Mijn dagboeken in Boer & Tuinder

april 24, 2009

Een nieuwe lente, een nieuw begin

Ingedeeld onder: Marcel Heylen — melkbrigade @ 12:00 am

Elk jaar opnieuw, bij de eerste dagen met mooi weer, krijgen de meeste mensen – en zeker de boeren – een vreemd en moeilijk te definiëren gevoel dat ik bij mezelf het best kan omschrijven als lentekriebels. Blijkbaar maakt het lengen van de dagen een soort oerinstinct wakker bij de mens dat de drang doet ontstaan om aan de slag te gaan. Bij de boeren is dit het begin van een erg drukke tijd. Ze maken gebruik van elke periode met mooi weer om te bemesten, akkers te ploegen en zaaiklaar te leggen.
Tot voor twee jaar hoorde bij de lente, voor mij althans, ook steeds dat prachtige, blije gevoel van de koeien te kunnen buitenlaten in de weide. Sinds vorig jaar is dat spijtig genoeg verleden tijd. Door het strenger worden van de mestwetgeving, met daarbij het invoeren van derogatie, is het namelijk niet meer toegestaan om de koeien nog te laten grazen op Italiaans raaigras, de nateelt van maïs.
Aangezien wij hier, rond onze boerderij, relatief laag gelegen gronden hebben, kunnen wij normaal gezien onze koeien niet vroeg buiten laten op de echte graasweiden, omdat anders de kans te groot is dat ze de graszode kapot trappelen. Omdat we op onze huiskavel regelmatig aan teeltafwisseling doen, graasweide afwisselen met maïs, konden we de koeien vroeger op het Italiaanse raaigras laten lopen in het vroege voorjaar. De koeien konden zo genieten van de buitenloop en al het gras dat ze opaten was meegenomen, zonder dat het kwaad kon dat ze de zode vertrappelden want die werd toch omgeploegd om er maïs te zaaien.
Ik begrijp trouwens de achterliggende gedachtegang niet die aan de grondslag ligt van deze absurde regel in de voorwaarden voor derogatie. Enerzijds beweert men dat de mestwetgeving en de daarbij behorende regels er zijn om het milieu te beschermen, en anderzijds verbiedt men de boeren de milieuvriendelijkste manier om gras te oogsten: het laten afgrazen door de koeien. Nu moeten we het gras eerst maaien, eventueel oprapen en voor de koeien brengen in de stal om het vers te vervoederen, of enkele malen keren met de hooischudder, dan op rijen leggen en laten oprapen of hakselen en in de kuil brengen, of in grote balen laten persen en wikkelen in plastic folie. De winst voor het milieu bij deze bewerkingen ontgaat mij volledig.
Ook bij Dierengezondheidszorg Vlaanderen (DGZ) had de lente iets nieuws in petto, op 16 maart ging het – vooraf veel besproken en dikwijls uitgestelde – Veeportaal online. Waarom ik dit aanhaal, zal wel duidelijk zijn voor de lezers die mij kennen. Ik ben sinds twee jaar lid van de raad van bestuur van DGZ, als vertegenwoordiger van de rundveehouders van de provincie Antwerpen. Aangezien Veeportaal vooral door de rundveehouders gebruikt zal worden (ook varkenshouders maken gebruik van Veeportaal, maar in mindere mate), is het wel duidelijk dat ik mij als rundveehouder sterk betrokken voel bij deze internettoepassing, die op termijn zeker zal leiden tot administratieve vereenvoudiging. Nu – vijf weken na de start van Veeportaal – zijn de meeste gebruikers, vooral diegenen die de opleiding volgden om met Veeportaal te leren werken, best tevreden over de nieuwe manier om geboorte-, vertrek- en aankomstmeldingen, bestellingen enzovoort te doen. Vooral doordat het systeem nog niet voldoende stabiel was en er nog te veel fouten waren, duurde het lang eer Veeportaal beschikbaar was voor de veehouders. Wij hebben er als bestuurders van DGZ continu op aangedrongen geen toepassing vrij te geven waarvan we niet zeker waren dat ze nagenoeg foutloos ging werken. We wilden absoluut voorkomen dat er zich een rampscenario zou voordoen, zoals dat van VRV bij de overgang van de vroegere melkcontrole naar MPR – dat de meeste melkveehouders nog glashelder voor de geest staat – met een veelheid aan fouten en onvolkomenheden en de daaruit voortvloeiende ergernissen.
Ik weet ook wel dat de veehouders op dit ogenblik heel wat kritiek hebben op het nieuwe telefonische meldingssysteem VRS van DGZ. Maar laat dit duidelijk zijn: het VRS-systeem is in principe tijdelijk in het leven geroepen voor veehouders die om allerlei redenen op dit ogenblik nog geen gebruik willen maken van de internettoepassing Veeportaal. Het streven van de bestuurders van DGZ is wel dat op termijn zoveel mogelijk veehouders gebruik gaan maken van Veeportaal. Dat is ook de reden waarom je op termijn zal moeten betalen voor het gebruik van het telefonische meldingssysteem, in tegenstelling tot de internettoepassing die gratis is.
De Boerenbond heeft trouwens de bedoeling om een nieuwe reeks opleidingen Veeportaal te starten eens de lentewerkzaamheden voor de boeren achter de rug zijn. Die zijn zeker geen verloren tijd als je met Veeportaal aan de slag wilt. Veel succes!

