Mijn dagboeken in Boer & Tuinder

juni 17, 2009

Land van hoop en glorie?

Ingedeeld onder: Luc Callemeyn — melkbrigade @ 9:33 am

Het is precies 5 jaar geleden dat ik u hier het verslag bracht van onze reis naar Amerika met onze fokkerijclub Westhoek Holsteins. Ik ben nu net een week thuis van de tweede editie. Waar wij de vorige keer de streek van Michigan en vervolgens Canada bezochten, trokken we nu meer naar het warme zuiden met als start de omgeving van Dallas in Texas en vervolgens New Mexico, Arizona, Nevada en California. Niet alleen het klimaat was er anders (zeer heet), we kwamen ook terecht op de mega-grote bedrijven. Naar schatting hebben wij op onze reis 50.000 koeien gezien en ongeveer 70.000 stuks jongvee. Zo zagen wij bedrijven van 200 tot 10.000 koeien, of ook een jongvee opfokbedrijf met 26.000 dieren van 8 – 23 maand. Niet te geloven allemaal, als je dan met de bus aan het rondrijden bent in de voedergangen en op het bouwblok van een slordige 150 hectaren, loodsen, silo’s en mestopslag inbegrepen. Wat dacht je van een bedrijf waar 7 mengvoerwagens constant voeder aan het bereiden zijn? Of 4000 kalverhutjes waar elke dag 100 à 150 verse kalveren binnenkomen die moeten biest krijgen?
Het was imponerend om te zien, maar tegelijk ook confronterend om te leren hoe men omgaat met de diverse productiefactoren zoals: klimaat, voeder, arbeid, gebouwen en kapitaal.
Het heeft mij verrast dat er zoveel onproductieve oppervlakte is in de VS. Wij hebben ongeveer 6000 km afgelegd met de bus en daarvan was meer dan de helft gebieden met droge prairie, rotsen, bergen of zandvlakten met cactussen. Niet alleen is het daar warm, in de zomer gemiddeld 35-45° met uitschieters tot 50°, er valt ook bijzonder weinig neerslag, tot 300 liter per jaar. Zo zagen we heel veel grote watersproeiers die tot 60 ha in één cirkel konden beregenen, tot 600 liter per vierkante meter. Door de warmte kan men dan wel tot 2 oogsten per jaar hebben (tarwesilage + maïs) maar iedereen vroeg zich af hoe lang zulke roofbouw op het grondwater nog mogelijk is. Het voeder van de grote melkveebedrijven wordt dikwijls van 1000 km ver aangevoerd, liefst zo droog mogelijk om zoveel mogelijk kg ds te vervoeren per vracht. Op de boerderij voegt men dan wel weer water of kaaswei toe voor de smakelijkheid.
De kosten voor gebouwen zijn minimaal, een corral (grote box) afgespannen met staaldraden en een voerhek en in het midden een afdakje voor wat schaduw tegen de verzengende hitte, precies groot genoeg dat alle koeien er onder kunnen. Er zijn dan wel gigantische hoeveelheden ventilatoren die wat luchtstroming moeten teweegbrengen, of ook koudwatersproeiers aan het voerhek. De mest in de corral wordt met de tractor steeds weer verdeeld zodat hij vlug kan opdrogen en die wordt later uitgeschept en verder gecomposteerd en gedroogd voor de akkerbouw. Ofwel wordt de mest uit de loopgangen opgezogen en op een betonvlak verdeeld om te laten drogen. De gangen worden regelmatig gespoeld met recyclagewater van de mestverwerking zodat ook het zand dat uit de ligboxen valt weer kan gerecupereerd worden.
Arbeid is nog steeds vlot beschikbaar in Amerika, en zeker door de huidige recessie is het niet moeilijk om aan goedkope werkkrachten (Mexicanen aan 3-5 dollar per uur) te komen. Kijk dan maar niet te nauw naar hun huisvesting, ik zag krotjes waar je in Vlaanderen nog geen vergunning zou voor krijgen om varkens in te houden. Wat betreft efficiëntie is er nog niet veel veranderd, 1 man doet net als bij ons ongeveer 50 koeien. Op het grootste bedrijf met 10.000 koeien is dit wel 200 man personeel, om dat te leiden moet je niet enkel een goede koeiboer zijn, maar ook een uitstekend manager!
De capaciteiten van de manager komen in deze moeilijke tijd voor de melkveehouderij ook tot uiting in het beheer of aantrekken van kapitaal. Vele bedrijven in de VS staan dezer dagen op de rand van het failliet vanwege lage melkprijs, hoge voederkosten en grote aflossingen. Waar we 5 jaar geleden zagen dat vele bedrijven bezig waren om te verdubbelen of meer, zagen we nu mooie recente bedrijven van ongeveer 2000 koeien die niet volzet waren of die leeg stonden. Het laatste jaar geen vaarzen ingeschakeld, of helemaal failliet. Een volgende confrontatie met het kapitaal wordt de volgende maïsoogst. Veel akkerbouwers zijn voor hun vorige oogst nog niet betaald, en wanneer die nu in juli-aug beslissen om niet te hakselen als voeder maar om hun maïs te dorsen (momenteel voor zeer goede prijzen), dan verdwijnt een groot ruwvoederpotentieel.
Bij onze laatste bedrijven die we bezochten bespeurden wij een zekere kentering. Eentje was zijn bevloeide gronden aan het omschakelen van dierenvoeder naar wijngaarden en amandelnoten, een ander maakte plannen om de bio-melk van zijn 800 koeien te gaan verwerken tot boter en kaas. Tja, ook daar staat de evolutie niet stil.
Ik ben blij dat ik weer terug ben, straks kan ik 3 ha tweede snede gaan maaien voor mijn 75 koeien. Toch weer met de voetjes op de grond.

