijpen ligt. Er is echter een veelheid van gebieden die kunnen doorontwikkelen. Hoofdzaak is dat je heel veel creativiteit aan de dag legt bij de aangeboden kansen. En die zijn er elke dag, we moeten de ogen open houden voor elke nieuwe ontwikkeling. Daarbij moeten we niet kijken ‘wat’ een ander doet, maar ‘hoe’ hij het doet.
Een oud-leraar zei ooit (in het West-Vlaams): “Het geld ligt achter straate, maar je moet het willen en kunnen zien en je moet je bukken om het op te rapen.”

Luc Callemeyn

Het kan verkeren

Ingedeeld onder: Kris Van der Velpen — melkbrigade @ 7:40 pm

Wie herinnert zich als fruitteler nog hoe we vorig jaar overal konden lezen dat onze Belgische Jonagold aan een comeback bezig was? Ik neem wel aan dat heel wat fruittelers zich het jaar 2008 nog zullen herinneren als het topjaar op het vlak van een goede prijsvorming. Zeker als je beseft dat toen voor onze appels met een industriële bestemming bijna zoveel betaald werd als nu voor de betere kwaliteit van eetappel. Ik heb toen ook in deze rubriek vermeld dat we zulke jaren al eens nodig hebben om onze bedrijven voort te zetten. Veel blijft er na zo’n topjaar eigenlijk niet over. Meestal dienen de extra inkomsten om je zaak te moderniseren en om weer bij te benen op financieel vlak. De keerzijde van zo’n jaar merk je ook als je aanslagbiljet in de bus valt. Als je al iets overgehouden zou hebben, mag je dat dit jaar netjes teruggeven aan Vadertje Staat. Zo gaat het in de land- en tuinbouw al jaren en wellicht zal het zo nog jaren verdergaan. Als je in onze sector een bedrijf uitbaat, weet je dat je het goede met het slechte moet nemen.
Een heel ander verhaal doet zich dan voor met de peren. Hier is geen sprake van overaanbod, integendeel zelfs. Maar ook bij de peren blijf ik erbij dat ze de prijs die ze nu genoteerd gaan, dit jaar moeten blijven gaan. Ten eerste waren er al beduidend minder peren en ten tweede moeten ze de lagere prijs van de appels compenseren, zodat de rekening klopt aan het einde van het seizoen. De onkosten worden namelijk niet lager naarmate de prijs van ons fruit daalt.
“Waarom zijn de appels dan goedkoper?” hoor ik een buitenstaander vragen. Het antwoord is simpel: er zijn er gewoonweg te veel. Hoe dikwijls hebben we nu al gezien dat er wel ergens in de wereld massaal veel appels aangeplant worden als de prijzen goed gaan ervoor? We hebben de concurrentie met de Franse Golden gehad. Later was het zuidelijk halfrond de boosdoener en nu overspoelt het voormalige Oostblok – met Polen op kop – in Rusland maar ook in Duitsland de markt met goedkope appels. Onze appels zijn beter, maar die van hen zijn goedkoper. Zij kunnen ze leveren aan een prijs waarvoor je hier amper papier in de kisten kan zetten, laat staan iemand betalen om ze in te pakken – en dan heb ik het nog niet over het product zelf.
Natuurlijk zal er in die landen volgend jaar waarschijnlijk wel een lagere productie zijn. Als je een jaar enorme producties haalt, heb je het jaar daarna altijd wat minder. Het zal langzamerhand ook wel verminderen dat ze zo goedkoop kunnen produceren; de lonen zullen er ooit gelijk komen met hier en ze zullen daar ook moeten blijven investeren. Tot een jaar of drie geleden vond je hier geen tweedehandsmachines of -tractors meer. Nu kopen zij ginder ook liever nieuw materiaal, dat naar hun normen toch wel wat geld kost.
Persoonlijk denk ik dat we als Belgische telers moeten blijven gaan voor kwaliteit en vers product. Toen ik in november appels leverde, kreeg ik voor de kleinere maten nog wel een redelijke prijs, later in december ook nog, maar eenmaal februari was het ‘gene vette’ meer zoals ze hier zeggen.
Iets wat zeker nefast is voor de prijsvorming – zowel van appels als van peren – is individualisme. Hiermee bedoel ik mensen met een kortetermijnvisie, die nog steeds denken dat geld geld is en voor wie het niet uitmaakt waar het vandaan komt. Bij zulke mensen is de coöperatieve gedachte ver weg en ze verkopen hun fruit aan iedereen. De dag dat hun handelaar niet meer komt opdagen of dat die elders kan profiteren, reppen ze zich terug naar de veiling en zijn ze content dat ze daar mogen leveren. Als je weet dat men zestig jaar geleden hemel en aarde bewogen heeft om telersverenigingen op te richten, dan zou het dwaas zijn om nu opnieuw elk zijn eigen fruit aan te bieden. Ook de veilingklok mag je niet zomaar afschrijven. Waar men dat wel gedaan heeft, is men bijna jaloers op ons omdat wij steeds bleven geloven in de verkoop langs de klok.
Op ons bedrijf staat de veiling wel goed aangeschreven. Wij zijn als kind opgegroeid met eerst de veiling in Glabbeek, en later met de Belgische Fruitveiling. Natuurlijk zijn er ook al eens mindere momenten. De zon kan niet alle dagen schijnen, zegt men. Maar als teler ben ik blij dat ik een gegarandeerde afzet heb – tot de laatste kilo fruit, dag na dag en voor elke fruitsoort, of ze nu moeilijk of vlot verkoopbaar is.
Het is mijn mening dat we de veiling weer meer moeten gaan zien als een stuk van onszelf. Het is tenslotte ook onze enige betrouwbare handelspartner, waarmee je als lid een engagement hebt aangegaan de dag dat je je als aandeelhouder inschreef. Misschien is dat wel eens iets om over na te denken tijdens deze paastijd.
Bij deze wens ik ook alle lezers zalige en gezellige paasdagen toe.

– Kris Van der Velpen

april 2, 2009

Wie moet ik nog geloven?

Ingedeeld onder: Pierre Michels — melkbrigade @ 7:19 pm

Vorig jaar was iedereen zeker dat de prijs van de landbouwproducten nooit meer zou dalen. We begonnen aan de hemel te denken, maar we zijn in de hel gevallen. Een mooi voorbeeld daarvan is de tarwe. Ik wou onlangs een deel van mijn nieuw uitgezaaide tarwe verkopen. De vertegenwoordiger die ik hiervoor aansprak, vroeg mij of ik dat niet aan een andere kon vragen … Vorig jaar liepen ze bij de oogst mijn erf op en af om toch maar aan tarwe te geraken en nu zitten ze hier met hun silo’s vol onverkoopbare granen. Dit jaar zullen ze zelfs geen enkele kilo zomergerst, erwten, haver enzovoort aankopen, want ze geraken niets kwijt.
Hier in Frankrijk legt het departement ieder jaar de tarweprijs van de coöp vast. Vorig jaar stond hij bij de oogst bijvoorbeeld op 135 euro per ton. Stijgt de tarweprijs, dan krijgen wij als coöperatieboeren een bijslag; daalt de prijs, dan krijgen we de vastgestelde prijs. Bij tarweprijzen van 300 euro vorig jaar, zijn er wel veel zelfstandige graanhandelaars bijgekomen en dat heeft voor een enorme concurrentie gezorgd. De directeurs van de coöps hebben in de zomer 2008 al hun wapens bovengehaald om toch graan aan te trekken en nu zitten ze allemaal met veel te duur graan – dat dus onverkoopbaar is. Binnenkort zullen wij op de vergaderingen van de coöperatie wel horen hoeveel miljoenen ze verloren hebben en wie gaat dat betalen – wij trouwe coöpboeren, en niet die overlopers!
Mijn ene coöp heeft zo zijn eigen manier om boeren met hun tarwe te lokken. Ze dachten dat de prijs van de tarwe na de oogst weer zou stijgen – en eigenlijk dacht iedereen dat, ik ook. Ze losten de karren tarwe van de eerste boeren gewoon op de grond naast de silo’s, goed in het zicht van de straat. De boeren die daar langskwamen, zagen die tarwe op het plein en dachten: “Tiens, ze moeten daar wel een goeie prijs geven, want hun silo’s zitten vol – waarom zou de tarwe anders buiten liggen in de regen?” De grote boeren of herenboeren – die traditioneel aan de zelfstandige handelaars verkopen – passeerden daar ook. Uit nieuwsgierigheid stuurden die hun ‘teeltverantwoordelijke’ naar de coöp om te horen welke prijs die zou bieden. Ze konden niet persoonlijk gaan, want in hun ogen zijn wij coöpboeren een soort ‘bende communisten’ en te klein om mee te praten. Die ‘chef’ kwam dan terug met twee prijzen: de gewone prijs voor als hij zelf zou aanvoeren, maar een hogere prijs als de herenboer het graan zou brengen. Wanneer er zo enkele herenboeren tarwe aanbrengen, geeft dat een enorm effect langs de weg. De boerinnen – die hier meestal de tarwe afvoeren – melden dan achteraf aan hun man in de maaidorser dat ze iets nieuws gezien hebben: die herenboeren kunnen ook met de tractor rijden en dan nog wel naar onze coöp! Als ze aankomen in de coöp en langs de weegbrug gepasseerd zijn, mogen die herenboeren, begeleid door een arbeider, binnen in de loods storten. Niet dat het een andere variëteit is dan de tarwe die buiten gestort werd, maar gewoon omdat zo’n chique boer niet kan achteruitrijden met zijn kar.
In Vlaanderen bestaat zo iets belachelijks niet, maar in Frankrijk is dit realiteit en ik weet zeker dat mijn Vlaamse collega-boeren in Wallonië datzelfde fenomeen ook kennen. En natuurlijk trekt mijn coöp met die technieken automatisch nog meer boeren aan, want volk trekt volk. Wie durft er trouwens naar een lege silo rijden? “Als een silo niet vol geraakt, dan moet eriets verkeerds aan de hand zijn”, denkt iedereen.
Mijn andere coöp maakt het nog bonter om die zelfstandige handelaars te beconcurreren. Nadat ze de laatste tarwe ingeslagen hebben, vertrekken de arbeiders en de verkopers van mijn coöp met hun auto’s en vrachtwagens naar het noorden – waar de oogst nog niet gedaan is en waar de thuisbasis ligt van hun concurrenten, de graanhandelaren. Daar proberen ze dan die zelfstandigen een loer te draaien. Op zo’n honderd meter voor de ingang van de concurrentie, houden ze alle tractoren met graan tegen en ze bieden die boeren een prijs ver boven de prijs die ze anders zouden krijgen. Die graanhandelaars zitten dan wel met een groot probleem: ofwel betalen ze meer – en die van mijn coöp vertrekken meteen want hun doel is bereikt – ofwel verliezen ze hun cliënten. Niet dat die boeren uit het noorden dan bij de coöp komen, want onze mannen kregen de opdracht de prijs zoveel mogelijk op te drijven zonder maar een kilo te kopen en met allerhande oneerlijke truken.
Zo zitten al de coöps vol onverkoopbare tarwe. Binnenkort zullen we erover vergaderen. Het is nu al zeker dat ze de nieuwe tarwe boven de oude zullen stockeren. Maar zullen ze bij de ban(k)dieten nog aan geld raken om ons voorschot voor 2009 te betalen? De coöperaties zijn in de jaren dertig van de vorige eeuw gestart vanwege de falende graanhandelaren en nu gaan ze zelf in de fout …

Pierre Michels

maart 27, 2009

Ingedeeld onder: Sofie Vansteelandt — melkbrigade @ 9:56 am

Allerlei soorten stress
Iedereen heeft er mee te kampen. Ook wij kunnen aan dit fenomeen niet meer ontsnappen. De postbode dumpt weer geregeld enveloppen in de brievenbus. Het zijn de alombekende en terugkerende items zoals verzamelaanvragen, wateraangifte enzovoort. Ik hoef dit niet verder uit te leggen, want iedereen is met deze rompslomp vertrouwd.
Nu de winter stilletjes met de noorderzon verdwijnt, treedt er een nieuwe vorm van stress op de voorgrond. We noemen dit onze voorjaarsstress. Wij draaien nog volop seizoen, alleszins nog tot einde mei. Dat wil zeggen dat we voor de volledige honderd procent witloof telen. Onze dagen zijn dus nog goed gevuld. Maar dat mooie lentezonnetje priemt door het venster en mijn man krijgt natuurlijk lentekriebels: kriebels om het land te gaan bewerken. (Hou jullie fantasie maar weer in toom!) Wij maken dan steeds een moeilijkere periode door. Aan de ene kant wil hij verder witloof telen en aan de andere kant zou hij graag op zijn tractor springen en eraan beginnen. Je hoort dan verschillende tractoren van de collega-landbouwers ronken en dat geeft geen aangenaam gevoel en geen prettige sfeer in onze plukruimte. Hij zou misschien beter de velden bewerken, want momenteel draait de witloofteelt ook geen schitterende cijfers, zoals zovele takken van de landbouw, zeker? De melksector, de varkenssector, noem maar op.
Ik kan alleen maar over onze sector spreken. We hebben gewoon te kampen met een overproductie. Een overproductie aan witloofwortelen, met als gevolg een te grote hoeveelheid witloof dat op de markt komt. We zijn allemaal een beetje het slachtoffer van een té grote werkijver. Verschillende bedrijven zijn uitgebreid en hebben buitenlandse werkkrachten aangetrokken. Daardoor is er meer aanbod dan vraag en dan geldt nog steeds de wet: te veel aanbod doet de prijs dalen. En je mag gerust zijn dat hij daalde! Een mooi voorbeeld om mijn uitspraak te staven is het volgende. Enkele weken geleden werd carnaval gevierd. Ook bij onze noorderburen (de Nederlanders) werd er duchtig gefeest. Zij produceren dan tijdelijk te weinig, zodat ze op de REO Veiling bijkopen. We brachten ons witloof nog maar naar de veiling en er werden al heel wat palletten witloof vooraf opgeladen. De druk op de ketel minderde en het werd een week met mooie, leefbare prijzen. Wat baat het om met een massaproductie te werken, als het product geen afzetmarkt vindt? Maar hoe moeten we nu uit deze spiraal geraken?
Dit voorjaar vinden we hetzelfde fenomeen in de sector van de industriegroenten. Iedereen moet minderen, afhankelijk van de fabriek waaraan je levert en de groenten die je teelt. Sommige fabrieken hebben de voorbije winter een moeilijkere afzet gehad en reduceren onze contracten ruim. Wij telen groenten om mijn man en mezelf – en in de zomervakantie onze twee kinderen – werk te geven. Na een dagje bloemkolen oogsten, komen we in de fabriek aan en dan zien we tractoren met aanhangwagens, volgeladen met gigantisch veel containers. Moeten we nu niet een beetje de resultaten van een massaproductie dragen? Je kan nu natuurlijk tegen me zeggen: “Ga ervoor en breid uit.” Maar dat is een keuze die je maakt en wij hebben andere prioriteiten. Pas op, ik ga hier niet verkondigen dat het zo niet zal eindigen, maar voorlopig hebben we daar geen behoefte aan. Ik zeg altijd: als een doorsneegezin iedere week één kilo witloof klaarmaakt, dan gaan zij er geen twee kilo eten omdat er meer witloof geproduceerd wordt.
Verder hebben we ten slotte de examenstress. Pasen nadert, met de bijbehorende paasexamens. Die brengen hier toch de nodige spanningen met zich mee. Er moet meer gestudeerd worden, er blijft minder vrije tijd over. Ikzelf heb graag dat het vakantie is. De sfeer in huis is dan veel losser en er wordt niet zo nauw naar de klok gekeken. ’s Morgens kunnen de kinderen wat uitslapen en ’s avonds kunnen ze samen met ons rond de warme houtkachel naar een film blijven kijken. Anders wordt er weer geklaagd dat ze steeds de ontknoping missen – wat natuurlijk ook niet leuk is. Mijn jongste kookt graag en dus heb ik in de vakantie steeds een ‘hulpkok’ in mijn keuken. Zo hebben we het allemaal wat gemakkelijker en kunnen we wat meer tijd spenderen aan leuke dingen. Dus, zou ik zeggen, nog even op de tanden bijten en laat die paasvakantie maar komen (en in het bijzonder die klokken)!

