Mijn dagboeken in Boer & Tuinder

oktober 2, 2010

Wie niet zaait zal niet oogsten.

Gearchiveerd onder: Dagboek B&T,Luc Callemeyn — melkbrigade @ 3:02 pm

De organisatie van onze opendeurdag op 22 augustus mogen wij gerust in onze geschiedenisboeken schrijven. Wie zich ooit met zoiets heeft beziggehouden weet dat dit bergen werk met zich meebrengt. Wanneer het resultaat echter goed is dan vergeet je dat vlug. Een succes was het zeker, want wij schatten het bezoekersaantal toch op ongeveer 4000. Wij waren ook bijzonder verheugd dat wij zoveel mensen konden begroeten die vaste klant waren van de markt te Brugge. Daarnaast hadden wij niet minder dan 420 lekkerbekken op de middag om onze kaasschotel te proeven. Voor de drankvoorziening in de tent konden we rekenen op de steun van de jonge KLJ van Jabbeke, op en rond het bedrijf deden buren, familie en vrienden hun uiterste best om hun beste beentje voor te zetten. De hele dag hadden wij een bijzonder goed gevoel hoe het allemaal op wieltjes liep omdat wij zagen dat iedereen op de perfecte plaats ingeschakeld was, elk volgens zijn capaciteiten en mogelijkheden. Dat ging vanaf het persoonlijke onthaal aan de ingang tot de karnemelk proeverij, de kinderanimatie, de drankbedeling in de tent en aan de machine expo, de verkoop van kaas in onze nieuwe winkel tot de algemene orde op de boerderij. Zo bleef er voor onszelf voldoende ruimte om iedereen persoonlijk te begroeten. Wij hebben wel ervaren dat wij misschien wel 500 tot 1000 collega’s uit de landbouw “gemist” hebben. Het was immers die zondag zeer goed weer en heel de streek was met man en macht bezig om de restanten van de oogst binnen te halen. Maar zo konden wij een veelgehoorde opmerking weerleggen dat het zo moeilijk is om de burger te bereiken op een opendeurdag, dat het altijd boeren zijn die bij boeren op bezoek gaan. Bij ons was onze echte klant duidelijk in de meerderheid.
Was er dan niets minder rooskleurig te melden? Jawel, dat zoiets voor één dag organiseren allemaal zoveel geld kost. Een spantent van 45 meter mét plankenvloer, tafels, stoelen, versiering, drukwerk en promotie, veiligheid, proevertjes, kookdemonstaties en al het werk van de opkuis voordien, de stallen waren dan ook van top tot teen gereinigd én begaanbaar voor de bezoekers. Gelukkig is er goed gewerkt in de nieuwe hoevewinkel door onze enthousiaste verkoopsters. Zo nu en dan zie je eens afgunstige gezichten die je fijntjes melden dat er wel goed verkocht is in de winkel hé ? Dat zijn van die simpele zielen die nog nooit van economie gehoord hebben en die denken als je 10€ verkoopt dat je die 10€ dan privé mag uitgeven. Was het maar waar, al die kaas die bij ons maanden (of jaren) ligt te rijpen dat is wel ons uitgestelde melkgeld, vermeerderd met de productiekosten en onze arbeid! Maar je hoort ons niet klagen, zelfs nu nog krijgen wij nieuwe klanten over de vloer die afkomen op de gevoerde promotie of klanten van de markt die toch zo blij zijn dat ze “hun” kaasboerin eens aan het werk gezien hebben. Het is ook positief dat wij soms gecontacteerd worden door diensten of organisaties die plots ontdekken dat hier geen prutsboertje aan het werk is maar dat dit op een echte KMO gelijkt. Zo werden wij na de opendeurdag door de voorzitter van Unizo genomineerd als kandidaat voor “Creatiefste ondernemer van Noord-West Vlaanderen”. Jawel!
Ja, dit lijkt misschien op stoefen met onszelf dat wij zo populair zijn. Soms heeft dit ook zijn negatieve gevolgen. Zo werden wij in de voorbije week driemaal gecontacteerd om mee te werken aan een sociaal project ter bevordering van sociaal zwakkeren of ontwikkelingshulp. De verhalen waren divers, maar er was één constante, er werd beroep gedaan op onze bereidwilligheid of onze vrijgevigheid om hun project uit te voeren. Met de beste wil van de wereld, maar moeten wij daarvoor zwaar investeren in een aantal nieuwe gebouwen, in jarenlange know-how en ervaring? Daarnaast werden wij deze week gecontacteerd om een onderdeel te vormen van het nieuwe kookprogramma “Dagelijkse kost” op Eén. De moderne programmamaker stuurt een jongedame uit om een voor-verslagje te maken met wat foto’s en regelt de rest via telefoon en mail. Uren zijn we er al mee bezig geweest. En dan moet je nog plooien naar hun agenda: hun plan was om rond de middag tegelijk het kaasmaken en het melken te filmen. Eigenlijk beantwoorden wij niet helemaal aan hun normen want zij zochten een authentieke kaasmakerij met veel hout en weinig inox en misschien liefst nog een kromgewerkte maar enthousiaste boerin erbij. Op 24 oktober komt dit in het programma en er zullen allicht weer een aantal nieuwe mensen zijn die dit gezien hebben. Maar promotie loopt niet altijd van een leien dakje. Zorgen voor een prima product is het belangrijkste. Zo moeten wij nu al beginnen kaas maken als wij nog iets willen verkopen op Agriflanders in januari.