– Marcel Heylen

april 17, 2009

Innovatie of creativiteit.

Ingedeeld onder: Luc Callemeyn — melkbrigade @ 7:42 pm

Vorige zomer en deze winter konden we deelnemen aan een reeks van activiteiten van het Innovatiesteunpunt. Daarbij een bemerking: om halfacht ’s avonds een vergadering beginnen, is voor mij als creatieve en hardwerkende mens veel te vroeg. Ik was dus nu en dan wel eens te laat.

Het bezoek aan het heftruckbedrijf Thermote & Vanhalst (boerenzonen!) heb ik gemist, maar even later waren wij er wel bij voor een bezoek aan Gandaham. Met één tussenstap evolueert men van een anoniem goedkoop bulkproduct (varkenshesp) tot een delicatesse met merknaam – met daarbij heel veel toegevoegde waarde. De bedrijfsleider is niet bang om wat aangeboden kansen uit te proberen, ook al horen die niet meteen tot zijn eigen productengamma. Een derde bezoek aan het Distributiecentrum van Colruyt was over heel de lijn adembenemend. Het bedrijf heeft een enorm logistiek apparaat ter beschikking, om honderden tonnen van het fijnste voedsel op de juiste plaats te krijgen. Het indrukwekkendst was de gerobotiseerde inrichting voor groenten en fruit, die de kisten sorteerde die van de veiling kwamen en ze geheel geautomatiseerd opnieuw samenbracht per winkel volgens bestelbon. Van het gegeven dat al dat voedsel eerst primair door boerenhanden is voortgebracht, is nog weinig herkenbaar. En zeker van een eerlijke prijs is niets te merken. In hun verkooppraatje gaan ze wel uit van vaste en langdurende relaties, maar dat weerhoudt hen er niet van om te proberen hun marge te vergroten door te knibbelen op de inkoopprijzen. Onze verkoopprijzen dus.

Deze winter werden ook enkele vergaderingen georganiseerd met daarbij als centrale thema ‘Hoe kunnen we de aankoper het beste verleiden?’ Zo konden we luisteren naar Fons van Dyck, die ons inzicht bracht in de consument en zijn boek Het merk mens voorstelde. Daarna was er een sessie over het ontwikkelen van een sterk merk en de daarbij horende administratieve hindernissen. Een volgende vergadering met spreker Johan Lambrecht behandelde de strategie en missie van het bedrijf.

Enkele rode draden heb ik alvast onthouden. Vooreerst moet een bedrijf authentiek zijn. Dat wil zeggen dat het geen probleem is om te vertellen dat je hetgene wat je (goed) doet al jaren zo doet. Successen in het verleden geven de beste voorspelling van succes in de toekomst. Never change a winning team. Daarbij is het ook belangrijk dat een bedrijf een vastgelegde missie heeft, die aangeeft waar het naartoe wil in de toekomst en waar het voor staat. Elke medewerker moet die missie uitstralen. Bepaal een doel en ga er recht op af. Zijsprongetjes zijn toegelaten, zolang ze de oorspronkelijke missie niet in gevaar brengen.

Hoe meer ik naar dergelijke voordrachten luister, hoe meer ik besef dat wij met zijn allen geweldig goed bezig zijn. Wij boeren zijn toch authentiek? Wij werken al generaties op een bedrijf dat onze voorouders moeizaam opgebouwd hebben. Een boer herken je van op afstand, dat zie je, dat hoor je, en in het slechtste geval ruik je het. We zijn bereid om vast te pakken en we zijn voor 100 procent begaan met ons beroep. De meesten kunnen bijna over niks anders praten. We hebben een duidelijke missie, want we hebben al lang voor ogen wat we willen en gaan tot het uiterste, zelfs als het niet eens zeker is dat er geldelijk gewin aan te pas zal komen.