– Sofie Vansteelandt

maart 20, 2009

Net als in de film

Ingedeeld onder: Henk van Beek — melkbrigade @ 9:35 pm

Om een actueel beeld te schetsen van de boomkwekerij in de huidige crisissituatie, kan ik melden dat volgens mij voor de meesten het glas tot op heden nog steeds halfvol is; in tegenstelling tot sommige siertelers met verwarmdekasteelten, die durven aangeven dat hun glas eerder halfleeg is. Het is moeilijk om te duiden hoe de situatie nu exact is in de sierteelt, gezien deze sector nog steeds erg verscheiden is wat productie en afzet betreft. Wel kan ik bevestigen dat ik nog niemand heb horen juichen van hoe geweldig het wel gaat, maar dat is nog nooit gebeurd in de land- en tuinbouw.
Zowel op mijn bedrijf als op mijn ouderlijke bedrijf stellen we vast dat er toch wat veranderd is. Terwijl we de laatste tien jaren gewend waren om te produceren op contractbasis, heeft dit jaar slecht één van onze zes grote afnemers iets op papier durven zetten! Het spreekt voor zich dat we contact houden met alle grote afnemers. Tijdens die contacten geven ze aan dat ze waarschijnlijk wel ongeveer dezelfde aantallen zullen afnemen als alle vorige jaren, maar dat veel zal afhangen van hun verkoop en of die dan dezelfde zal blijven onder invloed van de huidige economische situatie. Een duidelijk afwachtende houding … Ik hoor dat wel vaker, ook in andere sectoren.
Net als binnen heel de land- en tuinbouwsector, kunnen ook wij niet zomaar onze productie wijzigen. Hier gaat tenslotte een productieproces van bijna een heel jaar aan vooraf. Ook wij moeten uitgangsmateriaal aankopen, grondstoffen, meststoffen … Met andere woorden, we moeten investeren in mogelijk verkoopbare planten. Het belooft dus een spannend verkoopsseizoen te worden.
We zitten dit jaar – net als alle andere jaren – ook met enkele restpartijen die nog niet verkocht zijn. Die kunnen we meestal dumpen op Flora Holland, met toch vaak (soms) redelijke prijzen. Begin april starten we hiermee. Ik ben dus meer dan benieuwd naar wat de prijzen zullen doen, want ook in crisistijd zijn de veilingen nog geen heilige huisjes. Anderzijds blijken de kosten hier niet te dalen of ze blijven zelfs gelijk aan de vorige jaren. Lap, weer wat minder boter op mijn boterham.
En toch zijn er nog heel wat mensen die in een ontkennende fase zitten: “Crisis, niks van aan. Dat zeggen ze enkel om mensen bang te maken. Gezever.” Natuurlijk, als tweeverdieners maandelijks hun mooie loon gestort zien, de bedrijfsauto ook nog eens lekker privé kunnen gebruiken, voldoende vakantiedagen krijgen om te bakken in de buitenlandse zon, te skiën en natuurlijk après-skiën op de mooie, witte, buitenlandse bergen, dan zal er vast niks aan de hand zijn. Daar krijg ik wel een punthoofd van!
Het zal vast aan mij liggen, maar ik heb het gevoel dat onze maatschappij vreemd genoeg juist nu steeds minder het verschil maakt tussen realiteit en fictie, terwijl we toch de laatste drie decennia zoveel vernieuwing hebben gekend. Van keukenrobot tot vaatwasser en microgolfoven, computer en internet. Eerst met de fiets rond de kerktoren en daarna naar Brussel, om nu vervolgens met de vlieger heel de wereld af te reizen. Vroeger twaalf koeien melken, met de hand, in emmers en slapen boven de stal; nu liefst honderd koeien, met de melkrobot en slapen in de villa.
Ook ik ben van de generatie van ‘Stilstaan is achteruitgaan’, maar zijn we nu niet vreselijk uit de bocht aan het gaan? God, wie ben ik om hierover te zeuren, terwijl ook ik vaak gretig gebruik maak van alle moderne faciliteiten. Dan denk ik soms: “Ik weet gewoon te veel!” Wil ik het allemaal nog wel weten? Weten onze politieke leiders het nog wel? Vroeger konden we politiek nog beschouwen als een blijspel, daarna werd het eerder fictie, vervolgens horror, om nu te eindigen in een kompleet drama. Als ontspanning en vaak om te vluchten uit de dagelijkse realiteit laten we ons wat graag verleiden door de media in alle vormen. Trendy bladen, (gewelddadige) computerspelletjes, soaps, internet en film. En dan verliezen we onszelf hierin. We willen iemand zijn, liefst op de cover van een blad. Dat gewelddadige spel willen we echt beleven. Van De Witte van Zichem naar Hector, American Gigolo en Pretty Woman. Vergeten we de Muscles from Brussels niet en – ik moet ze zelf ooit nog eens gaan zien – Loft, De SM Rechter en Milk. Mijn top drie? Op 1 My Own Private Idaho van Gus Van Sant, op 2 Spring, Summer, Fall, Winter… and Spring van Kim Ki-Duk, op 3 Presque rien van Sébastien Lifshitz. Een dagboek blijft toch iets persoonlijks.
Enfin, ik zal blij zijn als we morgen, maandag 16 maart, weer buiten kunnen gaan werken tussen onze plantjes, na drie maanden binnenwerk: handveredelingen van ’s morgens tot ’s avonds. Ik hoop op een mooi voorjaar, met onze voeten op de grond en een economie die stabieler zal zijn.

– Henk van Beek

Jong, jonger, jongst

Ingedeeld onder: Carine Cornu — melkbrigade @ 9:29 pm

Het is alweer heel wat jaren geleden dat we geconfronteerd werden met de vraag: tot wanneer ben je eigenlijk jong? Stopt dat plots met ouder worden? Stopt dat met te trouwen, of hoe zit dat eigenlijk? Wel, het volgende voorvalletje bracht ons destijds in elk geval veel duidelijkheid.
Waar ik vroeger werkte, hadden we regelmatig stagiaires en ook dit keer was dat zo. We waren met die stagiair wat aan het praten over allerhande dingen. Uiteindelijk kwam de nieuwe uitbater van de schoolhoeve ter sprake. Natuurlijk waren we wel een beetje nieuwsgierig naar wie dat nu eigenlijk was. We wilden wel weten of we de persoon in kwestie kenden of ten minste er een gezicht op konden kleven. En zo kwamen we bij de vraag of het nog een jong iemand was. Wijzelf waren toen begin de dertig en we voelden ons nog behoorlijk jong. We stonden even paf toen we zijn antwoord hoorden, namelijk: “Oh ja, jong? Iets zoals jullie zeker?” En wij die dachten dat we toen nog bij de jonge gasten behoorden. Nadien konden we dat natuurlijk wel plaatsen, want voor iemand van zestien à zeventien jaar is begin de dertig behoorlijk oud, natuurlijk. Maar het was wel de eerste keer dat we zomaar met de neus op de feiten gedrukt werden: je blijft niet eeuwig jong.
Anderzijds merken we zelf soms ook dat de jaren hun tol wel eisen. En dan heb ik het namelijk over ons eigen recuperatievermogen. Zo merk je al heel goed dat je na een avondje stappen eigenlijk meer dan één nachtje nodig hebt om te recupereren en je opnieuw kiplekker te voelen. Of als het eens heel druk is geweest op het bedrijf en in het gezin, dan kan je er best tegen om eens een half dagje aan een heel wat lager tempo te werken. De al wat ouderen onder ons beloven ons trouwens dat dat met de jaren niet zal beteren. We zullen ons dan toch nog maar een beetje jong voelen, zeker?
Ondertussen zijn het onze eigen kinderen die er ons af en toe aan doen denken dat wij ook stilaan een jaartje ouder worden. Of, om het meer met hun woorden te zeggen: “We zijn niet meer altijd mee met onze tijd.”
En het meest van alles valt dat op als er weer eens een of ander elektronisch toestel in huis komt. Zolang we iets moeten aankopen voor ons bedrijf, dan doen we nog wel de moeite om te weten hoe het allemaal werkt en waarvoor het allemaal gebruikt kan worden. We laten ons vooraf uitvoerig inlichten en achteraf wordt het nodige uitgeprobeerd. Normaal ook, want het gaat meestal toch wel over een aanzienlijk bedrag. Maar als we letterlijk ‘iets in huis halen’, dan loopt dat eigenlijk toch wel anders. Dan zijn het meer de kinderen die zich daarover ontfermen.
Vroeger begrepen wij niet hoe het toch mogelijk was dat onze eigen ouders niet zo snel overweg konden met nieuwe apparaten – als het hen al lukte. Nu merken we dat het soms toch wel heel gemakkelijk is om het aan de jongere garde over te laten om uit te zoeken hoe die technische snufjes allemaal werken, en zelf enkel aan te leren wat je echt nodig hebt. Nog meer dan vroeger kunnen alle toestellen die je in huis haalt veel meer dingen dan wat jij er eigenlijk van vraagt.
Zo heb ik ondertussen geleerd dat een mp3-speler een interessant gebruiksvoorwerp kan zijn. Normaal gezien ben ik heel erg tegen het gebruik van zulke spullen. Maar zelf zie ik er ondertussen het nut van in, op bepaalde momenten dan toch. Je zal mij er zeer zelden mee zien rondlopen. Maar om biggen te castreren is het wel heel plezant. Dat werkje neem ik geregeld helemaal alleen voor mijn rekening, ten minste als het school is en ik geen hulp heb van de kinderen. Als ik dan toch alleen aan het werk ben – en het gaat bovendien nog over een vrij eentonig werk – dan kan een streepje muziek inderdaad voor wat verlichting zorgen. De biggen hebben er geen last van dat ik een beetje asociaal sta te doen en ze vinden het misschien nog een verzachtende omstandigheid dat ik af en toe probeer wat mee te zingen. Want ja, wat ik zoal op die mp3 heb staan, dat zijn – voor mij dan toch – overbekende liedjes die ik goed kan meezingen. En wat mijn oren betreft, ik denk niet dat die veel meer schade gaan oplopen van een mp3 in mijn oren, dan van het geschreeuw van biggen.
Maar je bent natuurlijk niets met een mp3-speler als er geen muziek op staat. En ook daarvoor is het handig om van die jonge gasten in huis te hebben. Zij vinden het helemaal niet erg als je vraagt om er nog enkele liedjes bij te zetten of er enkele te vervangen. Elke mogelijkheid om met de computer bezig te zijn, vinden zij best. En zo zie je maar, ook na zoveel jaren proberen we af en toe nog eens mee te zijn met onze tijd.

– Carine Cornu

Schatjes van patatjes

Ingedeeld onder: Johan Schollier — melkbrigade @ 9:28 pm

Deze keer hoefde ik echt niet lang na te denken over de titel van mijn dagboek. Het ligt zo voor de hand, ik kon er zelfs niet om heen. De AGRA-vrouwen van het gewest Deinze-Zulte brachten een bezoek aan het aardappelverwerkende bedrijf Lutosa in Leuze-en-Hainaut. Leuk om weten: Lutosa is de Latijnse vorm van Leuze. Ook een paar echtgenoten hadden de moed om met de ‘Boerinnenbond’ op zwier te gaan. Ik alvast ook, want ik ben altijd op zoek naar dagboekmateriaal, en eerlijk gezegd ging ik ook uit interesse mee. Ik wou wel eens zien wat er met een vracht aardappelen van 30 ton gebeurt nadat die onze boerderij verlaat.
In 2001 heeft Lutosa 37 miljoen euro geïnvesteerd in de bouw van een nieuwe productielijn voor voorgebakken en diepgevroren frieten. Het is die lijn die wij bezocht hebben, want het hele bedrijf bezoeken in één dag is niet te doen. Er is nog een grote site in Sint-Eloois-Vijve en naast frieten maken ze er nog een heel gamma van voorgebakken producten op basis van verse puree: aardappelnootjes, denappeltjes, hertoginnenaardappeltjes, ovenkroketten en gratins.
Alles begint met de aankomst van de grondstof: onze aardappel, liefst 680.000 ton per jaar of 25% van de Belgische productie. Die koopt Lutosa aan bij handelaars enerzijds (55%) en bij 350 landbouwers die contractueel leveren anderzijds (45%). Het bedrijf werkt voor 95% met de variëteit Bintje. Van 15 juli tot bij de oogst van het Bintje gebruiken ze de vroege rassen Première, Fresco en Anosta. Landbouwers en handelaars voeren continu aan. Tijdens de rooimaand oktober worden de grote opslagplaatsen van het bedrijf zelf gevuld om de continuïteit te verzekeren. In alle sites samen kunnen ze 90.000 ton veldgewas stockeren. Het bedrijf draait immers de klok rond. Enkel op zaterdag is er onderhoud en de zondagmiddag om 14 uur start er al een nieuwe week.
De werkplaats die wij bezochten, is in zijn soort een van de modernste ter wereld. Ze kenmerkt zich door de zorg die er besteed wordt aan hygiëne en door de extreme vorm van automatisatie. Er werken 450 mensen en toch zie je in de productie heel weinig mensen. Je geraakt er niet zomaar binnen. Elke bezoeker moet door een hygiënesluis in bedrijfskledij en met een mutsje op het hoofd. De wanden, de machines, bijna alles is in inox.
Nu wil ik even de productie beschrijven in een notendop. De eerste fase is de controle van de aangevoerde aardappelen. De drie belangrijkste parameters zijn de grootte, het drogestofgehalte en de bakkleur. Enkel aardappelen van een optimale kwaliteit gaan door naar de frietproductie, de rest gaat in vlokken of puree. In een tweede fase worden de aardappelen gewassen en oppervlakkig gestoomd, waardoor de schil loskomt. Die schil wordt er afgeborsteld en de aardappelen worden opnieuw gewassen. Nu volgt een eerste optische controle. Camera’s en lazers sporen beschadigde, misvormde of rotte aardappelen op, maar ook vreemde voorwerpen. Die worden met een persluchtstoot verwijderd. Dan worden de aardappelen gesneden tot frieten. Dat gebeurt met watermessen en krachtige pompen. Tegen 120 km per uur worden de voorgesorteerde aardappelen door conische buizen gestuwd; daardoor vliegen de aardappelen steeds in hun langste richting door de messen. De vers gesneden frieten worden dan gekalibreerd en getrieerd op lengte en dikte.
Dan volgt er een tweede optische sortering. Bij het minste foutje aan een friet wordt die eruit geblazen. Vervolgens worden ze geblancheerd in een warmwaterbad met stoominjectie. Dan worden de frieten gedroogd in een stroom van warme droge lucht, om vetabsorptie te beperken en de knapperigheid te verbeteren. Hierop volgt het bakken van de frieten, gedurende één tot anderhalve minuut in plantaardige olie van 160 à 170 °C. Ontvetten gebeurt met warme lucht.
De frieten moeten nu zo vlug mogelijk afkoelen. Een diepvriestunnel van -50 °C brengt het afgewerkte product in een mum van tijd op -18 °C. Er volgt nog een derde optische controle. Rest nog de verpakking: per soort, per gewicht, per lengte, per kleur, per klant, per land … Alles gaat eerst in zakken en vervolgens in dozen en uiteindelijk belandt alles op een pallet. Ik zag zelfs dozen met Chinese lettertekens. Bij dit laatste proces was er geen mens te bespeuren, alles is gerobotiseerd. Zestien ton afgewerkte producten per uur belanden voor hun laatste reis in een van de grootste geautomatiseerde vrieskamers ter wereld: 46.000 pallets.

Het is zondagmiddag als ik dit schrijf. Ik heb een neef in Kruishoutem, die er een Avevezaak runt. Hij start een tweede vestiging in de Vlaamse Ardennen. Vandaag is het er demodag. Een automatische meststoffenverlading wordt officieel in gebruik genomen. De boer kan er meststoffen ophalen zonder dat hierbij andere personen aanwezig hoeven te zijn. Ook bij onze toeleveranciers blijft de tijd niet stilstaan. Na de geld-, brood-, versemelk- of aardbeienautomaat doet nu blijkbaar ook de stikstofautomaat zijn intrede. Veel succes aan deze jonge mensen! Ik kom nog eens af. Kijk, ik ben al weg.