Luc Callemeyn

Overschakelen naar Plan B

Ingedeeld onder: Dagboek B&T — melkbrigade @ 9:33 am

Tijdens het interviewen van een bekend persoon wordt er soms naar een ‘plan B’ gevraagd. Daarmee bedoelen ze welk beroep je op de tweede plaats in gedachten had. Wel, ik heb daar ook al dikwijls bij stilgestaan. Ik ken collega-landbouwers die gedeeltelijk uit de sector gestapt zijn en een nieuwe start als werknemer genomen hebben. Dat stemt toch tot nadenken! Zelf ben ik geïnteresseerd in heel wat verschillende beroepen. Zo heeft het me altijd al aangesproken om ambtenaar bij het parket te worden. Waarschijnlijk kunnen jullie de link niet leggen, maar ik heb nog een tijdje Rechten gestudeerd. Het fascineert me hoe deze mensen ongevallen, dubieuze sterfgevallen, moordzaken enzovoort ophelderen.
In de tweede plaats had ik graag iets in de horeca ondernomen, want ik kook en bak met veel plezier. Ooit – misschien als mijn kinderen groter zijn – wil ik aan het vormingsinstituut kooklessen volgen. Bij KVLV lassen we elk jaar drie of vier kooklessen in. Ons gezin is voor de bakker een slechte klant want mijn brood bak ik zelf, van gewoon bruin tot volkoren en rozijnenbrood. Sporadisch halen we nog een taart bij de bakker. Het geeft een grote voldoening als je een eigen creatie op tafel kan aanbieden. Het lukt de ene keer beter dan de andere, maar we zijn allemaal maar amateur-bakkers. Ik ben misschien wat ouderwets, maar mijn mayonaise bereid ik ook zelf. Je weet dan tenminste wat er allemaal insteekt en de smaak is helemaal anders. Natuurlijk komt er bij mij soms ook kunst- en vliegwerk aan te pas en dan zet ik een maaltijd op tafel uit een bokaal.
Graag had ik onze jongste zoon naar de hotelschool gezonden, want hij heeft ook een boontje voor koken. Het mocht niet baten, de interesse is er wel maar niet voldoende om er zijn beroep van te maken. Ik begon al te dagdromen. Matthijs baat een restaurant uit en mama helpt in de keuken mee want een helpende hand blijft toch steeds welkom. Ik probeer graag een nieuw recept uit en dan geeft iedereen op een score op tien. Mijn ene keukenkast zit vol kookboeken en mappen met recepten die ik verzamel uit tijdschriften als Libelle of Nest, enzovoort.
Toen mijn plannetje maar niet wou lukken, zijn we in de slagerijschool op bezoek gegaan. Misschien zou hij zijn gading vinden als slager. Dan kon ik in zijn slagerij helpen. Maar nee hoor, na ons eerste bezoek zakte het enthousiasmepeil tot nul. Hij zou absoluut geen slager meer worden. Misschien probeerde ik te veel mijn gedachten in zijn handen te leggen. Iedereen moet zijn eigen weg vinden en blijkbaar kronkelt die van Matthijs tussen de struiken en de bomen. Hij wilde last but not least tuinaanlegger worden. Als er nu één iets is waar ik echt geen verstand van heb, is het toch wel daarvan. Ik heb absoluut geen groene vingers, zelfs een cactus kan ik laten sterven – en dat is toch niet evident, hé!
We zullen het maar vanuit de positieve hoek bekijken: binnen afzienbare tijd hoef ik de tuin niet meer te onderhouden. Mijn tuinman zal dat wel doen. Zelfs nu doet hij het al gedeeltelijk. Ieder weekend rijden de kids het gras af. Ze hebben samen een moestuintje en regelmatig wordt het onkruid verwijderd. Ik had bij hoog en bij laag gezworen nooit meer een moestuintje aan te leggen, want het eindigt toch altijd in een herbarium van soorten onkruid. Mijn man kreeg toen de opdracht om het tuintje maar weer bij het gazon te brengen. Nu mijn twee zonen les volgen in de tuinbouwschool, willen ze wat experimenteren. Het gevolg daarvan is dat het gazon weer gedeeltelijk omgespit werd en de moestuin is ‘back’.
Genoeg gemijmerd, ik zal maar opnieuw witloof gaan plukken. We gaan onze laatste twee weken in. Daarna wordt het tijd om de stress even aan de kant te schuiven. We stoppen tot half augustus. Intussen hebben we vruchten op het land waarmee we bezig zijn. We hebben een eerste vrucht bloemkolen staan. De nieuwe witloofwortelen zijn al gedeeltelijk gezaaid. Later zullen we die wat dunnen, het onkruid verwijderen enzovoort. We zijn blij dat we onze geest wat kunnen laten rusten, want het was nu ook geen seizoen om in de annalen te noteren. Je zou er de moed bij verliezen. Momenteel herstelt de markt zich een beetje. Aan alle witlooftelers wil ik graag het volgende meegeven: laat de moed niet zakken. Het is niet plezant om voor een minimumprijsje je product op de markt te brengen. Maar ik houd me aan één gedachte vast: “Het is nog nooit slecht blijven gaan en het tij zal wel keren. Na regen komt de zon altijd weer tevoorschijn!”
– Sofie Vansteelandt

Blog op Wordpress.com.