In heel de reeks van voordrachten heb ik echter het meest bewondering gekregen voor de sector van de siertelers. Zij moeten al drie jaar van tevoren kunnen inschatten wat de markttendensen zullen zijn naar vorm, kleur en aantallen. Vervolgens moeten ze stekken uitplanten, nieuwe ziekten leren bestrijden en een persoonlijke vorm aan hun planten geven. Daarna moet er verkocht worden en moeten ze geheel volgens eigen inzicht een eerlijke prijs bepalen en zichzelf verzekeren dat ze met een betrouwbare handelaar in zee gaan. Een internationale visie is hierbij zelfs onontbeerlijk. Siertelers ontwikkelen zelf hun planten, kruisen en experimenteren en moeten zelfs soms patenten aanvragen op hun creaties, anders is er concurrentie door de buren of zelfs de Chinezen. Heel iets anders dan de melk-, runder-, varkens-, kippen- en akkerbouwsector, die meestal bulkproducten voortbrengen en prijsnemend zijn.

Bij het woord ‘Innovatie’ denkt men meestal aan iets geheel nieuws. Na vele jaren Innovatiesteunpunt van de Boerenbond is het mij duidelijk geworden dat het creëren van een nieuwe landbouwtak niet meteen voor het grijpen ligt. Er is echter een veelheid van gebieden die kunnen doorontwikkelen. Hoofdzaak is dat je heel veel creativiteit aan de dag legt bij de aangeboden kansen. En die zijn er elke dag, we moeten de ogen open houden voor elke nieuwe ontwikkeling. Daarbij moeten we niet kijken ‘wat’ een ander doet, maar ‘hoe’ hij het doet.
Een oud-leraar zei ooit (in het West-Vlaams): “Het geld ligt achter straate, maar je moet het willen en kunnen zien en je moet je bukken om het op te rapen.”