Luc Callemeyn
creatieve melkproducent

De nazomer

Gearchiveerd onder: Dagboek B&T — melkbrigade @ 3:01 pm

Pierre Michels, gemigreerde Vlaamse akkerboer

Uiteindelijk heb ik dan toch mijn dak vol zonnepanelen laten plaatsen. De oude asbestplaten hebben we zelf verwijderd, maar we kunnen ze nergens kwijt, zelfs niet op het containerpark. Half oktober, als de omvormers toekomen, hoop ik dat het systeem in werking treedt. Nog een geluk dat de verkoper de formulieren vóór 1 september heeft ingediend. Oorspronkelijk zouden we 60 cent krijgen per kilowattuur (kWh), maar die prijs ging op 1 januari naar 50 cent en nu naar 42 cent – en dat zou het systeem onrendabel maken. Kort gezegd, de Franse regering zakt hier sneller met de afnameprijs dan de zonnepanelen dalen in aankoopprijs.
Ik heb nu een contract van 50 cent per kWh gedurende twintig jaar. In theorie moet de installatie na twaalf jaar terugbetaald zijn. De installatieprijs is 4300 euro per kilowattpiek (kWp). Voor het dak op mijn huis ben ik nu ook aan het onderhandelen. Dat zou opnieuw zo’n 230 m² panelen zijn. De prijs hiervoor komt op 3600 euro per kWp, voor monokristallijne, niet-Chinese panelen. Voor de elektriciteit opgewekt op een huis krijg ik 51 cent per kWh gedurende twintig jaar. Voor zonnepanelen op een huis betalen ze dus meer dan voor panelen op de stal. Het dossier zou klaar moeten zijn voor 2011, want daarna zakken de prijzen van de energie opnieuw. De Franse regering heeft wel het inkomen uit nevenactiviteiten zoals zonne-energie opgetrokken van 50.000 naar 100.000 euro per jaar, zonder dat je een aparte vennootschap hoeft op te richten.
Er zijn nog weinig banken die zo’n projecten willen financieren en van mijn verzekeraar hoor ik ook niets meer.
We zijn onze eerste aardappelen beginnen te rooien en ik zie weinig verschil qua opbrengst tegenover vorig jaar. Aan de Franse boer waar mijn zoon soms helpt, bood de koper 280 euro/ton voor Charlotte. Omdat mijn zoon bij de prijsonderhandeling was, weet ik dat die boer 300 euro wil voor zijn aardappelen. Hij gaat ze nu opslaan in palloxen in zijn koeling, want hij is zeker is dat hij deze winter wel die prijs zal krijgen.
Intussen heb ik eens getelefoneerd naar de Belgische conservenerwtenindustrie. Die zijn blijkbaar absoluut niet van plan om voor volgend jaar hun contractprijzen te verhogen, zelfs de oppervlakte niet. Wel, volgend jaar zullen ze hier slechts een hoek en een kant krijgen – als ze braaf zijn. Wij Franse boeren zijn niet onnozel, hoor. Ze komen hier anderzijds met tarwecontracten van 180 euro/ton voor levering in november 2011 of 173 euro bij de oogst in 2011.
Het koolzaad is financieel goed geweest. Ik zie trouwens dat er meer gezaaid is eind augustus. Maar ja, ze moet de winter nog doorkomen. Onze suikerfabriek biedt ons bietenquota aan tegen 22 euro/ton. Dat quotum komt van een overzees departement, waar ze gestopt zijn met de bietenteelt. Ik heb zoveel aangevraagd als ik kan krijgen.
In totaal hebben we een 850 ha tarwestro geperst en amper 80 ha wintergerst. Op die 850 ha heb ik juist 4999 pakken van 300 kg geperst. Dat maakt 1760 kg stro per ha en dat is belachelijk weinig. Vorig jaar was dat 2300 kg/hectare en zelfs dat was niet veel.
Dit jaar heb ik van mijn weide van 102 hectare op de luchthaven in totaal 300 kg hooi per hectare opgeraapt. Ik kan er zelfs de compost en stikstof niet mee betalen die ik erop geworpen heb. Ik ga er nog twee jaar verder op boeren en als het rendement niet verhoogt, dan stop ik ermee. Het ergst van al is dat een oude Franse boer me had verwittigd dat het gras het enkel goed doet vanaf de grens van Noord-Frankrijk. Dus in België is het beter en in Nederland nog beter.
Op de luchthaven mag ik ook nog luzerne zaaien, maar ik kan dat aan niemand verkopen – tenzij we starten met rundvee. Ik word nu 53. Is het nu nog nodig dat ik als een zot blijf werken? Als ik mijn beide zonen en vrouw niet rond mij heb, ontzie ik het me eigenlijk. Waarschijnlijk zal ik moeten werken tot mijn 67 jaar, dus nog 15 jaar. Mijn zonen vinden dat ik nu een nieuwe tractor met een stropers moet kopen, maar dat is opnieuw 200.000 euro die we moeten ophoesten in alsmaar slechtere tijden. De gloriejaren van de rundveeboeren komen immers niet terug. Dus gaan we maar vooruit in de zonnepanelen. Daar hoef je tenminste niet aan te werken. Ik moet enkel de productiehoeveelheid opvolgen via de computer.