– Johan Schollier

februari 27, 2009

Melk is goed voor elk

Ingedeeld onder: Marcel Heylen — melkbrigade @ 12:00 am

‘Melk is goed voor elk’, met deze pakkende slogan werd vijftig jaar geleden de Belgische bevolking aangezet om meer melk te gaan drinken. Omdat men toen ook al wist dat je bij de kinderen moet beginnen als je gewoontes wilt veranderen, werd de Melkbrigade opgericht. Aangezien ik al iets langer dan vijftig jaar op deze aardbodem rondloop, heb ik de hoogdagen van die Melkbrigade van op de eerste rij meegemaakt.
Ik kan mij nog goed herinneren dat we in de lagere school probeerden elkaar de loef af te steken om zo snel mogelijk een volle lidmaatschapskaart, met 30 stempels, van de Melkbrigade te hebben. In principe kon je van je onderwijzer maar één stempel per dag krijgen, maar wanneer je bijvoorbeeld het bord schoonveegde tijdens de speeltijd, kreeg je als beloning een extra stempel. En inventief als onderwijzers toen waren, kon je natuurlijk ook stempels verliezen wanneer je niet goed luisterde, of als je schooltaken niet in orde waren.
Ook de boegbeelden van onze jeugd – met name Nonkel Bob en Tante Terry – maakten reclame voor de Melkbrigade. Al bekende Nonkel Bob later wel dat hij graag een scheutje whisky in zijn melk deed om het ‘verteerbaar te maken’. Zo zie je maar dat niet altijd alles is zoals het lijkt, ook toen al. Achteraf gezien was de Melkbrigade de grootste reclamecampagne die ons land ooit kende. Tussen 1959 en 1970 waren 650.000 kinderen lid van de Melkbrigade.
Naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van de Melkbrigade is melk de laatste dagen niet uit het nieuws weg te branden. Zo was er vorige week heel wat te doen over een onderzoek dat aantoonde dat kinderen die opgroeien op een boerderij, die daar geregeld in contact komen met vee en rauwe melk drinken, veel minder last hebben van allergieën dan stadskinderen. Of, zoals professor Ceupens het formuleerde: “Boerenkinderen hebben niet alleen een gezond boerenverstand, ze zijn ook nog eens gezonder dan de doorsneekinderen.” Het is alleen spijtig dat al die goede eigenschappen van melk niet van tel zijn wanneer de inkopers van de supermarkten prijsonderhandelingen voeren met de melkerijen. Want dan is het blijkbaar niet meer dan normaal dat zo’n gezond en voedzaam product als melk veel goedkoper is dan water of ongezonde frisdranken.
Het is hoog tijd dat VLAM met het geld dat ze van onze erg povere melkprijs afhouden eens een aansprekende campagne voert die de consumenten aanzet om meer melk te drinken. De gemiddelde Vlaming drinkt momenteel één glas melk per dag. Om voldoende calcium binnen te krijgen, zouden dat best drie glazen per dag zijn, hoorde ik onlangs een voedingsdeskundige uitleggen.
Het is toch vreemd dat de consument zo weinig geneigd is om in deze tijden van crisis een goedkoop voedingsmiddel als melk te kopen. Al kan je wel de vraag stellen of de prijs die wij momenteel als melkveehouder krijgen nog wel iets met vraag en aanbod te maken heeft. Je moet blijkbaar als melkveehouders op dit moment al blij zijn als men je melk nog wil komen halen! Terwijl er helemaal niet meer melk geproduceerd wordt in de Europese Unie dan een jaar geleden, toen de melkprijs die de boer kreeg bijna het dubbele was van de huidige prijs.
Op vergaderingen van de bedrijfsgilde en de kring Melkveehouders voel je dan ook heel wat frustratie en onrust onder de aanwezigen. De schrik voor de toekomst zit er goed in, vooral omdat men in een kapitaalintensieve sector als de melkveehouderij niet echt gewoon is met dergelijke prijsschommelingen om te gaan. De lage inkomsten, in combinatie met de aangekondigde afschaffing van de melkquota, zorgen voor heel wat verhitte discussies tussen voor- en tegenstanders.
In deze context vind ik het dan ook vreemd dat een organisatie als de BDB, die voor een kostendekkende melkprijs pleit, tegen de afschaffing van de melkquota is. Terwijl net de hoge prijs die sommige melkveehouders de afgelopen jaren betaalden om melkquotum aan te kopen, nu een zware hypotheek op hun toekomst is. In tijden van lage prijzen is het de kunst de onkosten zo laag mogelijk te houden, en dat kan moeilijk wanneer je gaat investeren in gebakken lucht – wat quotum de laatste vier jaar toch is, aangezien al vier jaar na elkaar het Belgische quotum niet vol gemolken wordt. De huidige lage prijzen voor melk – terwijl het quotum niet vol gemolken wordt – halen dan ook hun argumentatie voor het behoud van het melkquotum onderuit. Vorig jaar beweerde de BDB nog dat de melkprijs zo hoog was dankzij hun inspanningen. Nu blijft het doodstil. Ik denk dat hier het gezegde ‘Succes heeft vele vaders, maar de mislukking is een weeskind’ van toepassing is.
Om de veelzijdigheid van melk nogmaals te illustreren, wil ik nog meegeven dat de Amerikaanse acteur Sean Penn een Oscar kreeg als beste acteur in de film Milk. De ‘melk’ waarover men het hier heeft, is de familienaam van de eerste homoseksuele politicus in Amerika.

– Marcel Heylen

februari 20, 2009

Je hoeft niet gek te zijn om hier te werken …

Ingedeeld onder: Kris Van der Velpen — melkbrigade @ 12:00 am

Vroeger hing in onze sorteerruimte een sticker met als opschrift ‘Je hoeft niet gek te zijn om hier te werken, maar het helpt wel’. Waar die sticker vandaan kwam, dat weet ik al niet meer en hij is ook al een tijdje verdwenen. Misschien maar goed ook, want sinds een tweetal jaren doen we ook aan Groene Zorg op ons bedrijf. Vorige week is hier in het nabije Glabbeek trouwens de vijftigste zorgboerderij gehuldigd, met de daarbij gepaard gaande feestelijke namiddag in zaal De Roos. De mensen van het Steunpunt Groene Zorg hadden samen met de Landelijke Beweging schitterend hun best gedaan en het was een zeer geslaagd evenement. Alleen de aangekondigde minister-president ontbrak, maar zelfs dat werd goed opgelost door zijn kabinetsmedewerker, iets wat bij ministers nog wel eens voorkomt.
Aanvankelijk werd de Groene Zorg opgezet voor mensen met een handicap, die nog wel konden werken maar niet echt konden meedraaien in het gewone arbeidscircuit. Dit gegeven bestond zelfs vijftig jaar geleden al, want toen waren er ook mensen uit instellingen die op een boerderij kwamen werken. Zo konden hun begeleiders evalueren of die mensen in staat waren om weer normaal te functioneren. Al na een paar jaar werd de Groene Zorg ook aangewend voor jongeren die met zichzelf geen blijf weten. Deze groep maakt stilaan een steeds groter wordend deel van de zorgvragers uit.
Zelf heb ik zo al enkele gasten op mijn bedrijf gehad, de ene al met een beter resultaat dan de andere, maar meestal zie je toch dat die jongeren op zich nog de slechtste niet zijn. Vaak speelt hun omgeving hen het meeste parten, want als je zulke jongeren aan het werk kan krijgen, vallen ze wel mee. Als zo iemand bij je komt werken, zie je wel dat ze beseffen dat er ergens iets fout zit. Ze zijn hier ook niet in groep en dat maakt de meesten al wat kalmer. Het is blijkbaar ook niet meer gemakkelijk om als vijftien- tot achttienjarige door het leven te gaan tegenwoordig. Er wordt ook veel van die jongeren verwacht en de leerkrachten en hun ouders begrijpen hen toch niet. Ik heb hier nog niemand gehad die enthousiast was over zijn school.
Als ik vergelijk met mezelf op diezelfde leeftijd, dan zie ik ook dat het leven toen toch nog wat eenvoudiger was. Onze generatie was nog trots als ze met de tractor kon rijden of als ze eens iets kon doen op het ouderlijke bedrijf. Een computer of een gsm was er niet, en als die er was, dan hadden wij dat zeker nergens voor nodig. Je had toen ook vlugger het besef dat er voor alles gewerkt moest worden en het woord ‘respect’ bestond toen ook nog. De jongeren van vandaag zijn daarom niet slechter hoor. In onze tienerjaren waren er ook van die gasten waar niemand vat op had, maar die hadden dan enkel de keuze tussen naar school gaan of gaan werken.
Wat ik als zorgboer ook al wel eens zie, is dat iemand goed aan het werk is tot plots zijn gsm rinkelt. Meestal is het dan een of andere kameraad van school, die zijn makker mist om samen de boel op stelten te zetten. Dan krijg je van die jongere die dag niet veel meer gedaan en alles is te lang en te breed. Veel van de problemen zitten ook bij de ouders die niet inzien dat hun kind op het slechte pad raakt. Tegen zo’n jongere zwijg je best, kwestie van ‘s avonds geen stiefvader aan de lijn te krijgen die ermee dreigt dat hij je voor de rechter zal dagen. Op zo’n moment heb ik een gigantische bewondering voor leerkrachten en directies van scholen.
Vorige vrijdag pakten ze ook uit met een nieuwe term, waarvan ik hoop dat ze hem nog veel mogen gebruiken. ‘Hartelijke duurzaamheid’ wordt hopelijk een nieuw begrip in onze land- en tuinbouw. Ik had het begrip eerder nog niet veel gehoord, maar als je aan Groene Zorg doet, weet je meteen wat het betekent. Je stopt wel wat tijd in een zorgvrager, maar je krijgt het gevoel van iets gedaan te hebben voor iemand. In sommige gevallen help je een jong, onstuimig leven weer op de rechte weg. Er zullen er ook zijn die aan de enkele dagen op de boerderij niks hebben; maar net voor die enkelen die er wel iets aan hebben, moet je het doen. Tenslotte zijn we boerenmensen die andermans probleemkinderen de kans geven om hun zinnen eens te verzetten door ze wat aan het werk te zetten. Als je tegen een zorgvrager gewoon eens iets positiefs zegt in de trant van ‘Dat heb je goed gedaan’, dan ontdekt die meestal iets nieuws want dat hebben ze dikwijls veel te weinig gehoord.
– Kris Van der Velpen

februari 13, 2009

En de boer, hij betaalde voort…

Ingedeeld onder: Luc Callemeyn — melkbrigade @ 12:00 am

Elke dag hoor je op radio en TV berichten van grote multinationals die tienduizenden werknemers ontslaan. De eisen die men stelt vanuit de vakbondshoek waren altijd maar gericht op minder werken en meer verdienen en meer consumeren als gevolg. Plots is deze zeepbel uit elkaar gespat, orderboekjes bij fabrieken raken stilaan leeg, werknemers worden werkloos gezet, die verdienen dus nu wat minder en houden de portemonnee dicht voor de extra consumptie uitgaven. Voeg erbij dat de banken aan bedrijven in nood al minder overbruggingskredieten vertrekken (als ze al zelf niet in de problemen zitten) en zo blijft de bal maar rollen. En het einde is nog niet in zicht. Wacht nog maar een maand of drie tot ook de onderaannemers in de problemen komen en tot de bouw misschien helemaal stil ligt.
Het lijkt dan wel of alles en iedereen in crisis is. Vorige week las ik in dit ledenblad zelfs over een voedselcrisis. Hoezo? Was er een voedselschandaal? Waren de prijzen te hoog voor de consument. Neen, de prijzen zijn te laag aan de boer. Jammer genoeg is dit eerder het resultaat van een jojo effect op lange termijn waarbij de prijzen eerst naar boven doorschoten, en nu zitten wij in het diepe dal. Zoveel omwentelingen in de prijzen vragen eerst veel geduld tot alles weer op zijn plooi komt. Een volatiele markt dus.
Was u ook op de Boerenfeesten in de voorbije weken? Het leek wel een echte klaagmuur. Boeren vragen dan vertwijfeld of men dan geen enkele garantie meer kan krijgen als verdienste voor het vele werk. Het antwoord is waarschijnlijk even hard als ontnuchterend. Neen. Als men op vandaag grote fabrieken laat failliet gaan en mensen op straat zet, zal men dan dat scenario tegenhouden voor een handjevol boeren? Voeg erbij dat machtige consumenten organisaties alleen maar uit zijn op goedkope aankoop voor de burgers en ik vrees dat onze verzuchtingen niet in hun plaatje passen.
Maar vandaag zijn er wel bedrijfsleiders wie het water tot aan de lippen staat. Noem mij eens een sector waar het wél goed gaat? Melk? Vlees? Akkerbouw? Varkens? Groenten? Fruit? Sierteelt? Het is dan ook schrijnend vast te stellen dat de crisis alvast geen vat lijkt te hebben op de overreglementering die er heerst voor de actieve ondernemers. Voor alles wat je wil doen moet je dossiers opmaken, zenuwslopende vergunningen aanvragen, en vervolgens controle vrezen. En dat moet je alleen maar doen om te mogen werken. Het kost ons allemaal zo veel tijd en handenvol geld. Want elke reglementering is zo complex dat je er best een specialist bijhaalt die aan een exotisch uurtarief werkt, aan wie je eerst je gegevens moet overmaken, die deze samen met jou op jouw aangifte invult, en dat vervolgens in hun envelop verstuurt met jouw handtekening eronder. Hopelijk is alles juist, maar wees gerust, de rekening komt wel. Het kan geen toeval zijn dat adviesbureaus als paddenstoelen uit de grond rijzen en dat grote bureaus constant nieuwe mensen aanwerven. Weet u dat binnen de twee jaar meer dan tienduizend gewone milieuvergunningen moeten worden vernieuwd? Even rekenen, twee dagen werk per dossier is twintigduizend dagen, driehonderd werkdagen per jaar, dat geeft (hoera!) weer werk aan zeventig mensen. En de boer, hij betaalde voort.
Voortdurend komen er nieuwe aangiftes bij, gelukkig (?) meer en meer op de computer. Bij de uitleg krijg je dan steevast te horen dat het maar vijf of tien minuutjes per dag vraagt om regelmatig bij te houden. Tel je even mee? Managementprogramma, Sanitel, mestaangifte, derogatieregistraties, bankverrichtingen, technische boekhouding, mails en info opzoeken. Ik zit al dagelijks aan een vol uur. Als het goed gaat tenminste. Al ooit eens geconfronteerd geweest met een computercrash? Een falend Internet? Een printer die even niet meewil? Hardnekkige foutmeldingen in een programma? Of gewoon als je zelf een griepje van een week hebt. Opgelet, je mag ook niet meer met een hamer op je vingers slaan, want dan kan je niet meer typen.
Gezelle scheef: “Wie schrijft die blijft”. Bij de overheid zeggen ze: “Wie print die wint”. En ik denk soms: “Als we het allemaal blijven slikken, dan zullen we erin verstikken”. Ik zie in deze rompslomp die op ons af komt véél te weinig de inbreng van de landbouworganisaties en ik vrees dat de overweging dat er weer zitdagen en cursussen kunnen gegeven worden aan de leden misschien soms zwaarder wegen dan het gezonde verstand bij het overleggen, bijsturen én afremmen van deze materie in de ontwerpfase.
Allé vooruit, nu nog een pasgeboren kalf proberen aan te geven, dan is die alvast weer legaal in ons bedrijf.