Luc Callemeyn

Het kan verkeren

Ingedeeld onder: Kris Van der Velpen — melkbrigade @ 7:40 pm

Wie herinnert zich als fruitteler nog hoe we vorig jaar overal konden lezen dat onze Belgische Jonagold aan een comeback bezig was? Ik neem wel aan dat heel wat fruittelers zich het jaar 2008 nog zullen herinneren als het topjaar op het vlak van een goede prijsvorming. Zeker als je beseft dat toen voor onze appels met een industriële bestemming bijna zoveel betaald werd als nu voor de betere kwaliteit van eetappel. Ik heb toen ook in deze rubriek vermeld dat we zulke jaren al eens nodig hebben om onze bedrijven voort te zetten. Veel blijft er na zo’n topjaar eigenlijk niet over. Meestal dienen de extra inkomsten om je zaak te moderniseren en om weer bij te benen op financieel vlak. De keerzijde van zo’n jaar merk je ook als je aanslagbiljet in de bus valt. Als je al iets overgehouden zou hebben, mag je dat dit jaar netjes teruggeven aan Vadertje Staat. Zo gaat het in de land- en tuinbouw al jaren en wellicht zal het zo nog jaren verdergaan. Als je in onze sector een bedrijf uitbaat, weet je dat je het goede met het slechte moet nemen.
Een heel ander verhaal doet zich dan voor met de peren. Hier is geen sprake van overaanbod, integendeel zelfs. Maar ook bij de peren blijf ik erbij dat ze de prijs die ze nu genoteerd gaan, dit jaar moeten blijven gaan. Ten eerste waren er al beduidend minder peren en ten tweede moeten ze de lagere prijs van de appels compenseren, zodat de rekening klopt aan het einde van het seizoen. De onkosten worden namelijk niet lager naarmate de prijs van ons fruit daalt.
“Waarom zijn de appels dan goedkoper?” hoor ik een buitenstaander vragen. Het antwoord is simpel: er zijn er gewoonweg te veel. Hoe dikwijls hebben we nu al gezien dat er wel ergens in de wereld massaal veel appels aangeplant worden als de prijzen goed gaan ervoor? We hebben de concurrentie met de Franse Golden gehad. Later was het zuidelijk halfrond de boosdoener en nu overspoelt het voormalige Oostblok – met Polen op kop – in Rusland maar ook in Duitsland de markt met goedkope appels. Onze appels zijn beter, maar die van hen zijn goedkoper. Zij kunnen ze leveren aan een prijs waarvoor je hier amper papier in de kisten kan zetten, laat staan iemand betalen om ze in te pakken – en dan heb ik het nog niet over het product zelf.
Natuurlijk zal er in die landen volgend jaar waarschijnlijk wel een lagere productie zijn. Als je een jaar enorme producties haalt, heb je het jaar daarna altijd wat minder. Het zal langzamerhand ook wel verminderen dat ze zo goedkoop kunnen produceren; de lonen zullen er ooit gelijk komen met hier en ze zullen daar ook moeten blijven investeren. Tot een jaar of drie geleden vond je hier geen tweedehandsmachines of -tractors meer. Nu kopen zij ginder ook liever nieuw materiaal, dat naar hun normen toch wel wat geld kost.
Persoonlijk denk ik dat we als Belgische telers moeten blijven gaan voor kwaliteit en vers product. Toen ik in november appels leverde, kreeg ik voor de kleinere maten nog wel een redelijke prijs, later in december ook nog, maar eenmaal februari was het ‘gene vette’ meer zoals ze hier zeggen.
Iets wat zeker nefast is voor de prijsvorming – zowel van appels als van peren – is individualisme. Hiermee bedoel ik mensen met een kortetermijnvisie, die nog steeds denken dat geld geld is en voor wie het niet uitmaakt waar het vandaan komt. Bij zulke mensen is de coöperatieve gedachte ver weg en ze verkopen hun fruit aan iedereen. De dag dat hun handelaar niet meer komt opdagen of dat die elders kan profiteren, reppen ze zich terug naar de veiling en zijn ze content dat ze daar mogen leveren. Als je weet dat men zestig jaar geleden hemel en aarde bewogen heeft om telersverenigingen op te richten, dan zou het dwaas zijn om nu opnieuw elk zijn eigen fruit aan te bieden. Ook de veilingklok mag je niet zomaar afschrijven. Waar men dat wel gedaan heeft, is men bijna jaloers op ons omdat wij steeds bleven geloven in de verkoop langs de klok.
Op ons bedrijf staat de veiling wel goed aangeschreven. Wij zijn als kind opgegroeid met eerst de veiling in Glabbeek, en later met de Belgische Fruitveiling. Natuurlijk zijn er ook al eens mindere momenten. De zon kan niet alle dagen schijnen, zegt men. Maar als teler ben ik blij dat ik een gegarandeerde afzet heb – tot de laatste kilo fruit, dag na dag en voor elke fruitsoort, of ze nu moeilijk of vlot verkoopbaar is.
Het is mijn mening dat we de veiling weer meer moeten gaan zien als een stuk van onszelf. Het is tenslotte ook onze enige betrouwbare handelspartner, waarmee je als lid een engagement hebt aangegaan de dag dat je je als aandeelhouder inschreef. Misschien is dat wel eens iets om over na te denken tijdens deze paastijd.
Bij deze wens ik ook alle lezers zalige en gezellige paasdagen toe.

– Kris Van der Velpen

april 2, 2009

Wie moet ik nog geloven?