Onze zomer van 2010

Gearchiveerd onder: Dagboek B&T — melkbrigade @ 3:00 pm

Sofie Vansteelandt, witloofteler

Het is gewoon onvoorstelbaar hoe grillig Moeder Natuur kan zijn. We moeten dringend aardappelen rooien en we weten op geen honderd jaar of het zal lukken. Het heeft de laatste maand enorm veel geregend. Men beweert dat ons klimaat begint te veranderen en je zou het nog gaan geloven ook. Pas op, ik ben absoluut niet groengezind, maar ik heb nu toch mijn twijfels.
Tijdens de maand juli rooien we bloemkolen. Dat beschouwen we als de vakantiejob van onze juniors, maar ook voor onszelf blijft het een beetje plezant. We kunnen eindelijk de deur van het pluklokaal dichttrekken. De zon lonkte al een heuse tijd, maar zolang we witloof kweken, zijn we genoodzaakt om binnen te werken. We hadden bij de bloemkolen maar één groot probleem: onze plantjes hadden enorme dorst en wijzelf hebben niet genoeg grondwater. Dus was er maar één oplossing: water laten komen. Een transporteur in ons dorp is verschillende malen onze open put met water komen vullen. Mijn oudste zoon en mijn man wisselden af om het water rond te voeren. Het was een kwestie van de bloemkoolplantjes in leven te houden. Het is een ware zegen wanneer je als landbouwer bij een beek of plas woont. Tijdens de wintermaanden kan dat wel roet in het eten gooien, maar ’s zomers ben je toch gerust. We hebben het overleefd. Ik zei steeds: “En dat het in de winter zo nat kan zijn, onvoorstelbaar!” Maar het is nog geen winter en het is al zo ver. Momenteel schijnt de zon wel en we genieten van de laatste zomerse zonnestralen.
De kogel is door de kerk. Wie mijn dagboekbijdrage trouw leest, zal zich wel herinneren dat mijn jongste zoon graag kokkerelt. Wel, op 1 september is hij van school veranderd. Vroeger ging hij samen met zijn broer naar de landbouwschool. Hij zou tuinaanlegger worden. Mijn oudste zoon wil boer worden en de zaak voortzetten. Geen nood: een boer en een tuinaanlegger en mijn broodje zou binnen de kortste keren gebakken zijn. Maar van broodjes gesproken: de jongste is nu dus gestart in de bakkersschool in Brugge. Dat is wel een enorme omschakeling. Waarschijnlijk zal hij nu zijn gading vinden. De lessen zijn pas een tweetal weken bezig, maar op dit ogenblik denkt hij dat hij de juiste keuze gemaakt heeft. Het is wel een school met een totaal ander regime: beleefdheid en vóórkomen spelen er nog een belangrijke rol. Ik ben daar absoluut voorstander van, onze jeugd kan wel wat discipline gebruiken. Ik bedoel daarmee ‘de jeugd in het algemeen’, natuurlijk. Laten we enkele voorbeelden bekijken. Als je ’s morgens in je klas binnenkomt, blijf je naast je bank staan totdat de leerkracht zegt dat je mag gaan zitten. Als wij ergens binnenkomen, gaan we toch ook niet op de eerste de beste stoel zitten? Wij blijven toch ook beleefd wachten? ’s Morgens wandelt er een leerkracht op de speelplaats om de uniformen te controleren. Geen probleem, je kent de regels van het huis en die moeten gerespecteerd worden. Dat hoort in mijn huis ook zo. Dus, laat onze jongste maar begaan … We hopen binnen de kortste keren ons eerste stukje taart te mogen verorberen. We zijn in ieder geval in blijde verwachting ervan!
Onze grote vakantie is wel in mineur geëindigd. Mijn schoonmoeder is op 74-jarige leeftijd overleden. In 2008 werd bij haar voor de eerste keer kanker vastgesteld. Ze heeft een zware chemosessie ondergaan en na een hele tijd werd ze weer beter. Haar haren groeiden terug en we dachten allemaal dat het ergste achter de rug was. Na een ruim jaar is ze hervallen en toen is het geleidelijk bergafwaarts gegaan. Ik denk dat ze de enige patiënt was die zo’n doorzettingsvermogen en vechtlust had. Als je op bezoek ging, had je je eigen problemen verteld en ze had aandachtig geluisterd, maar van haar eigen ellende sprak ze niet. Veel mensen hebben haar gekend. Ze was een actief bestuurslid van onze KVLV en ze was ook een van de pioniers die in de jaren 70 in het proefcentrum van Beitem witloof leerden telen.
We hebben weer eens ons lesje geleerd. ‘De bomma’ is gestorven en ze heeft niks meegenomen – noch haar mooie bloemen, noch haar mooie foto’s. Alles laat je achter als je sterft. We werken veel, maar naast ons werk proberen we ook nog een leven te leiden en te genieten. Dan kan je natuurlijk de vraag stellen: “Wat is genieten?” Een antwoord daarop geven, is moeilijk, maar ik denk dat je dat voor jezelf moet uitmaken.
We zien het leven vanuit een ander oogpunt. Een sterfgeval in je naaste familiekring stemt toch tot nadenken. Waar zijn we in godsnaam toch dikwijls mee bezig? Veel dingen worden nu weer tot de groep van de futiliteiten verbannen en belangrijkere zaken komen op de voorgrond.

‘Ik heb een tuintje in mijn hart, alleen voor jou’