Luc Callemeyn

januari 30, 2009

De vliegveldboer

Ingedeeld onder: Pierre Michels — melkbrigade @ 12:00 am

Vorig jaar hebben ze naast mijn boerderij, dichtbij de stad Albert, een nieuwe luchthaven geopend. Die is een 220 ha groot, het landingsterrein beslaat zo’n 9 ha en is 2,2 km lang. Voorlopig landt er maar één vliegtuig per dag, dat wordt dan volgeladen met vliegtuigonderdelen en ’s avonds vliegt het ermee naar Toulouse, in Zuid-Frankrijk. Ik ben met mijn beide zonen een halve dag naar de lessen gegaan om kennis te maken met het interne reglement en met de radiozender leren om te gaan. Na de lessen hebben ze me een fluorescerend vest gegeven en een luchthavenpaspoort dat ik telkens bij me moet hebben.
Mijn eerste taak als boer is een grasveld van 30 ha rondom de landingsstrook te maaien, zodat de radiogolven niet vervormd worden en het vliegtuig op de juiste plaats landt. Dit jaar zat het er al bovenhands op. Bij het maaien moet ik in mijn tractor immers een radio om mijn nek dragen. Vanuit de toren roepen ze me dan op. Ze zeggen tweemaal je naam, meer mogen ze niet want alles wordt op band opgenomen. Toen ik hierop niet reageerde, kwam de brandweer me onmiddellijk halen, met loeiende sirene. Bij de directeur kreeg ik een hele tirade te horen en ik lag bijna buiten. Allez, ze hebben me nu een brandweerman als copiloot gegeven en al wat die hoeft te doen, is naar de zender luisteren.
Mijn tweede werk op de luchthaven gebeurt in de winter. Als de landingsbaan glad is, word ik betaald om ze te sproeien. Op de tarmac van de luchthaven mag geen zout gestrooid worden want dat zou het aluminium van de vliegtuigen aantasten, dus in de plaats wordt er alcohol gesproeid. Dat soort alcohol kost zo’n 300 euro per ha asfalt en het werkt soms maar een uur. Bovendien moet je dat sproeien tien minuten vóór het vliegtuig landt. De directeur van de luchthaven rekent lang vooraleer hij ons laat sproeien, want de landingstaks is voor een vligrtuig is ongeveer 1000 euro, en het sproeien kost 2700 euro – enkel voor het product dus zonder ons werk erbij te tellen. Meestal word ik om 6 uur ’s ochtends gebeld om met mijn tractor met sproeimachine naar de luchthaven te rijden. De automobilisten die mij volgen, zullen zeker denken dat ik getikt ben: een boer die zo vroeg, in de vrieskou gaat sproeien!
Mijn derde werk is sneeuw ruimen. Dat begint om 2 uur ’s morgens. Op mijn Valmet van 100 pk hebben ze een sneeuwblad van vijf meter breed gemonteerd. Ik heb het dit jaar voor het eerst mogen gebruiken. Ik begin van in het midden van de landingsbaan, met een schuin blad en ik moet meer dan 40 km per uur rijden. Het is het mooiste en plezierigste werk dat je met een tractor kunt doen. Na het sneeuw ruimen moet ik zo snel mogelijk ijsvrij sproeien, om dan naast het personeel bang af te wachten of het vliegtuig dat uit de wolken tevoorschijn komt niet van de landingsbaan zal glibberen. Wie er dan verantwoordelijk is, weet ik niet. Soms heb ik bijvoorbeeld enkele sproeidoppen die niet werken, over heel de lengte.
Voor het sneeuw ruimen en sproeien word ik betaald. Ik heb op de luchthaven eveneens op de vrije zones zo’n 60 ha gras mogen zaaien: 15 ha Engels raaigras waar ik hooi van maak en zo’n 45 ha Italiaans gras dat ik maai juist voor het zaad afvalt en waar ik voordroog van maak. Omdat die grond geëffend werd en het gras er zo arm is, kon ik het eerste jaar maar één snede oogsten. Het gras is uitstekend geschikt voor paarden. Het zou moeten vertrekken naar een Belgische afnemer, die het in pakjes van 5 kg steekt en het winkelklaar maakt.
Voor het gras heb ik mij volledig moeten uitrusten in materieel. Om te beginnen hebben de loonwerkers hier geen grasmaaiers; als ze dan toch een grasmaaier hebben, dan hebben ze geen toelating om op de luchthaven te komen. De dichtstbije vierkantepakkenwikkelaar was in België, hier zijn ze gewoon om ronde balen te maken. Daarom heb ik me een getrokken maaier van vijf meter aangeschaft, een schudder van vijftien meter en een autonome wikkelaar die pakken van twee meter maakt. Om 19 uur moet ik telkens de vlieghaven verlaten, daarom breng ik die voordroogpakken naar de boerderij, om ze daar ‘s nachts in te wikkelen. Dat zorgt ook voor minder schade aan de pakken.
Het is ongelooflijk hoeveel mensen van op de straat staan te kijken naar die grote schudder van 15,4 meter. Er is daar wel een groot probleem mee: als er ergens op 13 meter een paal staat, dan kan ik er niet langs.
Het hooi van 2008 kan ik aan een 80 euro handelsprijs en 110 euro particuliere prijs heel goed verkopen. De volgende jaren zal ik proberen om het hier lokaal te verkopen. Er zitten in mijn buurt ook paardenliefhebbers en maneges. Als het weer het toelaat, zal ik misschien in 2009 geen voordroog maken. Dat kost te veel en de cliënt ziet niet wat er in dat pak zit. Ik zie er een fiasco in. En bovendien is het gras van een vlieghaven – waar er zoveel wind is – niet hetzelfde als mijn natte weiden in Vlaanderen. Dat hooi kan niet anders dan drogen.
Het hooi van die luchthaven heb ik dus gratis, mits ik die 30 ha maai. Het kost mij enkel de meststoffen die ik erop strooi. Kon ik maar aan varkensmengmest geraken, dan was het allemaal winst. Dit jaar verlies ik er geld op omdat ik me die specifieke machines en de meststoffen moest aanschaffen. Ik hoop dat 2009 beter zal zijn, of anders ‘Vaarwel luchthaven!’
Pierre Michels

januari 23, 2009

De wonderen zijn de wereld nog niet uit

Ingedeeld onder: Sofie Vansteelandt — melkbrigade @ 12:00 am

Enkele weken geleden waren ook wij bezoekers van Agriflanders in Gent. Het is ongelofelijk hoeveel mensen je tegen het lijf loopt die deze welbekende Dagboekbijdragen lezen. Het doet enorm veel deugd om te horen dat het ‘Dagboek’ zoveel gelezen wordt. Het geeft me moed en doorzettingsvermogen, want de muze is soms ver te zoeken. Ik denk dat mijn collega-schrijvers dit kunnen beamen. Dus, aan allen die deze columns lezen: “Groetjes en bedankt”, en aan de anderen: “Je weet niet wat je mist!” (haha …)
Het laatste weekend van januari vindt er jaarlijks een landbouwbeurs plaats in de hallen van Roeselare. Dit jaar is dat het Land- en Tuinbouwsalon, een veel kleinere beurs maar eentje die spek is voor onze bek, eentje die meer op de tuinbouwers gericht is. Ook wij brengen deze beurs een bezoekje. Onze twee juniors weten steeds wat er in de weekends te beleven valt en waar. Ik denk dat de weekenduitstapjes vaste items zijn die op de speelplaats van de school worden besproken.
Dit jaar gaat er op de beurs wel een wonder geschieden. Ze zijn dus nog zeker de wereld niet uit! Witloofkwekers die zelf hun wortels telen, zijn vaste klanten bij Nunhems. Dit Nederlandse zaadhuis levert het grootste deel van het witloofwortelzaad aan de kwekers, want er worden hier nogal veel Nederlandse rassen gekweekt. Ook wij kweken deze soorten, ze passen het best bij onze grondstructuur. Enkele weken geleden sprong Ann, de vertegenwoordigster voor het witloof, bij ons binnen. Dat gebeurt geregeld omdat zij graag het reilen en zeilen op de bedrijven opvolgt. Wel, deze keer had haar bezoekje een pittig kantje. Zij zocht namelijk producenten die bereid zijn om tijdens de Land- en Tuinbouwbeurs voor de bezoekers groentjes (onder andere witloof) te bereiden en te presenteren. Eén aspect mag je wel niet uit het oog verliezen: mijn man is absoluut geen nieuwe man. Hij draagt in het huishouden zijn steentje bij, maar vraag hem niet om te kokkerellen. Dus doe ik een oproep aan alle bezoekers, breng een bezoekje aan de stand van Nunhems en steun mijn ‘Piet Huysentruyt.’
Wij hebben geen dieren op onze boerderij; wij telen alleen groenten, maar we hebben wel een groot hart voor dieren. Bij ons kun je twee poezen, een hond, twee sierhennen en zeven schapen vinden. Iedereen heeft zijn plaatsje gekregen. De ene huisvest zich in huis, de andere in onze boomgaard enzovoort. Maar verleden week is er eentje bijgekomen: Isaura. Al jaren droom ik van een ezeltje en dit jaar is het wonder geschied. Ik was al een volledig jaar intens op zoek, maar steeds vond ik de geschikte kandidate niet. Met andere woorden, Isaura is mijn verjaardagsgeschenk van verleden jaar. Ik kreeg een budget van mijn schoonouders voor een verjaardagscadeau dat ik zelf al lang wou, maar nog niet had gevonden. Dit was de bijhorende boodschap in de omslag. Ik hoefde niet lang na te denken; het antwoord was mijn ezelinnetje. Vorige vrijdag is zij gearriveerd, ik werd de trotse pleegmama van Isaura. Het is fijn om haar in de weide te zien lopen, om haar te horen balken en ze heeft al een volledige omheining samengebalkt!
De witloofteelt heeft een jaar achter de rug dat we graag vlug zouden vergeten; een jaar van slechte marktprijzen, van te veel produceren, van te weinig afzet, kortom een rotjaar. Maar je mag niet bij de pakken blijven zitten, het verstand op nul en verder werken. Iedere kweker begon dit jaar met een klein hartje te telen, je weet maar nooit! Maar de vriesman heeft het tij doen keren. De consument grijpt in koudere tijden vlugger naar onze groente. Het klinkt misschien raar, maar toch is dit de bittere waarheid. Voor ons mocht dit koude weer nog wat aanhouden. De laatste donderdag van de winterprik ben ik meegegaan naar de veiling; nadien hadden we een afspraak in de school van onze jongens voor het alom bekende oudercontact. Wel, wat ik in de veiling heb gezien, grenst aan het ongelofelijke. Wat er daar aan prei wordt verhandeld, is niet te schatten. Je zou er bijna aan claustrofobie gaan lijden. Links en rechts en achter en voor waren er allemaal tractoren met aanhangwagens volgeladen met prei. Die dag hadden ze 700.000 kg prei aangevoerd. En wij zaten daartussen met onze auto en aanhangwagen met witloof.
Als je hoort welke bedragen er in de land- en tuinbouw worden geïnvesteerd, stemt dit niet tot nadenken? Wordt er gewerkt om te leven of leven sommigen om te werken misschien? Het is een keuze, maar daarom hoeft de kleinere teler toch niet van de markt geduwd te worden. Onze week telt ook zeven dagen, maar de zevende dag blijft toch – op enkele uitzonderingen na – een rustdag. Het is een dag waarin mijn gezin op de eerste plaats komt!
– Sofie Vansteelandt

januari 16, 2009

2009, Krijgen doe(m)denkers gelijk?

Ingedeeld onder: Henk van Beek — melkbrigade @ 12:00 am

Stoppen, hiermee beëindigde Boerenbondondervoorzitter Peter Broeckx zijn toespraak tijdens de ontmoetingsdag voor de bestuursleden van de kringen Fruitteelt, Tuinbouw en het AVBS. Het is volgens mij erg moedig om stoppen als laatste alternatief te vermelden, en dan eveneens te verwijzen naar de vzw ‘Boeren op een Kruispunt’. Mijn persoonlijke lijfspreuk ‘Niemand heeft ooit gezegd dat het gemakkelijk zou zijn’, past ook wel in dit verhaal. Waarom wil ik hiernaar verwijzen bij het begin van een nieuw jaar, wanneer vaak allerlei wensen van succes en geluk ons bereiken? Omdat stoppen toch ook vaak een nieuw begin betekent, wens ik als eerste iedereen die hiermee geconfronteerd wordt een mooi, nieuw begin en gemoedsrust toe in 2009.
Ik wil in dit ‘Dagboek’ graag even stilstaan bij het verloop van die ontmoetingsdag, op 28 november in de Boerenbondkantoren in Leuven. Het was volgens mij in elk geval een erg geslaagd initiatief om alle bestuursleden van de kringen Fruitteelt, Tuinbouw en AVBS de gelegenheid te geven om een bezoek te brengen aan het hoofdkantoor. In de voormiddag werden we verwelkomd met koffie en koeken. De Vlaamse tuinbouwthema’s werden gesitueerd, we maakten kennis met de situatie binnen de drie kringen en kregen een actueel overzicht van het gewasbeschermingsdossier. Bij de middagpauze waren er lekkere soep en broodjes; we namen de gelegenheid te baat om kennis te maken met andere aanwezigen. In de namiddag kregen we een rondleiding door het Boerenbondgebouw. Nu ben ik wel geen kenner van architectuur, maar het zag er mooi uit. Laat ik het omschrijven als ‘ons glazen huis’, met toch ook opvallend veel jonge mensen aan het werk, een open sfeer van ‘U vraagt, wij draaien’. Ook hier werkt men aan onze toekomst en aan die van de volgende generatie. Zo bleek ook dat Boerenbond meer is dan je zou denken. Deze kantoren huisvesten meerdere deelorganisaties: Innovatiesteunpunt, Landelijke Gilden, de redactie, de consulenten Vlaams-Brabant enzovoort. Het gebouw is ook voorzien van alle moderne faciliteiten, vergaderruimtes, een daktuin … Werkelijk de moeite om te zien. De rondleiding zelf eindigde op de bovenste verdieping, bij de top van de Boerenbond.
Na de rondleiding volgde een ontmoeting met algemeen secretaris Sonja De Becker, ooit in de media omschreven als één van de machtigste vrouwen in België – niettemin een charmante en welbespraakte verschijning. Ook onze ondervoorzitter Peter Broeckx was aanwezig, en iedereen die Peter al heeft ervaren tijdens vergaderingen is vol lof. Het verdient dan ook alle respect dat iemand van onder ons dergelijke moed en kundigheid aan de dag weet te brengen om de taak van ondervoorzitter met glans te vervullen. Afwezig was onze voorzitter Piet Vanthemsche, omdat hij met de G10 aan het onderhandelen was en onze belangen verdedigde bij het interprofessionele akkoord.
De volgende nieuwjaarswens van onze voorzitter wil ik graag nog een keertje meegeven en volmondig beamen: “We moeten op een verstandige manier blijven investeren in onze bedrijven, in onderzoek en ontwikkeling, in nieuwe afzetmarkten en in talent.” Ik wens ook proficiat aan al de medewerkers en consulenten van de Boerenbond, voor deze leerrijke en leuke ontmoetingsdag.
Nieuwjaarsnacht was ook voor mij een feest, met vooral muziek, drank en veel volk, in een omgeving waarvan ik soms wel eens wens dat die niet de mijne was. Maar aanvaarden is ook iets wat vooral een toekomst kan maken. Zorgen dat je verder leeft en situaties optimaal benut. Dit ‘aanvaarden’ zal wat mij betreft ook van toepassing moeten zijn in veel dossiers naar de toekomst toe. Natuurlijk moeten we niet blindelings en zonder strijd zomaar alles aanvaarden wat men ons voorschotelt. Laat ik als voorbeeld het dossier ‘Afbakening macrozone glastuinbouw Hoogstraten’ nemen. Indien al onze sectoren niet op korte termijn kunnen aanvaarden dat er duidelijkheid moet komen in de afbakening, met kansen op overleven voor alle sectoren, dan zijn er géén toekomstperspectieven voor de twee volgende, nieuwe generaties. Ik zou zeggen: maak je huiswerk maar eens goed en kijk wat er mondiaal gebeurt op vlak van de agrosector. Ik schrik daarvan.
De dag voor oudejaar was voor mij ook het einde van een generatie. Oma, 88 jaar oud – mijn laatste grootouder nog in leven – heeft ons toen verlaten. Na een lang en mooi leven naast opa (ook een boomkweker, die stierf in 2001) gleed haar levenslust langzaam weg. Het blijft raar wanneer er een generatie verdwijnt, maar we hebben er vrede mee. Ook dat is weer een kwestie van aanvaarden.
En nu dus 2009. Alweer een nieuw jaar, wat gaat dat snel! Natuurlijk horen daar goede voornemens bij en vooral uitdagingen die voor ons liggen. Voor mezelf misschien de vlucht naar het zuiden of het noorden, misschien ‘Boer zkt …’, misschien gaan voor de productie van artisanaal groen. Of heel misschien blijft alles wel gewoon bij het oude. Ook dat is nog niet zo slecht. ‘Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder’ ook in 2009.
– Henk van Beek