Ingedeeld onder: Pierre Michels — melkbrigade @ 7:19 pm

Vorig jaar was iedereen zeker dat de prijs van de landbouwproducten nooit meer zou dalen. We begonnen aan de hemel te denken, maar we zijn in de hel gevallen. Een mooi voorbeeld daarvan is de tarwe. Ik wou onlangs een deel van mijn nieuw uitgezaaide tarwe verkopen. De vertegenwoordiger die ik hiervoor aansprak, vroeg mij of ik dat niet aan een andere kon vragen … Vorig jaar liepen ze bij de oogst mijn erf op en af om toch maar aan tarwe te geraken en nu zitten ze hier met hun silo’s vol onverkoopbare granen. Dit jaar zullen ze zelfs geen enkele kilo zomergerst, erwten, haver enzovoort aankopen, want ze geraken niets kwijt.
Hier in Frankrijk legt het departement ieder jaar de tarweprijs van de coöp vast. Vorig jaar stond hij bij de oogst bijvoorbeeld op 135 euro per ton. Stijgt de tarweprijs, dan krijgen wij als coöperatieboeren een bijslag; daalt de prijs, dan krijgen we de vastgestelde prijs. Bij tarweprijzen van 300 euro vorig jaar, zijn er wel veel zelfstandige graanhandelaars bijgekomen en dat heeft voor een enorme concurrentie gezorgd. De directeurs van de coöps hebben in de zomer 2008 al hun wapens bovengehaald om toch graan aan te trekken en nu zitten ze allemaal met veel te duur graan – dat dus onverkoopbaar is. Binnenkort zullen wij op de vergaderingen van de coöperatie wel horen hoeveel miljoenen ze verloren hebben en wie gaat dat betalen – wij trouwe coöpboeren, en niet die overlopers!
Mijn ene coöp heeft zo zijn eigen manier om boeren met hun tarwe te lokken. Ze dachten dat de prijs van de tarwe na de oogst weer zou stijgen – en eigenlijk dacht iedereen dat, ik ook. Ze losten de karren tarwe van de eerste boeren gewoon op de grond naast de silo’s, goed in het zicht van de straat. De boeren die daar langskwamen, zagen die tarwe op het plein en dachten: “Tiens, ze moeten daar wel een goeie prijs geven, want hun silo’s zitten vol – waarom zou de tarwe anders buiten liggen in de regen?” De grote boeren of herenboeren – die traditioneel aan de zelfstandige handelaars verkopen – passeerden daar ook. Uit nieuwsgierigheid stuurden die hun ‘teeltverantwoordelijke’ naar de coöp om te horen welke prijs die zou bieden. Ze konden niet persoonlijk gaan, want in hun ogen zijn wij coöpboeren een soort ‘bende communisten’ en te klein om mee te praten. Die ‘chef’ kwam dan terug met twee prijzen: de gewone prijs voor als hij zelf zou aanvoeren, maar een hogere prijs als de herenboer het graan zou brengen. Wanneer er zo enkele herenboeren tarwe aanbrengen, geeft dat een enorm effect langs de weg. De boerinnen – die hier meestal de tarwe afvoeren – melden dan achteraf aan hun man in de maaidorser dat ze iets nieuws gezien hebben: die herenboeren kunnen ook met de tractor rijden en dan nog wel naar onze coöp! Als ze aankomen in de coöp en langs de weegbrug gepasseerd zijn, mogen die herenboeren, begeleid door een arbeider, binnen in de loods storten. Niet dat het een andere variëteit is dan de tarwe die buiten gestort werd, maar gewoon omdat zo’n chique boer niet kan achteruitrijden met zijn kar.
In Vlaanderen bestaat zo iets belachelijks niet, maar in Frankrijk is dit realiteit en ik weet zeker dat mijn Vlaamse collega-boeren in Wallonië datzelfde fenomeen ook kennen. En natuurlijk trekt mijn coöp met die technieken automatisch nog meer boeren aan, want volk trekt volk. Wie durft er trouwens naar een lege silo rijden? “Als een silo niet vol geraakt, dan moet eriets verkeerds aan de hand zijn”, denkt iedereen.
Mijn andere coöp maakt het nog bonter om die zelfstandige handelaars te beconcurreren. Nadat ze de laatste tarwe ingeslagen hebben, vertrekken de arbeiders en de verkopers van mijn coöp met hun auto’s en vrachtwagens naar het noorden – waar de oogst nog niet gedaan is en waar de thuisbasis ligt van hun concurrenten, de graanhandelaren. Daar proberen ze dan die zelfstandigen een loer te draaien. Op zo’n honderd meter voor de ingang van de concurrentie, houden ze alle tractoren met graan tegen en ze bieden die boeren een prijs ver boven de prijs die ze anders zouden krijgen. Die graanhandelaars zitten dan wel met een groot probleem: ofwel betalen ze meer – en die van mijn coöp vertrekken meteen want hun doel is bereikt – ofwel verliezen ze hun cliënten. Niet dat die boeren uit het noorden dan bij de coöp komen, want onze mannen kregen de opdracht de prijs zoveel mogelijk op te drijven zonder maar een kilo te kopen en met allerhande oneerlijke truken.
Zo zitten al de coöps vol onverkoopbare tarwe. Binnenkort zullen we erover vergaderen. Het is nu al zeker dat ze de nieuwe tarwe boven de oude zullen stockeren. Maar zullen ze bij de ban(k)dieten nog aan geld raken om ons voorschot voor 2009 te betalen? De coöperaties zijn in de jaren dertig van de vorige eeuw gestart vanwege de falende graanhandelaren en nu gaan ze zelf in de fout …

Pierre Michels

Blog op Wordpress.com.