Gearchiveerd onder: Henk van Beek — melkbrigade @ 2:59 pm

Henk van Beek, boomkweker

Wat is het weer snel gegaan. De eerste week van september ligt alweer achter ons. De jongeren zijn weer naar school. Ik zie sommige boeren voor een laatste maal gras rapen en het zal waarschijnlijk niet meer lang duren voor ze aan de maïs beginnen. Ook in de boomkwekerij is het nu volop bedrijvigheid met leveren, uitsluitend containerplanten dan.
Ook hier zijn we dagelijks in de weer met het klaarmaken van orders, voor tuincentra zowel als voor de export. Dat is op zich een goed teken, geloof ik, maar dat weet je nooit zeker. Hier was het zo erg dat we eind juli onze eerste levering moesten doen. Planten stonden net buiten op hun plaats en waren in volle groei. Maar de klant is koning; dus als zij vragen, dan leveren wij – ook al heb ik er een hekel aan om planten zo vroeg in het seizoen af te leveren. Dat maakte dat we niet echt rust hebben gekend deze zomer. Al waren we dankzij de hulp van een jobstudent tijdig klaar met de grote werkzaamheden. Door die vroege afroep van de planten en omdat we nog een restantpartij heide veilden begin augustus, hadden we alle dagen wat om handen. Daar kwam nog bij dat we steeds het nodige snoeiwerk hebben. We moeten wildopslag verwijderen, onkruid wieden en tijdig ingrijpen bij plagen en ziekten. Gelukkig was de druk van plagen en ziekten relatief laag hier.
Augustus was goddank niet extreem warm, met geregeld een goede regenbui. Beter dan juli, toen vroeg vooral het beregenen veel van mijn tijd en zelfs extra avondwerk. Hoe zwoel de zomer ook mag zijn, een prille relatie is snel bekoeld wanneer ze te weinig aandacht krijgt. En zo ben je weer single. Ben ik te laat voor het nieuwe seizoen van ‘Boer zkt vrouw’? Misschien maar goed ook.
Deze week stond de boomkwekerijsector nog eens versteld. Nederlandse vakbladen bevestigden dat een van de grotere laanbomenkwekers officieel failliet was. Een bedrijf met naam en faam, meer dan 120 hectare jonge én oude laanbomen, en 28 mensen in dienst. Met een beetje geluk zou men proberen een doorstart te maken, indien er investeerders opdagen. Veel succes, zou ik zeggen. De oorzaak van het faillissement was een sterk verminderde afzet naar het buitenland, maar het fijne weet je toch nooit. Het is trouwens niet de eerste maal dat we dergelijk nieuws vernemen. Hier in België zijn de laatste decennia al meerdere grote boomkwekerijen failliet gegaan. De juiste oorzaak verneem je nooit. Vaak worden er nog enkele kleine bedrijven meegesleurd naar de afgrond. Laat het toch maar een teken aan wand zijn van hoe kwetsbaar je bent als bedrijf, zeker nu. Zou het aan de economie liggen? Tuurlijk niet, dit ligt gewoon aan onszelf.
Al meer dan tien jaar doen wij zaken met Scandinavische klanten. Het transport gebeurt steeds door internationaaltransportbedrijven. In de beginjaren waren dit vaak Denen, Duitsers of soms Nederlanders; de laatste vijf jaar bijna uitsluitend Oostblokkers – Polen, Roemeners of Wit-Russen. De laatste weken hebben we er weer drie op bezoek gehad. Met moeite parkeren ze achteruit op het erf. Ze spreken enkel hun moedertaal, geen Engels, Duits of Frans. En ook CMR-papieren invullen, lukt ze niet. Je krijgt een blanco exemplaar in de handen gestopt, waarbij ze met gebaren duidelijk maken dat je die moet invullen. Persoonlijk heb ik niks tegen die mensen, maar waarom? Een teken aan de wand?
Hebt u vorige week ook ‘Op de eerste rij’ van onze voorzitter Piet gelezen. Moet u toch eens doen als dat nog niet gebeurde. Het ging over zijn verblijf in het arme Afrika. Een prachtige samenvatting over het leven zoals het daar is. Maar vergeet niet, zelfs mijn grootvader heeft nog met paard en kar gereden en zijn koeien gemolken met de hand. Ik weet wel dat ik het niet mag doen, maar ik word steeds nostalgischer met het ouder worden. Ook mijn ambitie verlies ik zo nu en dan. Misschien zit het in de genen, maar ik wil geen zwartkijker zijn. Ik wil een realist zijn. Zo zie ik ook dat we harder moeten werken om net evenveel over te houden, met veel verplichtingen. Dát mag wel, dít mag niet. Administratie alsof ik na mijn uren een ambtenaar ben. Ik durf het niet te zeggen, maar als ik me niet vergis wil het GLB de ketenvorming versterken, terwijl we naar mijn bescheiden mening net in dat bedje ziek zijn. Ik heb erg veel moeite om daar dan ook in te geloven. Was ik maar een boomkweker in Afrika, dan moest het mooiste nu nog komen.
En toch gaan we verder, rug recht, met het gezicht in de zon, genietend van de nazomer. Het is nu maandag 6 september, net over 22 uur. Er kwamen net weer twee faxen en een mail binnen voor orders die woensdag moeten klaarstaan. We weten dus weer wat doen morgen, gelukkig.
Heeft u zondag nog geen plannen! Loenhout is nog steeds een ‘Dorp in Kijker’, met een hoogdag dit weekend – de Bloemencorso. Iedereen welkom.
-Henk Van Beek-

oktober 1, 2010

Sinatra: “I did it my way”

Gearchiveerd onder: Luc Callemeyn — melkbrigade @ 9:42 pm

Een tijdje geleden kreeg ik een telefoontje van de Mestbank dat men graag eens bij mij op bezoek wou komen. Niet echt als dwingende controle, maar wel eerder in het kader van advisering. Wel netjes om dat zo van voordien te laten weten! Oorzaak was een te hoog nitraatresidu in mijn grond waar de koeien heel de zomer op de wei hadden gelopen. Ik stond er van versteld hoe goed deze mensen onderlegd waren over “mijn gronden”. Ze hadden kaarten mee met de hoogtelijnen, met het koolstofgehalte, zelfs met de aanwezigheid van een rotslaag in de bodem. Zo kon het te hoge nitraatresidu op elk van deze waardemeters perfect uitgelegd worden. Kijk, dat snap ik nu niet. Te velde weet men nu perfect hoe een individuele bodem reageert met nitrificatie en uitspoeling ten gevolge van een droge zomer en een nat najaar. Men weet zelfs hoe het komt dat er nitraat in mijn bodem zit, en ook waarom het sommige jaren helemaal niet tot nut komt. Maar hoe komt het nu dat die hoge pieten in Brussel en Leuven daar geen weet van hebben? Hoe komt het dat men jaar na jaar de bemestingsnormen omlaag wil, met als gevolg dat mijn schrale zandgrond geen goede opbrengsten en gezonde gewassen meer zal kunnen leveren? Als al deze gegevens werkelijk ter beschikking zijn, zelfs op perceelsniveau, waarom gebruikt men ze dan niet? Terzijde, deze ambtenaar van de Mestbank was een fan (of niet?) van mijn schrijfsels in dit Dagboek. Toch vroeg hij mij met aandrang om zijn bezoek niet te vermelden bij een volgende publicatie. Iets waar ik natuurlijk niet kan op ingaan. Anders is de persvrijheid in gedrang!
Verleden week hielden wij een officiële opening van onze nieuwe hoevewinkel. Eerlijk gezegd werd er al enkele weken in gewerkt, maar wij doen het graag nog eens in ’t echt, zodoende. Over het hele openingsweekend mochten wij 500 bezoekers verwelkomen. Het doet deugd om van zovele mensen een woord van steun te krijgen bij de voltooiing van ons grote project. Voor onszelf vinden wij dit niet zo uitzonderlijk, het is een (voorlopig) eindpunt van onze drang om onze eigen producten aan een eerlijke prijs te verkopen. Het ontlokt sommige mensen wel eens de opmerking dat het eigenlijk ver gekomen is dat een boer niet alleen moet boeren om een inkomen te bekomen, maar dat hij ook nog volk moet ontvangen, hen eten geven of te slapen leggen met alle bijkomende lasten en lusten. Goed, ja, maar evengoed vind ik het ook niet logisch dat iedere boer verplicht zou moeten zijn om 100 koeien te houden of 100 hectaren of 500 zeugen of 80.000 kippen of 2 hectare serre om een goed inkomen te hebben. Ik houd het er op dat iedereen zijn expansiedrang naar eigen godsvrucht en vermogen moet of kan invullen, en zoals Frank Sinatra zingt “I did it my way”.
Mede door de goede winkelinrichting is het nu wat efficiënter geworden in de verkoop, en alles staat nu wat meer op zijn plaats. Bijna schreef ik hierboven dat het nu wat rustiger geworden is. Schijn bedriegt, want wij maken ons op voor de organisatie van onze Opendeurdag op zondag 22 augustus waar wij werkelijk alle deuren zullen openen. Natuurlijk kadert dit in het meer bekend maken van ons aanbod en onze werking. Het is ons hoofddoel om te tonen hoe het er momenteel aan toe gaat op een modern landbouwbedrijf, en in ons geval met kaasmakerij en zuivelverwerking als neventak. Wij plannen geen spectaculaire activiteiten, dat laten wij over aan de omliggende Landelijke Gildes. Misschien één uitzonderlijke activiteit: wij nodigen onze loonwerker uit om een demonstratie te geven met de hakselaar om balen stro te hakselen voor de droge koeien. Laat de motoren maar brullen! Verder wensen wij ons toe te leggen op het bereiden van een culinaire kaasschotel met diverse verrassende kaashapjes aangevuld met versgebakken brood en onder begeleiding van een streekbiertje. Zo kunnen wij ook tonen dat wij méér in onze mars hebben dan wat gesneden kaasblokjes.
Het spreekt voor zich dat al die schikkingen voor die opendeurdag weer heel wat organisatie teweegbrengen. Ik zal eerlijk zijn, wij hebben niets liever. Wij zijn opgegroeid met het verenigingsleven van KLJ en Groene Kring en wij zien dat onze kinderen op hun beurt meewerken aan school-activiteiten, Kazou of KLJ. Met de paplepel ingegoten zegt men dan. Hun veelzijdigheid weerspiegelt zich dan ook in de organisatie van ons bedrijf; Soms zijn zij van het ene moment naar het andere bezig met het opstellen van een tekst, het maken van etiketten, videobestanden afspelen, koffie bedienen of bestellen in de winkel. Niet zelden worden zij dan ook ingeschakeld in het landbouwbedrijf en melken zij de koeien, geven de kalveren of rijden met de tractor. Dit geheel van vaardigheden zijn ervaringen die zij in geen enkele school kunnen leren maar die goed van pas komen onder toeziend oog van ons als ouders. Zo leren zij ook flexibel te zijn in samenwerking met anderen.
Ook weer helemaal onze “Way of life”