december 19, 2008

De stille Kempen

Ingedeeld onder: Marcel Heylen — melkbrigade @ 12:00 am

Deze periode van het jaar – met korte, koude en mistige dagen – zet aan om eens terug te blikken op het voorbije jaar. Ik ga hier echter geen opsomming geven van dalende opbrengsten en stijgende kosten voor de boer, want dat ondervinden jullie zelf dagelijks op jullie eigen bedrijf. Wat mij vooral treft als ik het afgelopen jaar overloop, is dat de boer en tuinder van een producent van het levensnoodzakelijke voedsel – die hij in het begin van 2008 nog was – weer geëvolueerd is naar een noodzakelijk kwaad in de ogen van vooral de politieke overheid. En dan denk ik aan enkele dossiers hier in onze regio, de Antwerpse Kempen. Het dossier ‘Rooiveld’ in Westerlo is hier een sprekend voorbeeld van.
Ik schets in het kort even de situatie. Het provinciebestuur van Antwerpen wil een permanent crossterrein voor motoren, 4X4 auto’s en quads inrichten, pal in het midden van een van de weinige grote aaneengesloten landbouwgebieden die onze regio telt. Het heeft daarvoor 20 hectare landbouwgrond op het oog die in een herbevestigd agrarisch gebied (HAG) liggen. Als je weet welke moeite het ons als landbouwsector gekost heeft om tijdens de afbakening van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen in de Regio Neteland de vooropgestelde 66 procent HAG te realiseren, kan je dit soort plannen niet anders interpreteren dan als een regelrechte kaakslag voor de boeren. Want waar blijf je met je geloofwaardigheid als politiek verantwoordelijke, als goedgekeurde plannen die voor rechtszekerheid bij de boeren moeten zorgen, al naar de prullenmand verwezen worden voor de inkt opgedroogd is. Het opvallendste in dit dossier is wel dat de CD&V-meerderheid in Westerlo – met toch een aantal leden van de landelijke beweging onder haar gemeenteraadsleden – dit project een gunstig advies gegeven heeft, ondanks hevig protest van de betrokken boeren.
Uit heel dit dossier blijkt dat landbouwgrond in de ogen van deze politieke beleidsmensen gewoon naar eigen goeddunken aangeslagen kan worden voor allerhande grondverslindende projecten. Dit staat toch wel in schril contrast met de manier waarop men met natuurgebieden omgaat. Als er ergens een stukje natuur moet verdwijnen voor andere doeleinden, dan moet dat ruimschoots gecompenseerd worden met andere grond. Grond die men dan – hoe kan het anders – gaat afnemen van de landbouwsector. Kortom, de landbouwgrond is in Vlaanderen de grondreservebank voor alle sectoren.
De realisatie van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen werd destijds voorgesteld als een middel om de 750.000 ha landbouwgrond waar de sector recht op had, te vrijwaren. Als we, ondertussen meer dan tien jaar later, zien waar we nu staan, dan is het voor iedereen met een beetje gezond verstand duidelijk dat aan het einde van het verhaal alle sectoren – van industrie- tot recreatiegebieden, natuur- en bosgebieden enzovoort – de vooropgestelde oppervlaktes zullen krijgen en dat de landbouwsector met het overblijvende gebied tevreden zal moeten zijn. Een oppervlakte die heel wat kleiner zal zijn dan de vooropgestelde.
Een ander dossier dat in onze regio de gemoederen beroerde, is Bio-Kempen. Een groep varkenshouders uit de omgeving van Geel kocht in het voorjaar van 2008 de gebouwen en omliggende grond van een failliet varkensbedrijf met de bedoeling er een mestverwerkingsinstallatie te realiseren. Hoewel het bedrijf in het agrarische gebied gelegen is, kwam er heel wat tegenkanting van buurtbewoners. Aangezien er in deze regio zeker behoefte is aan mestverwerking, kon het project rekenen op een positief advies van de gemeentelijke landbouwraad. Maar het schepencollege van Geel heeft dit positieve advies naast zich neergelegd. Ook al zijn een meerderheid van het schepencollege én de burgemeester lid van de fractie van de landelijke beweging binnen CD&V, toch gaven zij aan de provincie een negatief advies.
Gelukkig besefte de provinciale overheid in dit dossier dat men om een omelet te bakken eieren moet breken en ze verleende een milieuvergunning. Het is toch wel opmerkelijk dat ministers van CD&V pleiten voor meer mestverwerking en dat de plaatselijke mandatarissen dit tegenover de landbouwsector volledig beamen, maar … dan niet in hun eigen gemeente.
Ik heb de indruk dat er heel wat uit te leggen zal zijn bij de Vlaamse verkiezingen in juni 2009 en dat er veel overtuigingskracht aan te pas zal komen om de potentiële CD&V-stemmen uit de landbouwsector binnen te halen. Want ik kan je verzekeren dat er onder de boeren heel wat twijfel gerezen is over de loyaliteit van de mandatarissen die vóór de verkiezingen uitgesproken boerengezind zijn maar dat blijkbaar vlug vergeten eens de stemmen binnen zijn.
Ik wil mijn Dagboek graag besluiten met iedereen prettige kerst- en eindejaarsfeesten toe te wensen en voor 2009 een goede gezondheid en een voorspoedig boerenjaar.
– Marcel Heylen

december 12, 2008

Laat ons een bloem en wat grond om te boeren

Ingedeeld onder: Kris Van der Velpen — melkbrigade @ 12:00 am

Het is blijkbaar een nieuwe trend om op alle mogelijke manieren onze land- en tuinbouw in zijn groei te beperken. Je hoort geregeld over wijzigingen van het gewestplan, uitbreiding van kmo-zones, habitatrichtlijnen en noem maar op. Soms is het net of ze ons het beetje landbouwgrond dat ons nog rest proberen te ontfutselen en daarvoor allerlei trucjes gebruiken. Als er morgen een of andere vogel in je boomgaard of weide komt nestelen, kan je die beter stiekem naar het nabijgelegen natuurreservaat dragen want anders heb je een habitat aan je been en dan kan je ervan op aan dat je de komende jaren dat beestje niet mag storen in zijn activiteiten. Zo hoop je ook maar dat er niet al te veel bedrijven zich in je gemeente willen vestigen, want anders krijg je een industrie- of kmo-zone naast je deur, of op zijn minst de bufferzone ervan. Als je het ‘geluk’ hebt dat je met je grond naast een natuurreservaat ligt, dan weet meteen ook het hele groene gebeuren in je streek alles wat je doet op het vlak van bemesting en bespuitingen op je gewassen. Nu ben ik wel niet tegen een gezond natuurbehoud, maar de jongens van natuurpunt doen hun zaak als hobby en wij moeten van onze zaak kunnen leven – en dat vergeten die mensen wel eens.
Een tweede, voor ons grotere beperking is de nieuwe gewasbeschermingsrichtlijn die op til is vanuit Europa. Als die mensen hun zin krijgen, blijven er enkel producten over die ontoereikend zijn om fatsoenlijk fruit te kunnen telen. Natuurlijk wordt de soep nooit zo heet gegeten als ze opgediend wordt, maar meestal zijn we toch geen winnaar als er zulke voorstellen op tafel komen. Ik vind het heel erg dat we na twintig jaar investeren in millieubewuste teelt zoiets op ons dak gaan krijgen. Hoeveel inspanningen hebben we niet gedaan om tegen ziektes de minst schadelijke producten in te zetten? Hoeveel nuttige insecten zijn er niet gespaard gebleven dankzij selectieve middelen? Het is zelfs een feit dat de torenvalk en andere roofvogels teruggekeerd zijn na jarenlange afwezigheid, dat moet toch het bewijs zijn dat we geen gifmengers meer zijn – zoals sommige fanatiekelingen ons ten onrechte nog altijd afschilderen. Het ergste in zulke zaken is dat we als enkeling weinig verhaal hebben tegen dit soort beslissingen. Gelukkig volgt de Boerenbond het hele gebeuren wel goed op en houdt ons proefcentrum de zaak ook wel in de gaten. Gelukkig maar, want anders zijn we gedwongen om terug te keren naar de hoogstamboomgaard, waar de schaapjes en de koetjes wel rustig kunnen grazen maar waarvan driekwart van de appels onverkoopbaar is.
Het verkoopbaar zijn van de appels lijkt trouwens dit jaar ook niet zo vanzelfsprekend. Nu is het de productie in het voormalige Oostblok die ons parten speelt. Zelf denk ik dat ook de huidige economische situatie een belemmering is om een vlotte export te garanderen. Soms vraag ik me af of het in het oosten nog wel allemaal zo goed gaat, zeker als je ziet dat we ons in Rusland moeten verantwoorden voor alles wat we aan ons fruit gedaan hebben. Als je dan nog verder oostwaarts gaat, doen ze nog moeilijker over fytosanitaire en teelttechnische maatregelen. Gaat het in die landen wel allemaal zo goed als men ons altijd wijsgemaakt heeft? Of spelen er andere factoren mee, waar wij als gewone fruitboer zelfs nog geen weet van hebben? Gelukkig moeten we het allemaal niet te diep in ons hoofd steken zolang we op financieel vlak niet al te veel geremd worden; want als je aan de mensen hun centen zit, krijg je al wat vlugger commentaar. Als alles goed gaat, hoor je niemand en als het een dag wat minder goed gaat, zit iedereen op je kop. Dat is ook zeer logisch, want tenslotte werken we hard genoeg om ons brood te verdienen en dan moet er niemand de korstjes komen afknabbelen.
Ach ja, het is wel altijd wat in onze sector. Ik ben nu achttien jaar fruitteler en ik hoor al evenveel jaren geklaag links en rechts. Waarschijnlijk zal dat ook de komende jaren nog zo zijn, maar ondanks alles blijf ik toch een mooie stiel hebben. “En de boer hij ploegde voort”, zegt men dan gewoonlijk.
Langs deze weg wens ik ook al de lezers van mijn dagboek alvast fijne en vreugdevolle eindejaarsdagen toe.
– Kris Van der Velpen

december 5, 2008

Sinterklaas kapoentje

Ingedeeld onder: Luc Callemeyn — melkbrigade @ 12:00 am

Het zal wel een toeval zijn, maar precies twee jaar geleden mocht ik hier ook het ‘Dagboek’ brengen rond de tijd van Sinterklaas. Wie het nog eens wil nalezen kan dit op www.mijndagboeken.wordpress.com. Ik had het daar in mijn Sinterklaasbrief over een serieuze Piet die een paar maanden voordien uit de lucht gevallen was. U moet niet twijfelen, ik had het toen over onze voorzitter Piet Vanthemsche. Aanvankelijk werd hij door de boeren met behoorlijk wat argwaan bekeken, maar als ik vandaag in Boer&Tuinder lees waar hij allemaal mee bezig is, dan denk ik dat hij op de goede weg is. Niet in het minst heeft hij de begrippen ‘economisch boeren’ en ‘open ruimte voor landbouw’ weer in het spotlicht gezet. Het kan natuurlijk nog beter. Zo wacht ik nog met spanning op de dag waarop hij net zoals Dina Tersago in Boer zkt vrouw over de Boerenbondleden zal spreken als over “mijn boeren”. Voorzitter, dan kom ik op Agriflanders wel een pint met u drinken.

Een paar weken geleden hadden wij hier dan een stagiaire. En niet zomaar één, maar wel een ambtenaar van het ministerie van Landbouw. Ik heb namelijk wel eens in een ‘Dagboek’ geschreven dat ik vond dat nieuwe ambtenaren op landbouwdiensten maar eens op stage moesten op een écht landbouwbedrijf. Het kan niet anders of onze toenmalige minister van Landbouw Leterme moet dit gelezen hebben. Het is nu een voorwaarde geworden dat wie nieuw is op een landbouwdienst binnen het jaar na indiensttreding een paar dagen moet meelopen op een actief bedrijf.
Onze (supervriendelijke) stagiaire heeft zich uitstekend aan haar taak gehouden. Ze was hier net toen wij de maïs aan het hakselen waren. Aangezien het haar doel was om zoveel mogelijk mensen te spreken die met landbouw bezig zijn, zag ik haar van tractor naar tractor overstappen en ze reed zelfs een hele tijd met de hakselaar mee. Daar had de chauffeur wel plezier in! Maar ook in de kaasmakerij en de zuivelbereiding werkte ze mee, zelfs in de verkoop. De reden was dat er dikwijls veel vragen zijn rond de haalbaarheid en de wenselijkheid van bepaalde projecten op de hoeves. Ik ben er dan ook van overtuigd dat dit een prima actie is om te velde van de sfeer te proeven. Zo zie je als ambtenaar ook eens dingen die je van op je bureau niet kan inschatten. Ik kijk zelfs met spanning uit naar het uitgebreide verslag van deze driedaagse aflevering van “Ambtenaar zkt Boer”.

Over controleurs heb ik het hier ook wel al gehad. En het was in de controle net iets drukker dan andere jaren deze zomer. Eerst hadden wij iemand van de VLM die kwam kijken naar onze waterteller. Ja hoor, gewoon kijken was genoeg. En natuurlijk de meterstand (na tien jaar) eens opnemen, de meter voorzien van een loodje (stel je voor dat ik zou gaan frauderen!) en dan nog met de gps de positie van de boorput bepalen. Liegen kan dus niet meer.
Op een mooie herfstdag kwam hier ook een controleur langs om mijn nieuwste loods op te meten. Ook allemaal met vernuftige gps-apparatuur natuurlijk. Neen, ik moest geen meterlintje helpen vasthouden. Ik denk dat deze controleur ondertussen ook de taak had om eens te kijken of die loods daadwerkelijk een landbouwgebruik had en geen caravans of bouwmaterialen huisvestte of zelfs een stokerij of een cannabisplantage. Het schijnt dat dit allemaal meer geld opbrengt dan zuiver landbouw. Neen, bij mij dus gewoon machines en stro. Mij leek het allemaal niet zo nuttig, maar ik denk dat de controleurs wel doorzeggen aan elkaar dat de koffie hier klaarstaat (voor wie zich eerst wil aanmelden).
Op een maandag viel hier een aangetekende brief in de bus van onze btw-controleur dat hij ons vier dagen later op vrijdag een bezoek wilde brengen, omdat wij zo buitensporig veel btw terugvorderden. Alles klaarleggen van facturen, verkoopboeken, aankoopboek, dagontvangsten, bestelbonnen, plannen, bestekken en offertes van de bouw, personeelsregister en bankuittreksels – en dat van twee jaar ver. Onze haren kwamen recht bij het lezen van al dat fraais. Onze boekhouder Bart stelde ons gerust, de soep wordt niet zo heet gedronken als ze wordt opgediend. En dat was ook wel zo, maar heel gerust hebben we die week toch niet geslapen. Achteraf gezien hebben we meer over de boerderij en de marktverkoop gepraat en over de plannen voor ons nieuwe project dan over iets anders, en de controle van de aankoopfacturen viel al bij al wel mee.
Ook de staalnemer van de Mestbank is langsgeweest omdat wij verleden jaar met 130 kg nitraatresidu veel te hoog zaten, het resultaat was nu 93. De Mestbank zal zeggen: “Dat is net 3 te veel” Ik zou erop zeggen: “Niet slecht gewerkt, dat is toch al 30 procent minder!” Als je op de snelweg 3 km te snel rijdt dan krijg je 25 euroboete. Ik vrees dat deze overtreding mij dit jaar weer honderden euro’s zal kosten.

Ik vrees dat ik vrijdagavond wel weer mijn schoen zal moeten zetten voor de Sint.