Luc Callemeyn

De nieuwe tijd

Gearchiveerd onder: Pierre Michels — melkbrigade @ 9:42 pm

Onlangs herlas ik mijn Dagboek van 15 juli 2005, met als titel ‘In afwachting van de nieuwe tijd’. Toen ik de tekst las, was ik erg verbaasd, want wat ik toen geschreven had, is allemaal aan het uitkomen. Het belangrijkste was dat de golfstroom in de Atlantische Oceaan van richting aan het veranderen is. Toen schreef ik dat het in Frankrijk – dat tussen de 50 en 51° noorderbreedte ligt – even koud wordt als in de streek van Labrador, in het noorden van Canada, dat ook op 51° ligt. Het is waar dat onze planeet aan het opwarmen is, maar de winters worden telkens kouder en ieder jaar duren ze langer.
Op 15 mei liep ik door mijn koolzaad en mijn tarwe. Niets groeide. Voor de suikerbieten spraken ze ervan dat we maximum 30 ton per hectare zouden halen. Het gras op mijn luchthaven kreeg 5 ton compost (van kippen en varkens) en 80 eenheden stikstof, maar ik vroeg me af of ik het eigenlijk niet beter met mijn gazonmaaier zou afrijden dan met de grote maaier. Zouden de golfstroom en die vulkaanuitbarsting er voor iets tussenzitten? Eén ding is zeker: de tarwe- en gerstprijzen zullen door die koudegolf niet stijgen. De termijnmarkten voor de volgende maanden stijgen weinig. Iedereen is er voorlopig zeker van dat er graan genoeg zal zijn – zeker in Europa – omdat ze nog voor twee jaar gerst en voor één jaar tarwe in stock hebben. De Fransen vrezen wel dat de speculatiefondsen zich massaal uit de aandelen- en obligatiemarkten zullen terugtrekken en met een hoop geld zullen speculeren op landbouwproducten op de termijnmarkten. Dat zou dan dezelfde gevolgen hebben als twee jaar geleden.
Ik hoor hier geen enkele Franse boer opscheppen over twee jaar geleden. We hebben allemaal een goed financieel jaar gehad. We hebben toen al het geld opnieuw geïnvesteerd in machines en in gronden, maar daar hebben we nu spijt van. Het moet gezegd: dat jaar hadden we beter kunnen missen, want onze belastingsbrief en bijdrage aan de ziekenkas zijn in de brievenbus gevallen …
Onlangs zijn onze akkerbouwers in Parijs gaan betogen, omdat telkens een deel van de Europese premies van de graanboeren naar de veeboeren werd overgeheveld. En wat hoor ik de inwoners van Parijs zeggen op tv? “Wat hebben die boeren mooi materiaal.” Twee weken later spreken de Franse president en zijn ministers ervan dat ze de premies nog eens willen afromen en dat ze de nieuwe niet zullen uitbetalen omdat ze moeten besparen. Ik denk dat ze niet hardop durven zeggen: “Als ze met zo’n materiaal rijden, zijn ze toch al rijk genoeg.” Als de veeboeren hier betogen, dan doen ze dat met hun oude tractor met een frontlader met gevaarlijke pinnen erop en met een stinkende mestkar erachter. Die sukkelaars betogen allemaal in de steden in hun eigen buurt, want met hun tractor raken ze niet tot in Parijs.
Van mij mogen ze de graanpremies geleidelijk verminderen en dan zelfs afschaffen. Al die boeren die in Parijs betogen, werken slechts één mand per jaar en ze gaan driemaal per jaar op reis. Ze zaaien graan, ze oogsten het en verkopen het. Dat vinden ze genoeg. Typisch voor de Fransen: ze zijn tevreden als ze grond genoeg hebben – al hebben ze geen nagel om hun gat te krabben. Iets ontwikkelen en daarmee voortdoen, dat is veel gevraagd.
Vandaag, 5 juli, ben ik gestopt met stro aan te kopen. Eigenlijk hoef ik niet meer rond te gaan, want ze bellen me zelf op. De Franse boeren zijn tevreden met dezelfde prijs als vorig jaar. Ik heb de indruk dat er erg veel stro werd aangekocht, want de Fransen hebben geld nodig en daarom discuteren ze niet over de prijs. Wat er ook veranderde, is dat de boeren hier vroeger altijd wel iets aan hun machines zaten te repareren als ik op hun hoeve kwam. Nu zitten ze overdag binnen met hun computer te spelen. Als je dan op hun raam tikt, komen ze beschaamd en wereldvreemd naar buiten. Het is net of er pas een familielid gestorven is …
Een akkerbouwer hier had zich laten overtuigen om twee reusachtige vleeskippenstallen te bouwen, als inkomen voor een van zijn zonen. Wel, die gebouwen zijn na twee jaar bijna helemaal vernield. Met mijn oudste zoon heb ik een vergelijkbaar – zij het iets kleiner – probleem gehad. Hij wilde ook geen eieren rapen. “Van mijn leven niet”, zei hij. Hij ging nog liever als knecht werken bij een aardappelboer dan bij die ‘strontkiekens’. Ik heb de ezel dan maar een wortel voorgehouden … Ik ben mijn kippenstal met de bijbehorende hectares gaan presenteren bij een andere kippenkweker en ik zei tegen hem: “Denk er maar eens over na en kom het me vertellen.” ’s Anderendaags stond hij al vroeg bij mij in de keuken. Mijn zoon was totaal verrast dat die boer – die gewoonlijk bij mij stro komt vragen – nu mijn hok voor een mooie prijs wilde huren. Je kan je levendig voorstellen dat ik die voormiddag te horen kreeg: “Papa, je gaat dat toch niet doen, zeker?” Drie maanden later zaten onze legkippen erin en mijn zoon is nu heel tevreden dat hij gestart is als legkippenhouder.
– Pierre Michels

Het zal niet voor subiet zijn!

Gearchiveerd onder: Johan Schollier — melkbrigade @ 9:40 pm

Beste lezer, tot u spreekt Bob de Bouwer. U herinnert zich nog wel hoe ik vertelde over het huis dat wij aan het bouwen zijn. We hebben er zelf heel veel aan gewerkt, maar het doe-het-zelfgehalte zakt nu zeer snel. Dit huis vertoont inmiddels de eerste tekenen van bewoonbaarheid. Er zitten ramen en deuren in, het is gevoegd, alle nutsvoorzieningen zitten mooi weggestopt onder een isolerende ondervloer en we wachten nu op de ‘plakker’.Geen nood, er zijn hier al andere katten te geselen: de melkveestal.
Mijn grootvader had 12 koeien, mijn ouders molken er gaandeweg 45. In 1984 bouwden wij een ligboxstal en zonder tegenslagen zal onze zoon Brecht dit bedrijf voortzetten. Zijn gedrevenheid in de landbouw groeit met de dag. Daarom koopt een mens wat quotum bij, er komen wat meer dieren, de voederkuilen worden hoger … Maar ook dit: de mestopslag krijgt braakneigingen, de stal raakt overvol, met alle gevolgen van dien. Het is als een etterbuil die openspat. Je moet iets doen, nu … niet direct, maar subiet. Bijbouwen dus. Onlangs was ik met Guy, vriend des huizes en veehandelaar, in de Duitse deelstaat Niedersachsen. In 2 dagen kwamen wij wel op 30 melkveebedrijven. Daar waar waren heel grote bij: 250 koeien, 400 koeien, ook een bedrijf waar bijna de klok rond gemolken werd. Boeiend om eens te zien, maar ik zou het spijtig vinden als onze zoon echt zo hevig te keer moest gaan om zijn boterham te verdienen. Wij hebben nu een bouwvergunning voor een uitbreiding van de huidige stal met twee rijen ligboxen, drie grote stroboxen, wat ruimte voor zorgkoeien en een gemakkelijk bereikbare en injaagbare behandelbox. De melktank is voorlopig groot genoeg, en de melkmachine kan nog uitgebreid worden van 2×5 naar 2×6. Eerst moet de oude bindstal afgebroken worden. Aanvankelijk hadden wij een groter plan voor ogen, voor de volledige overbouwing van de oude stal: hoger, breder, langer … Merkwaardig genoeg is het onze zoon zelf die vond dat het best wat voorzichtiger kon. Vier spanten erbij en een ronde, bovengrondse mesttank. Dat zal een stuk minder kosten dan het eerste idee. De ommezwaai kwam er na de jongerendag van Milcobel, waar Brecht met vier jonge melkveehouders naartoe trok. Vooral de gesprekken in de wagen hebben hem een en ander doen inzien. Van de vijf reizigers vonden er twee dat je maar beter niet kon bouwen als de melkprijzen niet beter werden. Gelukkig heeft de markt zich de laatste maanden toch wat herpakt.
Je vraagt dus prijs voor een eerder klein project. Vooral de bedragen voor het betonwerk in de grond maken nogal snel duidelijk: “Mijnheer, wij doen dit liever niet, wij krijgen te veel kansen voor heel grote mestkelders onder volledig nieuwe stallen! Zou je dit niet beter zelf doen? … Je kan er duizenden euro’s mee verdienen of besparen.” Ziezo, onze vakantie is al gepland: hard werken en met de blokjes spelen. Betonnen stapelblokken voor de mestkelder. De metaalbouw kan snel, maar in prefabmuren kan men nauwelijks volgen. Ach ja, we zullen die ook maar zelf metsen. Als je niet een volledig nieuwe stal bouwt, heb je maar een korte tijd om dit te realiseren. Tegen de herfst moet alles eigenlijk binnen schot zijn.
Verbouwen of bijbouwen, het is hard werken, in moeilijke en gevaarlijke omstandigheden. En intussen moet je blijven melken. De koeien kunnen nauwelijks binnen of buiten langs nooduitgangen, diepe kuilen of hoge hopen rotzooi. Als er dan maar geen lijken uit de kast vallen – zoals ondergrondse obstakels van oude stallen, elektriciteits- of waterleidingen. Het is niet hetzelfde als bouwen op een stuk maagdelijke grond.

Och ja, in september zijn wij 25 jaar getrouwd. Wij zouden het er eens van nemen. Zelfs de kinderen zeggen: “Allez, pa en ma, wij zullen het werk wel doen.” En ze stellen ons een cruise van een weekje voor op de Rijn, de Donau of de Nijl … We zullen dat zeker wel eens doen, maar ’t zal niet voor subiet zijn.