Luc Callemeyn

november 28, 2008

Het verhaal van Bronfay

Ingedeeld onder: Pierre Michels — melkbrigade @ 12:00 am

Het is nu negentig jaar geleden dat er een einde kwam aan de ‘Grote Oorlog, die later de naam ‘Eerste Wereldoorlog’ kreeg. Vandaag beschrijf ik in mijn dagboek – vooraleer het vergeten raakt – wat ik daar nog van ondervind en hoe mijn voorganger deze boerderij weer opgebouwd heeft.
Henri Salvaudou, een jonge Zuid-Franse boerenzoon, startte hier zijn bedrijf bij het begin van de oorlog; het lot wilde dat hij vier jaar later hier – op dezelfde plek – zijn laatste vriend die overbleef en die aan het doodbloeden was, over zich heen heeft getrokken om te ontsnappen aan een Duitse bajonet. De oorlog heeft toen nog drie maanden geduurd. In mijn huis – dat tijdens de oorlog als eerste verzorgingspost diende voor het Engelse en soms het Franse leger – zijn minstens 537 gewonde Engelse soldaten gestorven. Die liggen nu begraven aan de overkant van de straat.
De jonge boer leende van zijn familie het nodige geld om het huis gedeeltelijk op te knappen en trok er met zijn jonge bruid in. Na de oorlog bestond de boerderij uit twee eenheden: een schapenboerderij en een koeienboerderij van 60 melkkoeien en 348 ha land. Toen de Duitse herstelbetaling aankwam, bouwde hij een koestal van 1000 m2, twee stroschuren plus schapenstal van 1200 m2 en een hooischuur van 600 m2. Hij verbreedde en verlengde het huis en bouwde er nog een bovenverdieping op voor de tientallen knechten die op de boerderij werkten. Die knechten waren zo enthousiast over hun mooie kamers met radiatoren en warm water, dat ze niet naar huis wilden. Als deel van zijn oorlogschadevergoeding kreeg hij ook een Duitse vrachtwagen. Die heeft hij met zijn werklvolk gedemonteerd en opnieuw gemonteerd, alleen om te weten hoe het ding werkte. Je moet wel voor ogen houden dat ze die grote oorlog te paard gestart waren en dat ze hem mechanisch eindigden.
Als ze in de zomer op hun eerst geëffende velden een enorme wildgroei van distels opmerkten, wisten ze meteen dat er daar vochtige soldatenlijken onder de grond zaten. Ieder jaar slaagde hij erin om met zijn knechten en zijn paarden zo’n 10 ha grond te effenen en weer in cultuur te brengen. Soldatenkelders timmerden ze dicht met hout en vulden ze op met aarde. Kleine bomtrechters vulden ze op met harde cement in jute zakken, dikke balken en alle rommel die ze tegenkwamen. Met de prikkeldraad die soms diep in de grond verstrengeld was geraakt, hadden ze het meeste werk. Beneden aan de hoeve had er een smalle munitiebevooradingstrein gereden. Daar bouwde hij nu een loskaai om zijn 80 hectare suikerbieten af te voeren naar de suikerfabriek in Dompierre.
Achteraan ons huis was er een enorm diepe mijnput, waar de jonge boerin elke dag vers regenwater ging halen om hun maaltijden mee te bereiden. Toen ze na enkele jaren haar knechten de put liet dieper maken omdat er niet meer genoeg water in de put zat, stootten die tot hun ontsteltenis op een paardenlijk! Ze hadden de smaak of de geur van het water nooit verdacht gevonden en waren er ook niet ziek van geworden.
Omdat er tijdens de oorlog geen wild afgeschoten was, had de boer de volgende jaren maar een half uur nodig om vijf hazen te schieten en hij kon met gemak zo’n vijftig vossen per jaar bejagen. Jammer genoeg is hij failliet gegaan in de jaren dertig, en zo heeft mijn grootvader deze hoeve dan kunnen kopen.
Ik kom vandaag de dag nog steeds 1 à 2 bommen per jaar tegen, soms 1 meter hoog en 200 kg zwaar, die werden afgeschoten door scheepskanonnen die op treinwagons gemonteerd waren. Toen we deze zomer met een hydraulische machine de kalkachtige bovenlaag aan het afgraven waren, kwamen de voeten, benen, heup en daarna de borstkas – verder beschrijf ik het niet – van een mooie, jonge, gewapende, Franse soldaat tevoorschijn die met helse pijnen gestorven moet zijn. Hij lag in foetushouding, net alsof hij in zijn moeders buik zat. En op nog geen tien meter daarvandaan lag een Duitse soldaat, in uitgestrekte houding, met zijn ogen naar de hemel gericht. Aan zijn heup hing zijn lederen kogelhouder, waar zeker nog honderd geelblinkende kogels in zaten, doorboord door andere kogels. Bij ons in die kalkgrond roesten ijzer en koper veel minder dan in leemgrond; leemgrond roest op zijn beurt weer minder dan zandgrond.
Niet ver van mijn huis ben ik per ongeluk op een heel lange loopgraaf gestoten. Die was gevuld met Franse wijnflessen, maar er lagen ook Engelse Schweppesflessen waar de naam in het glas gegoten is. De onderkant van de fles eindigde op een pin zodat je ze kon vastzetten in de loopgraven. Ik vond er ook potjes kaviaar uit Astrachan en inktpotten.
Omdat de eerste 32 tanks van mijn bedrijf vertrokken zijn, heb ik ook een rupsschoen van zo’n tank gevonden. Jammer genoeg heb ik die aan een souvenierjager weggegeven. Dat doe ik nu niet meer; ik houd nu alles zelf bij.
Er komen nu meer en meer Engelse en Franse kinderen kijken naar de oorlogsvelden van hun grootvaders. De laatste jaren werden er veel musea bijgebouwd, er was zelfs ooit sprake van dat mijn boerderij omgebouwd zou worden tot een museum. Daar zou ik me wel fel tegen verzetten, nu ik meer en meer de geschiedenis van de Bronfay ken – de Bron van België, met aan de overkant de Kaap van Frankrijk of Cappy. Het was vroeger een prinsendom net als Monaco en Liechtenstein, die ook aan de rand van een land liggen.
Op het internet zijn er 280 sites die over mijn boerderij spreken; je vindt er ook 2 sites over de Romeinse villa die er vroeger stond. Zoek maar eens waar koning Clovis, de heerser van Europa, woonde en je komt bij mij terecht. Officieel woonde hij in Soisson, de wapenstad, maar de werkelijkheid was anders. Clovis was die koning die na zijn dood Europa verdeelde onder zijn vier zonen. Wij zijn geen klein volk!

– Pierre Michels

november 21, 2008

De maand november

Ingedeeld onder: Sofie Vansteelandt — melkbrigade @ 12:00 am

November is traditiegetrouw een zeer drukke maand. Wel, deze keer is het precies hetzelfde scenario. We hadden wel geluk want de weergoden bleven ons redelijk gunstig gezind. Tijdens deze maand rooien we alle witloofwortelen die nog groeien op het veld, om ze dan te stockeren in koelcellen totdat we ze intafelen; met andere woorden, dit is een extra klus die geklaard moet worden. We hebben dit keer goed kunnen doorwerken, zodat we bijna klaar zijn. Het blijft steeds een grote opluchting als de koelcellen bijna propvol erbij staan. Dat geeft namelijk werkzekerheid voor het komende jaar – of ook ons inkomen verzekerd is, weten we natuurlijk niet want dat hangt af van de hoeveelheid bruikbare wortels. Gelukkig hadden we onze zelfgeteelde wortels al gerooid toen die beruchte regennacht voorbijtrok. Er viel maar eventjes 53 liter per vierkante meter. West-Vlaanderen werd het ergste getroffen. De Waalse boer die ook wortels voor ons kweekt, had het veel beter getroffen. Daar viel maar zeventien liter en hij kon zijn werkzaamheden onafgebroken voortzetten. Met een beetje geluk zullen onze wortels eind deze week binnen zijn en dan kunnen we met een gerust hart de poorten dichttrekken.
November is ook de maand waarin we al onze suikerbieten rooiden. We hebben inderdaad ons quotum kunnen behouden. Verleden jaar liepen we er wat teleurgesteld bij, omdat we ons quotum niet konden verkopen; maar aangezien de graan- en maïsprijzen gekelderd zijn, zijn we toch nog tevreden dat we onze bieten behouden hebben. Wat moet je nu nog telen? Er is wel één minpunt aan deze situatie: onze bieten worden pas in de laatste week van de campagne afgehaald. We hebben leveringsbonnen die gelden vanaf Kerstmis, maar er doen al geruchten de ronde dat er wel wat weken zullen bijkomen. We hebben nog nooit bieten gerooid die zolang blijven liggen, maar we kunnen nog steeds de wetten der natuur niet tegenhouden. Ofwel moet je bereid zijn je land te laten vermorzelen, waarvoor we toch nog bedanken. Intussen is de tarwe ook gezaaid.
November is ook de maand van afscheid nemen. Traditiegetrouw brengen we op Allerheiligen een bezoek aan de graven van onze dierbaren. Het is dus steeds een dag van een beetje rouwen en een beetje afscheid nemen. Mijn vader is twee jaar geleden gestorven en mijn broer dertig jaar geleden. Na het bezoek aan het kerkhof, brengen we de dag door bij mijn moeder en de familie. Het blijft steeds een blij weerzien bij een kop koffie en een stukje zelfgebakken taart.
Ik heb opnieuw een stukje herinneringen aan mijn vader moeten laten varen. Hij was een man uit een landbouwersfamilie, met als gevolg dat die boerderij nog in onverdeeldheid was – zoals we dat noemen. Maar nu zijn alle percelen verkocht. Toegegeven, ik mag niet ondankbaar klinken aangezien alles nu verdeeld wordt. Het gaat mij wel niet zozeer om het geld, maar om de vele herinneringen die ik bij deze percelen koester. Ik heb toch enkele dagen nodig gehad om deze gebeurtenissen een plaatsje te geven Er werd nogmaals een draadje verbondenheid doorgeknipt!
Het werd ook de maand waarin we lazen dat Lut De Bruyne voor de REO Veiling gaat werken. Geloof me, deze nieuwsflash kwam als een donderslag bij heldere hemel. We waren zo gewoon om haar wekelijkse bijdrage in de Boer&Tuinder te lezen. En wij, dagboekschrijvers, ontmoeten haar bij ons jaarlijkse etentje. Het zal onwennig zijn als zij er niet meer bij is. Maar voor ons zal het zeker nog niet gedaan zijn. Ze nadert onze contreien, want ze wordt communicatieverantwoordelijke. Ze volgt bij de REO Veiling Ann Van Nieuwenhove op. Ann heeft een zeer zwaar verkeersongeval gehad en is nu volledig verlamd. Onlangs kon je in de Weekbode lezen hoe een sterke, zelfstandige vrouw afhankelijk werd van veel hulpverleners en vrijwilligers.
Maar we eindigen deze maand met een hele blije gebeurtenis: mijn schoonouders vieren hun gouden huwelijksjubileum. Mijn schoonmoeder heeft een hels jaar gehad, met chemotherapie die zorgde voor veel ellendige dagen, maar ze heeft alles goed doorstaan en ze herstelt goed. Zo zie je maar, het leven heeft zijn negatieve maar zeker ook zijn positieve kanten en we grijpen ze met beide handen vast. We zijn zeer dankbaar dat mijn schoonmoeder een nieuwe kans krijgt. Dus laat het feest maar beginnen!

– Sofie Vansteelandt

november 14, 2008

Vogels met hoogtevrees

Ingedeeld onder: Henk van Beek — melkbrigade @ 12:00 am

Het moet zowat half de zomervakantie geweest zijn toen Blijke (mijn petekind, 6 jaar), kwam melden dat er een zieke vogel op de grond zat in de loods. Gezien we druk in de weer waren met de werkzaamheden, vroegen we vluchtig wat die vogel dan mankeerde. “Ik denk dat die hoogtevrees heeft”, antwoorde Blijke. Wij volwassenen vonden dat wel grappig en lachten het weg met te zeggen dat dat niet kon. Boos antwoorde Blijke, met de voet stampend op de grond, dat we haar niet mochten uitlachen en dat een vogel wel hoogtevrees kon hebben. Met een nors gezicht ging ze dan maar terug naar de loods.
Nu ik dit schrijf, is het zondag 2 november, en het lijkt of er geen einde komt aan de nazomer die ik wenste. Onze sector heeft nood aan nachtvorst, zodat de bomen, het bos- en haagplantsoen zich kunnen verlossen van hun bladeren. Vooral voor de verhandeling van bomen met kluiten of planten die verkocht worden met blote wortel, is het belangrijk dat deze planten in rust zijn en vrij van bladeren. Maar wat zie ik in mijn eigen tuin? De rozen staan nog in bloei, een witte Agapanthus (Afrikaanse lelie) geeft een tweede maal bloemstelen en ook mijn platanen en dakmoerbeien weigeren hun bladeren mee te geven met de wind. Ik mis ook een beetje de intense herfstverkleuringen in het landschap, al staan er enkele lariksen in de tuin die geel, oranje, bruin verkleuren. Herfst dus, vallen van het blad, koudere temperaturen … en een stabiele economie, die onder onze voeten wegvalt.
Gisteren – 1 november – was het dus Allerheiligen. Nadat ik in 1990 voor de eerste maal één van mijn grootouders verloor, had ik de gewoonte om ook net als vele anderen het graf van opa (Vava) te voorzien van een grafstuk. Om een of andere reden doe ik dat al vele jaren niet meer, zelfs een bezoek aan het kerkhof lijkt mij nu zinloos – al heb ik alle respect voor iedereen die deze traditie wel in ere houdt. Hoe ga ik dan om met alle dierbaren die ik al verloren ben? Ik zie ze vaak terug in zoveel dagelijkse dingen, maar met Vava heb ik iets speciaals.
De eerste zes jaren van mijn leven woonden we met ons gezin in bij Moemoe en Vava, om zowel praktische als economische redenen. Ook al waren toen de huidige luxe en centrale verwarming niet aanwezig, toch staan deze jaren in mijn geheugen gegrift als warm, zorgeloos en vol liefdevolle geborgenheid. Naar het toilet moest je via de stal (de koeien waren al weg toen), in de winter moest je doorspoelen met een emmer water en ook de badkamer in de stal was primitief. We sliepen op de zolder, waar in de winter prachtige ijssterren op het venster stonden. Op schoot bij opa, naast de gaskachel keken we naar tv – naar tante Terry en nonkel Bob, naar Mijnheer de Uil van de Fabeltjeskrant – en bij een zoen of het minste naakt ging de tv op een andere zender. Vava was een man van weinig woorden, nooit heb ik hem boos gezien, hij was een halfgod voor mij, die brandnetels met zijn blote handen uittrok. Van hem heb ik ook de liefde voor Moeder Natuur meegekregen en de basis voor een verdere ontwikkeling van mijn gezond boerenverstand.
Nu beschouw ik mezelf niet als het zweverige type en ik blijf graag nuchter met mijn twee voeten op de grond. Maar iedere herfst is hij er weer, dat ene roodborstje, steeds ergens in mijn buurt tijdens de werkzaamheden buiten. Misschien is het iedere keer een ander roodborstje, maar ik ben bijna zeker dat dit Vava is die ieder jaar weer even komt kijken hoe het gaat. Een reden te meer om Blijke dus groot gelijk te geven: natuurlijk zijn er vogels met hoogtevrees.
Een aantal weken geleden bracht ik met een collega naar jaarlijkse gewoonte een bezoek aan Hortifair, een internationale vakbeurs voor tuinbouw en sierteelt in Amsterdam. Voor het eerst in vele jaren waren er twee hallen niet gevuld, het bezoekersaantal was matig en ook bij sommige standhouders was de stemming nauwelijks positief te noemen. De reden hiervoor hoef ik niet uit te leggen, het dagelijkse nieuws spreekt voor zich en mocht u als lezer een beursslachtoffer zijn, dan begrijpt u vast wat ik bedoel. Nu heeft een stad als Amsterdam voor een vent als ik heel wat te bieden, dus was er na de beurs ook nog een citytrip. Een aanrader is toch de openbare stadsbibliotheek. Op de zevende verdieping kan je wat eten en drinken, zelfs buiten op een terras, met een prachtig uitzicht over Amsterdam. En toen ik daar stond, zonnig weer met een frisse wind, kijkend naar beneden, kreeg ik toch last van hoogtevrees.
Ook ik ben maar een roodborstje.