Een tiental dagen geleden kreeg ik een bizar telefoontje van mijn broer. Zijn echtgenote Marleen was in KLJ Izegem goed bevriend met Lut De Bruyne. Ook Eric heeft haar inmiddels leren kennen, want hij levert groenten op de REO Veiling in Roeselare. Het was heel slecht nieuws. Ik was echt uit mijn lood geslagen. Lut De Bruyne, mens toch. Hoe is het mogelijk, zo jong nog, zo plots. Door dit Dagboek zagen of hoorden wij elkaar geregeld. Met de andere dagboekschrijvers kwamen we ook als eens samen voor een etentje. Lut kwam je overal tegen: op de werktuigdagen, op Agribex … Ik stapte samen met haar door enkele Gentse straten op de grote antigroen betoging in mei 2003. Een paar jaar geleden zat ik naast haar op het vliegtuig richting Ierland. Lut leidde deze reis. In mijn Dagboek daarover noemde ik haar ‘onze Moeder Overste’, want zij deed dit met brio.
Langs deze weg wil ik mijn medeleven betuigen aan haar gezin en haar naasten. Laat dit mijn ultieme eerbetoon zijn aan een grote dame, die heel veel betekend heeft voor de Vlaamse landbouw en ons platteland.
– Johan Schollier

Ik, Henk van Beek: (r)evolutie

Gearchiveerd onder: Henk van Beek — melkbrigade @ 9:38 pm

Onze levens als actieve land-en tuinbouwers, zijn soms als een lekkende oliebron in de Mexicaanse Golf wat dagboekmateriaal betreft. Ik heb er persoonlijk weinig moeite mee om wat neer te schrijven en ik moet vaak heel wat schrappen om mijn gemijmer binnen de lijntjes te laten passen. Ook 8 juni was weer zo’n dagboekdag.
God mag weten waarom, maar begin juni werd ik plots telefonisch gecontacteerd met de vraag of ik deel wou uitmaken van een workshop. In opdracht van de provincie Antwerpen moest men op zoek gaan naar de knelpunten van de land- en tuinbouw hier. Het onderzoek wordt geleid door mensen van de Universiteit Gent. Aan de hand van een SWOT-analyse (sterktes, zwaktes, kansen en bedreigingen) zouden we een SOR-analyse (Strategische Oriëntatie) uitvoeren. Een hele mond vol woorden om te zeggen dat we op zoek gingen naar de leefbaarheid voor de land- en tuinbouwsector in de provincie Antwerpen. Ik was wel verwonderd, maar ook vereerd met de uitnodiging. Ik, met mijn A3-opleiding, tussen de directeurs, voorzitters van veilingen en proeftuinen, belangenorganisaties en banken … Niet dat ik me minder voel, want ik heb ook mijn koffertje met ervaringen, kennis en knowhow als het over de boomkwekerij gaat. Al vrij vlug bleek dat onze sector binnen de provincie Antwerpen een belangrijk en direct economisch belang heeft, met nog veel groeimogelijkheden wat mij persoonlijk betreft. Ook al is dit onderzoek nog niet afgerond, ik wil het volgende resultaat wel al met u delen.
Toen we individueel een keuze moesten maken uit de lijst die we samen opgesteld hadden voor de SWOT-analyse, bleek dat de meerderheid de meeste kansen zag in concentratie (clusters, grote bedrijven) en technologie (wkk, mestverwerking). Er werd minder waarde gehecht aan diversiteit en marktniches. Ik kon het niet nalaten om op te merken dat zo’n keuze erg aanleunde bij de filosofie van banken, veilingen en proeftuinen. Vanuit sommige hoeken kreeg ik een lichte bevestiging van deze opmerking. Ik moet toegeven dat deze specifieke keuzes weinig invloed hadden op onze oefening, aangezien ik mij verder goed kon terugvinden in onze eindconclusie.
Diezelfde week zag ik per toeval nog een mooie documentaire op tv, want doordat het die week regenachtig was, had ik tijdens de avonden net een uurtje meer vrij. Bij warm weer ben ik toch vaak tot half tien bezig met beregenen. In die documentaire ging men op zoek naar de (bij)werking van Viagra en hoe men deze blauwe (dure) wonderpil in korte tijd tot een commercieel succes had gemaakt. Hoe was het farmaceutische bedrijf Pfizer erin geslaagd om in enkele jaren tijd een medicijn zo populair te maken? Een medicijn waar in principe slechts 3% van ons mannen werkelijk nood aan heeeft? Het succes groeide, onder meer door de druk vanuit allerlei media op de mannen om ook op seksueel vlak steeds topprestaties te leveren en als gevolg van een toegankelijke reclamecampagne ervoor. Zelfs jonge, viriele mannen gaven toe dat ze soms Viagra gebruikten. Volgens de maker van deze documentaire zou het gebruik van Viagra de mannelijkheid aantasten én kunnen leiden tot een vorm van afhankelijkheid. Ik kon mij helemaal vinden in het punt dat hier gemaakt werd. Niet onbelangrijk trouwens: de farmaceutische industrie verdient hier miljarden met de handel in seksueel zelfvertrouwen!
Nu ben ik met mijn lage scholing zeker geen professor, maar ik zou zo’n onderzoek graag eens laten uitvoeren in de land- en tuinbouw. Het verhaal van Viagra gaat wat mij betreft ook op voor onze sector. Maar wie is daar verantwoordelijk voor? Wie heeft de lust gecreëerd om de grootste te zijn, om steeds meer te produceren met minder (mannelijke) inspanningen? Waren het de banken die onze de pil (leningen) aanboden, omdat wij dachten dat we ze nodig hadden om goed te presteren? Waren het de proeftuinen, die zorgden voor minimale bijwerkingen en ons ondersteunen om topprestaties te leveren? Of de veilingen, die nooit voldaan bleken te zijn en nog tijden hebben van onverzadigbaar verlangen naar meer? Of misschien de media en de sociale druk, die steeds de grenzen verleggen?
Eigenlijk doet het er niet toe. We zijn allemaal verantwoordelijk voor onze eigen daden. Ieder voor zich is verstandig genoeg om de juiste keuze te maken. Maar laat je niet te snel verleiden. Ook voor land- en tuinbouwbedrijven geld de volgende spreuk: ‘Het is niet de grootte die telt, maar wat je ermee doet!’ Vanuit de stille Kempen alvast een zwoele zomer toegewenst.
– Henk van Beek.