– Henk van Beek

november 7, 2008

Reorganisatie

Ingedeeld onder: Carine Cornu — melkbrigade @ 12:00 am

Het was een idee dat al een tijdje rijpte. We zouden onze tuin eens reorganiseren. Enkele te groot geworden struiken uitdoen en hier en daar wat kleinere exemplaren bijzetten. We wilden ook de beplanting in de tuin een beetje verminderen, omdat in de tuin werken nu eenmaal niet een van onze specialiteiten is. Na rijp beraad over wat we wel en wat we niet zouden doen, zijn we vorig najaar en in de winter begonnen met heel wat struiken uit te trekken. Op een boerderij is veel materiaal voorhanden, dus dat konden we echt wel zelf doen. Tot daar geen enkel probleem. Het uitzicht werd er alleen maar weidser op en die natuurpracht konden we wel smaken. De wind waaide een beetje strakker, maar dat zouden we er wel bij nemen. Ergens eind maart, begin april zouden we het gazon herinzaaien en tegen dat het ooit zomer werd, zou onze tuin er heel anders uitzien.
Dat laatste is helemaal waar, maar het is nog niet geworden wat we eigenlijk voor ogen hadden. De beplanting aan de rand, die staat er ondertussen wel al; maar het gazon zelf, dat was een ander probleem. Het weer heeft (weeral) een beetje roet in het eten gegooid. Het is namelijk in maart nogal veel beginnen regenen, zodat we met de verreiker niet meer in de tuin konden. De tuin een beetje vlak krijgen – te groot geworden struiken durven wel eens een gat achterlaten als je die uittrekt – daar was helemaal geen sprake van, laat staan dat we nog maar konden denken aan gras zaaien.
Vermits het werk toch altijd moet voortgaan, kwam daarna de tijd van het landwerk. De maïs moest gezaaid en het gras ingekuild worden. Toen het weer eindelijk wat beter werd – en we eigenlijk zouden kunnen voortdoen in de tuin – ging het werk op het land natuurlijk voor. En voor wie het zich nog herinnert: alle werkzaamheden waren aan de late kant. Ondertussen was het al volop mei. Het is niet dat je dan geen gras meer kunt zaaien, maar wij rekenden op een stralend mooie en droge zomer en hadden geen zin om elke dag ons gazon te moeten besproeien. Het vervolg laat zich raden. Het gazon lag er kapot gespoten en omgewoeld bij. Het onkruid heeft welig getierd deze zomer. En van een mooie en nieuw aangelegde tuin was helemaal nog geen sprake.
Nu was er wel één iemand die dat helemaal niet erg vond – voor zover wij dat al een probleem vonden. Want kan je je nu een mooiere en grotere zandbak voorstellen dan je eigen tuin, en dan nog wel met echte aarde? Dat je daar een beetje vuiler van wordt dan van te spelen in rijnzand, dat is toch maar een bijkomend probleempje. Dus Senne heeft zich deze zomer kostelijk geamuseerd met zijn speelgoedtractoren in de tuin. Hij kreeg daarbij geregeld hulp van vriendjes en neefjes die kwamen spelen. Af en toe leek het op een echte bouwwerf, met het aan- en afrijden van tractoren, met kranen en bulldozers in actie. Elke avond zag je de hoop aarde een beetje groter worden en was de ‘gracht’ die ze aan het graven waren weer een beetje dieper.
Af en toe vonden ook Arne en Bram het niet erg dat er nog geen gazon lag – vooral als zij het gras dat we nog wel hebben, moesten maaien. Het scheelde toch wel een heel pak in het werk dat de tuin niet gemaaid hoefde te worden – een werkje dat toch elke week terugkomt.
In de loop van de zomer hebben we wel de rand van het gazon al van een steentje voorzien. Het is dus niet dat we stilgezeten hebben. De bedoeling was om ergens eind augustus, begin september het gazon in te zaaien. De nodige regenbuien gooiden onze plannen letterlijk in het water.
Ondertussen is alles gerotord en zie je van Senne zijn werkzaamheden niets meer. We hebben wel al een ‘vlak’ uitzicht, maar van zaaien is nog niet veel terechtgekomen. Oktober is bij ons vooral een maand met veel landwerk. De tarweoogst was bij ons weer eens een keertje aan de late kant, vooral het stro. En dan wil je ook nog een laatste keer maaien. En bij ons moet alles voor de winter geploegd zijn; dat hebben we graag gedaan tegen eind oktober. Daartussen komt dan ook nog in de loop van oktober het zaaien van de wintertarwe. Dus oktober is voor ons gewoonlijk een maand waarin we zo wel al weten wat gedaan, waarbij ik steeds vind dat het een rit tegen het weer is. Want als het weer omslaat, dan wordt het er nu eenmaal niet meer droger op. We hebben op dat moment dus heel wat dingen aan ons hoofd, laat staan dat we ons zorgen gaan maken over een gazon dat niet tijdig gezaaid raakt.
We hebben onze plannen dus weer een beetje bijgesteld. Volgend voorjaar zal het er hopelijk wel van komen. Geduld is nu eenmaal een schone deugd.

– Carine Cornu

oktober 31, 2008

“Geen tijd voor ontbijt, ik moet gaan”*

Ingedeeld onder: Johan Schollier — melkbrigade @ 12:00 am

Zonet kregen wij in de bus een uitnodiging van KBC voor een Infosessie Melkvee ‘Zijn schaalvergroting en arbeidsvreugde te combineren?’ Tegenwoordig lijkt het wel een rage! Inkomensoptimalisatie, groeimogelijkheden, megabedrijven …
In het laatste nummer van Melkveebedrijf, een onafhankelijk maandblad voor de melkveehouderij, staat een reportage over het melkveebedrijf van de familie Tamminga in Friesland. Dat is toevallig een van de bedrijven die wij de voorbije zomer bezochten. Ze hebben daar al een melkrobot, een biogasinstallatie en … 225 koeien. Dochter Anke zal het bedrijf overnemen en de ‘oriëntatiefase’ – zo noemen de Nederlanders dat – voor uitbreiding naar 500 koeien over twee tot drie jaar is begonnen. Allez, vooruit!
Bij ons loop het niet zo’n vaart, maar hier en daar hoor je al eens iets over 150 of 200 koeien, over een tweede bedrijf of over 1000 zeugen plus afmesten. In gerechtelijke termen spreekt men in zo’n geval over een ‘ondraaglijke drang tot het plegen van …’. Ik krijg de indruk dat sommige boeren echt wel last hebben van een ondraaglijke drang naar groei.
500 koeien? Waarom 500? Geven we zo de zuivelindustrie niet de pap in de mond om de melkprijs te laten dalen? De boeren zullen wel naar de bank stappen en groeien. Zouden we niet beter een schaarste creëren? Vorig jaar was daar maar even sprake van en de melkprijs vloog de hoogte in. Maar nee, zo werkt het niet: in de landen om ons heen groeit alles nog veel vlugger. Ach ja, ik weet ook wel dat groei een fundament is in de economie.
Mijn grootvader had 20 koeien, mijn vader 45 en wij bouwden in 1984 een stal met 74 ligboxen. Da’s telkens zowat verdubbelen, in periodes van 25 à 30 jaar. Het is niet mogelijk dat diegene die ons opvolgt met ons aantal koeien verder kan; maar tegenwoordig lijkt verdrie- of verviervoudigen in één ruk de norm. Bij mijn weten heb ik zelf altijd koeien gehouden om te leven, maar nu zijn er blijkbaar die leven om koeien te houden.
Waarschijnlijk beginnen de eerste symptomen van bejaardheid zich bij mij te manifesteren maar ik voel absoluut niet de behoefte om zulke sprongen waar te maken. We kennen ze allemaal, die hectische momenten. Je bent volop maïs aan het hakselen, of – erger nog – je staat klaar voor een feest, moet er nu toch wel juist een koe kalven! Met een keizersnede dan nog! Geen tijd voor ontbijt, ik moet doorwerken! Een gezwollen oog, een gedraaide maag, een dikke poot, een baarmoedertorsing … als het eens begint! Dan denk ik wel eens: “Wat moet het dan niet zijn met dubbel zoveel koeien?” Jonge mensen, en da’s maar goed ook, die zien het helemaal zitten.
Maar er is meer. In 1984 koste een stal volledig afgewerkt 2,5 miljoen frankskes. Als ik vandaag de stallenbouw zie: drie miljoen liter onder de grond, zo groot en zo duur als het gebouw dat erbovenop komt en veelal sleutel op de deur. 500.000 euro? Of meer? Dit is bijna het tienvoud! Is de winst per liter nu zoveel gestegen? Helemaal niet, dus moeten wij groeien.
Het zijn vreemde tijden tegenwoordig. Fortis wou de grootste worden, deed een overname, maar kon ze niet betalen. Het gevolg kennen wij allemaal. Vorige zomer – nog maar zo kort geleden – dachten wij allemaal dat de graanprijzen nooit meer zouden of mochten dalen. Maar wat zien wij vandaag?
Wat heb ik nu eigenlijk allemaal op papier gezet? Niets nieuws, eigenlijk. Ik zal een slechte dag hebben. We zullen wel zien hoe het verder moet en dat was ook zo toen wij eraan begonnen. Ik wil jonge mensen niet ontmoedigen, bijlange niet! Ik heb alleen mijn twijfels over dat grote en dure geweld. Langzaam groeien, bestaat het nog? Maar alles zal wel blijven groeien, naar ieders vermogen en goeddunken. The sky is the limit.
Er is maar één ding dat niet kan groeien: onze aardbol. Die wordt te klein, krijgt het te warm, is ziek en krijgt het steeds moeilijker met de meer dan zes miljard tweevoeters op zijn korst.
Toe Schollierke, stop ermee. Het is genoeg geweest. Ga maar eens luisteren op die vergadering, op 6 november om 20 uur in zaal Mantovani in Oudenaarde.
– Johan Schollier

* Hans de Booij en Boudewijn de Groot zingen deze regel in het liedje ‘Annabel’

oktober 24, 2008

Arbeidsvreugde

Ingedeeld onder: Marcel Heylen — melkbrigade @ 12:00 am

Na mijn vorige dagboekbijdrage, waarin ik het had over het zinloos geweld waarvan onze oudste zoon Hans het slachtoffer was, kreeg ik enorm veel reacties. Het meest in het oog springend was wel een telefoontje van een politieman die wilde weten of de feiten zich hadden afgespeeld in de politiezone waarin hij actief is, omdat hij van zijn moeder – blijkbaar een lezeres van Boer&Tuinder – het verwijt had gekregen dat de politie zijn werk niet goed had gedaan. Ondertussen zijn we twee maanden verder en hebben we van het hele onderzoek niets meer gehoord. Met Hans gaat het intussen goed, hij is weer aan het werk en ‘ het ongeluk’ zoals hij het noemt is thuis geen gespreksonderwerp meer. Ook omdat hij een job heeft die hij erg graag doet en waar hij helemaal in opgaat en hij thuis op de boerderij heel actief meehelpt, zodat hij weinig tijd heeft om nog aan het voorval te denken.
Enkele weken geleden kregen wij hier op de boerderij bezoek van Guy Francken van CRV. Hij kwam ons feliciteren en gaf een mooie ruiker bloemen af. Het enige probleem was dat we niet zo meteen konden zeggen waaraan we dat te danken hadden. Ik wist wel dat die dag de productiecijfers van het afgelopen MPR-jaar openbaar gemaakt zouden worden, maar ik had helemaal niet verwacht dat we daar uitzonderlijk zouden scoren omdat ook wij afgelopen jaar problemen hadden met blauwtong. Uiteindelijk bleek dat we het hoogste economische jaarresultaat (ejr) van het melkveegewest Oosterkempen gerealiseerd hadden. Op Vlaams niveau eindigden we als enig bedrijf uit de provincie Antwerpen in de top 10. Ik moet zeggen dat het wel plezant is om zoiets te horen wanneer je het eigenlijk niet verwacht. Dan loop je toch wel even op wolkjes.
Maar het leukste moest nog komen. Enkele dagen later kreeg ik telefoon van een redacteur van het Nederlandse tijdschrift Veeteelt, met de vraag of ik al wist dat onze roodbonte vaars Peace de hoogste productie realiseerde van alle vaarzen in Vlaanderen en dat ze daarmee ook haar zwartbonte rasgenoten de loef afstak. Ik wist natuurlijk ook wel dat deze koe – die op kerstdag 2004 geboren werd, vandaar de naam Peace – een superproducente was. Ze was de eerste vaars in onze (toen nog visgraat-) melkstal die meer dan 52 kg melk per dag produceerde, maar ze kon die productie vooral lang aanhouden. Zo liet ze drie MPR-proefmelkingen na elkaar een productie van boven de 50 kg optekenen. Ook de omschakeling naar het melken met een melkrobot, toen ze negen maanden in productie was, verliep probleemloos. Dat resulteerde uiteindelijk in een totale productie als vaars van 18.976 kg melk in 448 lactatiedagen. Wat het nog sterker maakt, is dat ze tijdens deze topprestatie dan ook nog eens drachtig was van een tweeling. Hierdoor heb ik na twee kalvingen al drie dochters van haar. Dat Peace deze enorme drang om melk te geven niet van vreemden heeft, mag blijken uit het feit dat zowel van haar moeder als van haar grootmoeder een stier naar de opfokstallen van VRV-HG gegaan is. De vaars is zelf trouwens het resultaat van een stiercontract-embryospoeling met de stier Cocktail 19. Volgende maand wordt er trouwens nog een volle broer of zus geboren uit een resterend embryo dat ik nog in het stikstofvat had zitten.
Peace is niet alleen een gulle geefster, ook op gebied van exterieur kan ze best haar ‘mannetje’ staan. Zo is ze ingeschreven met 87 punten voor uier, bij een kruishoogte van 152 cm; voor beenwerk kreeg ze van de inspecteur 83 punten. Dat alles resulteerde in een totaalscore van 85 punten voor algemeen voorkomen. Dit resultaat deed mij vorig jaar besluiten om haar mee te nemen naar de gewestelijke veeprijskamp. Het commentaar dat een van de juryleden daar toen op haar uier leverde, is – naast het feit dat onze veestapel vrij is van IBR zonder enten – de bijzonderste reden dat we niet meer deelnemen aan rundveeprijskampen. De jongeman in kwestie vond het nodig om een vaars die twee maanden eerder 87 punten voor uier kreeg van een, mag ik aannemen, ervaren en vakbekwame inspecteur van VRV, helemaal naar achteren in de reeks te verwijzen omwille van de uier die volgens hem te ruim was. Ik melk al 40 jaar koeien, ga al 30 jaar naar veeprijskampen kijken en ik heb 20 jaar lang zelf deelgenomen. Ik denk dat ik dus toch enige kijk heb op een koe, maar ik weet ook dat smaken kunnen verschillen. Dit was er echter zo ver over, ik vond het zo onrechtvaardig voor mijn vaars, dat ik op dat moment beslist heb dat het voor mij niet meer hoeft.
Dat diezelfde vaars afgelopen melkjaar de productiefste vaars van Vlaanderen was, geeft daarom dubbel zoveel voldoening en het is de bevestiging dat mijn kijk op koeien toch nog zo slecht niet is. Haar uier is volgens mij nog steeds haar sterke punt. Met een perfecte speenplaatsing en een duidelijke ophangband produceerde zij in haar lopende tweede lactatie na 168 dagen al 9285 kg melk. Kortom, Peace geeft ons elke dag arbeidsvreugde.
– Marcel Heylen

Wie nieuwsgierig is naar Peace, surft maar eens naar de website van Marcel, www.keurholsteins.be.

oktober 16, 2008

Het leven zoals het is … de fruitpluk

Ingedeeld onder: Kris Van der Velpen — melkbrigade @ 12:00 am

Als dit artikel verschijnt, zal de fruitpluk 2008 er bijna opzitten. Geen nieuws dat de voorpagina van de kranten haalt of een van de hoofdpunten in het Journaal wordt, maar voor ons is het steeds een ‘oef … we zijn er vanaf’-moment. De pluk mag zo goed gegaan zijn als hij wil, toch blijven de boeren dansen van vreugd en plezier als de oogst is binnengereden.
Veel mensen vragen hoe zo’n dag in de pluk eruitziet voor ons. Vermits we toch dagboekschrijvers zijn, ga ik een willekeurige dag uit de plukperiode proberen te schetsen. We schrijven ‘s morgens rond half zeven. Een wekker hebben we niet nodig, want de kleine Vincent – die ondertussen al elf maanden is – brabbelt ons wakker via de babyfoon. Als ik de kans zie, haal ik hem uit zijn bed, want wat is er nu zaliger dan zo’n kleine fletser die ‘s ochtends rond je komt hangen? De koffie en het ontbijt staan intussen al gereed en de boterhammen om mee te nemen worden klaargemaakt. Daarna volgt het ritueel van wassen, scheren, de kleine en zijn mama nog dag zeggen, je sleutels pakken en vertrekken.
Ik zorg er meestal voor dat ik zelf in het veld ben rond kwart voor acht. Naar het einde van de pluk toe, kan je wel pas om half negen beginnen omdat het dan ‘s morgens nog koud en nevelig kan zijn. Ik ben graag in het veld vooraleer de plukkers arriveren, zodat ik rustig alles kan klaarzetten. Het eerste werk bestaat uit het starten van de tractors van de pluktreinen. Wij werken er al zo’n tien jaar mee en ik moet zeggen dat het wel vlot gaat. De plukkers hoeven bij ons niet met plukzakken te sleuren, want ze leggen het fruit rechtstreeks in kisten waar zo’n 300 kilo appels in kunnen. Er hangen vier zulke karretjes achter elkaar en als de bomen ter hoogte van deze karretjes geplukt zijn, rijdt er iemand mee verder om de volgende reeks te plukken.
Meestal zijn mijn plukkers wel goed op tijd. Je kan daar de motivatie van de mensen aan kennen, zegt men. Wij werken hier al enkele jaren samen met Belgen van Turkse afkomst; ook dit jaar viel dat weer goed mee. Ik had ook enkele Bulgaren; daar moest ik wat meer achteraan zitten en hen in de gaten houden, maar het ging ook nog goed. Als iedereen aan het werk is, verdwijn ik heel even om – nog steeds – de plukkaarten in te vullen. Je kan dat immers pas doen als iedereen er is, want als er iemand niet komt opdagen, heb je zijn kaart fout ingevuld. Waarom die kaarten moeten blijven bestaan, is mij nog altijd een raadsel, want de avond ervoor heb ik iedereen al elektronisch aangegeven via de Dimona-aangifte. Daar kan ik de plukker die niet komt opdagen wel nog annuleren, want anders zou ik een RSZ-bijdrage moeten betalen voor iemand die ik die dag niet gezien heb.
Veel tijd om bij de tewerkstellingsproblematiek stil te staan, heb ik tijdens zo’n plukdag wel niet, want algauw zijn er vier kisten vol en moet er een tractor met lege kisten volgen. De volle kisten worden dan uit de rij gereden en er worden weer lege kisten op de karretjes gezet. Als je een stuk of vijf pluktreinen hebt, dan weet je wel wat doen. De appels waar de plukkers van op de grond niet bij kunnen, worden geplukt met een zelfrijdende plukwagen. Hierop staan ook een drietal mensen, onder leiding van mijn moeder. Ook mijn vrouw Inge kon dit jaar nog wat vrije dagen opnemen voor de pluk. De plukwagen werd dus zowat een familiale aangelegenheid.
Rond de middag is er meestal een wagen vol en dan wordt die afgevoerd. Gelukkig komt mijn broer wat meehelpen. Hij neemt deze taak op zich, want als je een half uur uit het veld bent, wordt er meestal van alles gedaan maar plukken is er dan niet veel bij. Wij voeren het fruit af met twee grote wagens, die toch elk zo’n 24 kisten kunnen laden. Om twaalf uur is er een half uur middagpauze. Tijd voor de boterhammetjes en de koffie, die dan heel heerlijk kan smaken. Een half uurtje is vlug voorbij en daarna begint het ritme van pluktreinen, plukwagen, wiellader en tractor opnieuw, tot vijf uur.
Na vijf uur is het voor mij nog niet gedaan, want dan moeten het fruit nog naar huis voeren om daar alles dan op te stapelen in de koelcellen. Sommige avonden komt er nog een vrachtwagen om appels te laden die al vóór de pluk verkocht werden. Rond de klok van zeven staat alles netjes binnen en dan is het tijd om de computer aan te zetten en je Dimona-aangifte bij te werken, samen met nog enkele andere administratieve verplichtingen.
Rond half acht, acht uur ben ik dan weer thuis voor het avondeten en voor ons zoontje, dat nog wat wil spelen, want hij heeft me tenslotte al twaalf uur niet meer gezien.
Ach ja, de pluk is een drukke tijd, met de nodige stress soms, en een hoop volk waarvan je er sommigen naar de maan zou wensen. Maar als het achter de rug is, mis je die periode toch wel een beetje. Het is ook de tijd waarin je een heel jaar werk en je inkomen binnenhaalt. Die gedachte motiveert ons elk jaar opnieuw.

– Kris Van der Velpen

oktober 10, 2008

Als de dag van toen …

Ingedeeld onder: Luc Callemeyn — melkbrigade @ 12:00 am

“Als de dag van toen hou ik van jou.
Misschien oprechter en bewuster trouw.
Want toch steeds weer is een dag zonder haar,
Een verloren dag, met stil verlangen naar.”

Er hangen weer speciale sferen in de lucht want een paar weken geleden vierden wij onze twintigste trouwverjaardag. Ja ja, al twintig jaar lang; al 240 maanden, 1040 weken, 7300 dagen en 175.200 uren sinds wij op het historische stadhuis van Damme de even historische woorden “Ja, ik wil” uitspraken. Lang heeft onze vrijage niet moeten duren, op een jaar tijd waren wij er al uit dat wij met elkaar het leven wilden delen. Ik geef toe, wij kenden elkaar al zes jaar ervoor en waren op allerlei niveaus en besturen in KLJ actief met elkaar. En op zo’n manier samenwerken, dingen organiseren met lukken en mislukken, zo leer je elkaar beter kennen dan in een discotheek of via een datingsite.
Als de dag van toen
zitten wij tijdens de week weer met zijn tweetjes aan de keukentafel. Onze drie kinderen zijn al half uitgevlogen, eentje zit al op kot en de andere twee op internaat in Brugge en Torhout. Dat is dus druk als ze thuiskomen, en voor ons ook weer rust als ze een week weg zijn. Wij zijn ervan overtuigd dat dit voor alle partijen het beste is: zij hebben alle mogelijkheden om zich volop aan hun studie en vrienden te wijden en wij staan ook niet meer ‘op uur’ om te eten als ze in hun schoolritme zitten.
Als de dag van toen
hebben wij deze zomer onze betonmolen weer een keer goed doen blinken. Net zoals we toen vol plannen zaten en die ook prompt uitvoerden (en soms maar een vergunning aanvroegen als we al een tijdje bezig waren), hebben wij de laatste maanden gevuld (meer dan gevuld) met ontwerpen, vergunning aanvragen, offertes uitschrijven, vertegenwoordigers ontvangen, vervolgens de prijs nog wat drukken, de markt en het internet afspeuren naar goede aanbiedingen, kraanwerk, rioleringen, betonneren, muren plaatsen, schijven, boren, vijzen en siliconen. Noem het maar gerust dat ons vierde kind op komst is; ik hoop wel dat het geen negen maanden meer gaat duren. We zijn al bijna twee jaar bezig met de voorbereidingen op papier en nu zien wij het stukje bij beetje groeien onder onze handen.
Als de dag van toen
moeten wij vechten voor ons inkomen, en de markten worden er steeds grilliger op. Onze ouders zijn gelukkig nog aan beide zijden in goede gezondheid. Zij hebben het geluk gehad in stabiele tijden te boeren en waren bijna zeker van hun inkomen als ze maar hard genoeg werkten. Vandaag is het omgekeerd: wij zijn verzekerd van hard werk, maar zijn niet zeker van een vast (of voldoende) inkomen.
Als de dag van toen
springen wij ’s morgens fluks uit ons bed. Meer nog, ik heb de indruk dat wij nu vandaag soms eerder opstaan dan vroeger. Ik wil ook nog eens toegeven dat het vandaag soms auw en krak en piep is, maar wij zijn beiden nog niet in groot onderhoud geweest. Van op jonge leeftijd ben ik geconfronteerd met een slechte rug, maar dat is er gelukkig niet erger op geworden. Het is zelfs zo dat ik denk dat ik meer een zere rug heb van op een stoel te zitten dan van te werken. In beweging blijven lijkt wel het beste. En als de pijngrens eens duidelijker voelbaar wordt, dan heeft dit wel ergens een reden: onverwachte bewegingen, de maïshoop met banden dekken, of te lang zitten hobbelen op de tractor.
Als de dag van toen
zijn wij bezig met de uitbouw van ons bedrijf. Sommige collega’s van onze leeftijd denken al aan uitbollen. Andere vrienden kochten zich al een huis in het dorp. Wij doen nog een stapje vooruit op ons bedrijf. Zo zijn wij voorlopig niet bevreesd dat het spook van de midlifecrisis plots zal toeslaan of we zijn niet bang voor een creatieve burn-out. Daar zorgt de wetgever wel voor, die legt ons altijd maar opnieuw nieuwe wetten en regeltjes op en tegen dat wij het al een klein beetje gewoon zijn komt er een nieuwe minister en die geeft me er een nieuwe draai aan.
Als de dag van toen
is het leven pas begonnen de dag ná het trouwfeest. ’t Is allemaal wel goed hoor, dat feesten, maar enkele dagen later word je met de werkelijkheid geconfronteerd. Omstreeks deze tijd hebben wij ook heel wat ooms en tantes die een gouden of ander jubileum vieren. Wij zijn bijlange nog zover niet, maar het is toch mooi als je deze oudere koppels ziet, omringd door kleinkinderen en vrienden en met een blij gezicht van zo’n overdosis geluk in het leven. Op internet vond ik dat 20 jaar getrouwd zijn een porseleinen bruiloft genoemd wordt. We zijn dus al flink op weg naar goud, en doen dapper voort.

“Ik tel de dagen die sindsdien verstreken,
Al lang niet meer op de vingers van een hand.”

– Luc Callemeyn

oktober 3, 2008

Stro verkocht. Mijn jongste zoon ook?

Ingedeeld onder: Pierre Michels — melkbrigade @ 12:00 am

Wat een drukke rotzomer. We hebben de oogst binnengehaald voor de maand augustus. Gelukkig dat we nu al enkele jaren enkel nog de variëteit Soissons zaaien. Mijn technieker zegt dat niemand dit ras nog zaait omdat het rendement ervan iets lager ligt dan bij die nieuwe variëteiten. Hij vergeet er wel bij te vertellen dat Soissons een fungicidenbehandeling minder nodig heeft en dat hij er dus minder aan verdient. Maar ik kijk in mijn zak: mijn tarwe is geoogst op tijd en nu kan ik stro persen bij andere boeren. Soissons brengt 9200 kg/ha op, maar ik krijg er 10% meer voor, dus verdien ik er evenveel mee als de anderen met hun 10.200 kg – met minder onkosten.
Mijn technieker klaagt dat in de coöperatieve 50% van de tarwe door de droger moet, en over heel het departement. Vandaag – op 27 september – ligt er hier en daar nog tarwe buiten, niet afgedekt, want ze is gedorst met tussen 16 à 18% vocht. Als ze die opscheppen, komt er zo’n 30 cm korst bovenaan los. Die tarwe binnen stockeren, mag zeker niet. Als gevolg daarvan moet de maïs dit jaar veertien dagen later gedorst worden, want er is nog geen plaats bij de drogers. Ik denk dat ze me nu niet meer uitlachen met mijn twintig jaar oude variëteit!
Eind september moet ik nog zo’n 30 ha stro persen, maar ik toon me liever niet bij die boeren. Ik hoop dat ze het in brand steken, als het tenminste nog wil branden. Twee maanden hebben we gesukkeld om het stro binnen te krijgen en van het veld te verkopen. Zelfs in mijn schuur ruikt het muf. Ik vraag me af wat er naar Vlaanderen vertrokken is.
Een boer hier, die strocliënt is bij mij, is plots overleden. Tja, als ze die zijn stro verkopen, weet ik automatisch dat ze geen opvolger hebben. Mijn oudste zoon van 24 jaar wou op zijn eigen boeren; daarom hebben we samen met de eigenares de gronden bezocht, de gebouwen en machines bekeken. We moesten van haar een bod doen, want ze wist zelf nog niet hoeveel ze wou. We informeerden ons bij de boekhouder voor de prijzen van pachtovername; de waarde van gebouwen vroegen we aan een notaris. Onze gedetailleerde en samengevoegde prijsofferte brachten we naar de eigenares en die heeft gewoon de gebouwen voor meer geld aan stadsmensen verkocht en de grond aan een grotere boer verhuurd. Nu maken we nooit meer zo’n gedetailleerde prijsofferte op! Er zullen zeker nog kansen komen voor mijn zoon en hij heeft immers nog geen vrouw.
Mijn tweede zoon, van 21 jaar, heeft ‘kennis’; hij is dus verloofd met een boerenmeisje uit ons dorp. Het is begonnen op een veld naast onze hoeve. Zij stond daar de hele namiddag naar ons te kijken terwijl we stro aan het persen waren, maar ze keek het meest naar de nieuwe verreiker, met mijn jongste zoon erin. En ’s anderendaags, aan een nieuw veld, was ze er opnieuw en toen zag ik haar bij hem instappen. Het is net alsof er een nieuw tijdperk in mijn leven begonnen is – zeker in het zijne. Omdat mademoiselle bij hem in de verreiker zat, reed hij niet meer zo snel en zelf kon ik met mijn verreiker de twee persen van mijn vrouw en mijn oudste zoon niet bijhouden, zodat er tegen de avond overal op het veld stropakken achterbleven. Op de duur kon ik hem overtuigen om liever ’s avonds met zijn liefje naar de cinema te gaan – wat hij vroeger nooit deed. Mijn vrouw en ik hebben hem dan overtuigd dat hij tegen haar moest zeggen dat hij geen tijd heeft en dat hij overdag moet werken. Dadelijk antwoordde ze hem: “Als jij geen tijd hebt, dan kan je ook mijn 100 ha niet beboeren.” Toen hij dat hoorde, is zijn verstand helemaal in zijn broek gezakt. Hij beseft ook wel dat mijn bedrijf niet groot genoeg is om twee jonge boeren op te starten. Ja, ze heeft hem zelfs kunnen overtuigen om naar de landbouwuniversiteit te gaan, hij moet boeren.
Als vader heb ik mijn zonen uitgestuurd van Gent tot Parijs; ik heb vele zaterdagnachten wakker gelegen. Ik wist dat die Franse gewoonte bestond, maar ik had niet gedacht dat dit ons zou overkomen. Het is hier de vrouw die haar boer kiest. Ze kiest liefst en bijna uitsluitend iemand uit hetzelfde dorp, want dan hoeft die niet ver om met zijn paard – nu tractor – om haar erfenis te bewerken. Zo heb ik mijn buur van 35 jaar pardoes van de trap van zijn maaidorser zien vallen, toen er daar een twintigjarige met haar blote benen op de auto zat … en nu is ze zijn vrouw. Ik lachte daar toen mee, maar lachen ze nu niet met ons? De dorpelingen zeggen: “Het is echt de dochter van haar moeder. Die heeft haar man ook zo bekoord en dan nog wel aan de keukentafel. Dat is hier blijkbaar een traditie. Ik ben gelukkig dat ze op tijd op papier staat, anders vergeet je dat.
Ze kennen elkaar amper een maand en ze spreken al over hun trouwdatum. Ik raadde hen aan om hun datum zo te kiezen dat er een ander koppel enkele dagen voor hen trouwt. Dan hoeft mijn vrouw geen drie dagen uit te trekken om de kerk te poetsen. Wie weet zal ik mijn toekomstige kleindochter kunnen helpen oriënteren met: “Die jonge gast moet ge pakken want hij heeft veel geld!”
Als haar moeder – mijn toekomstige schoondochter – maar niet dwarszit, want het is wel een moeder-op-dochtertraditie.

– Pierre Michels

Volgende Pagina »

Blog op Wordpress.com.