Iets meer dan een jaar geleden namen we als dagboekschrijvers tijdens ons jaarlijkse etentje afscheid van Lut De Bruyne, die toen vol overgave aan een nieuwe jobuitdaging bij de REO Veiling begon. Vol ongeloof verneem ik nu het nieuws dat ze definitief afscheid heeft moeten nemen van haar leven hier. Dit is niet eerlijk. Enkele keren per jaar kwam je Lut wel ergens tegen. Steeds spontaan, goedlachs en een klaar voor praatje. Waarom Lut? Ik betuig mijn innige deelneming aan iedereen voor wie je zo dierbaar was.

Duurzaam leren werken

Gearchiveerd onder: Carine Cornu — melkbrigade @ 9:36 pm

En? Afgelopen zondag voldaan aan je vaderlandse plicht en gaan stemmen? Wij ook, natuurlijk. Onze kinderen zijn er een pak meer in geïnteresseerd dan wij op die leeftijd. Toen ik hen zondag dus vroeg of zij geen tip hadden voor een onderwerp voor mijn dagboek, kwamen ze al snel op de proppen met het thema ‘verkiezingen’. Dat heb ik nog sneller afgeblokt met ‘te saai’, maar daarmee heb je natuurlijk nog geen onderwerp. De tijd loopt, en je hersens werken op volle toeren op zoek naar een onderwerp. Geregeld flitsen die verkiezingen toch weer eens voorbij, tot je erover begint na te denken dat er enerzijds wel wat gelijkenissen zijn tussen ons, boeren, en de politici. Aan de andere kant kunnen ze heel wat leren van ons, landbouwers. Even daarover doorbomen, dat zag ik dus wel weer zitten. Hier volgt dus een relaas van mijn gedachten.
Boeren krijgen net als politici niet altijd loon naar werken. Voor ons is het voornamelijk op financieel vlak dat de beloning het een beetje (veel soms) laat afweten, bij politici is het vaak meer de appreciatie voor al het gedane werk die ontbreekt. Het zijn nu eenmaal niet altijd de hardste werkers die het meest geapprecieerd worden. We kennen dat, het is ook niet op de momenten dat je het hardst werkt dat je daarom het meest verdient. Maar het verschil tussen ons en de politici is dat zij de stekker uit de regering trekken als ze het niet meer zien zitten – met het alom bekende gevolg. Voor ons, landbouwers, is dat natuurlijk een stuk moeilijker en gaan daar wellicht heel wat slapeloze nachten aan vooraf. Je vecht voor je bedrijf tot de laatste snik. Het is je levenswerk, en iedereen ziet dat graag voltooid – ook al is het nooit af. Misschien een ideetje voor de politici om van iedere regering een stukje levenswerk te maken dat ze o zo graag zouden voltooien.
En dan was ik er zo ongeveer met de grote gelijkenissen. Voor de rest had ik vooral de indruk dat zij heel veel kunnen leren van ons, want wij hebben door hen al met heel veel dingen moeten leren omgaan. Neem nu de term ‘duurzaamheid’ – voor ons allang geen ijdel begrip meer. We hebben dat stilaan leren invullen op allerhande vlakken. Ik spreek dan vooral voor de sectoren die ikzelf ken, namelijk de melkveehouderij en de zeugenhouderij. Stap voor stap proberen we te gaan voor duurzamere koeien en zeugen. Dieren die langer kunnen meegaan, dat is goed voor ons en onze portemonnee. Maar dat is ook goed voor alle andere normen die ze ons opleggen rond milieu, dierenwelzijn enzovoort. Ook wat onze investeringen betreft, proberen we graag wat verder vooruit te kijken dan enkele jaren. Een duurzame investering start met een goed doordachte investering die heel wat jaren haar dienst kan bewijzen. Een investering die een hele tijd meekan, eentje die klaar is voor de toekomst. Het zit ons dan ook niet altijd mee wat de wetgeving betreft. Probeer maar eens duurzaam te investeren als de normen die in de wetgeving gesteld worden om de haverklap wijzigen.
Zou het voor de komende regering – wie er ook de scepter zwaait – niet eens het moment zijn om werk te maken van duurzame wetten? Als een van onze politici dat begrip nu eens zou lanceren, wordt het misschien nog een hype. Alleen nog duurzame wetten voorstellen, het zou weer eens wat anders zijn. Dan zijn wij verlost van een heleboel onzekerheid en kunnen we ons bedrijf eens wat gemakkelijker richten op een ietwat verdere toekomst. Het zou onze algemene economie ten goede komen, een argument dat kan tellen in een postcrisistijdperk.
Och ja, ik weet het wel: de meeste politici zijn kortetermijndenkers. Maar dat langetermijndenken kan je leren. Ze kunnen misschien wat geld steken in een cursus daarrond, in plaats van te pas en te onpas allerhande commissies op te richten. Misschien ook zouden we hen wat minder vaste wedde moeten geven, met een bonus als ze op een duurzame manier hun termijn uitdoen – terwijl ze ook al een beetje voorbereiden dat er in de volgende regering misschien iemand anders op hun stoel zal zitten. Het zou in elk geval al een goede stap zijn op de weg naar een duurzaam beleid. En wie weet wordt het ooit wel wereldnieuws, een krant die bloklettert: “België boert goed met een duurzaam beleid.” Het zou toch mooi zijn, misschien wel te mooi om waar te zijn. Ook al is dromen leuk, het is waarschijnlijk een pak realistischer om te denken dat ze wel weer wat zullen aanmodderen. En als het hen ook dit keer niet lukt, dan trekken ze wel weer de stekker uit de regering.
-Carine Cornu-

Een koe met een naam

Gearchiveerd onder: Marcel Heylen — melkbrigade @ 8:35 pm

Ik heb de gewoonte om elk kalf dat op onze boerderij geboren wordt een naam te geven. Dat maakt elke geboorte een beetje speciaal en spannend, want ik ben al aan het nadenken over een geschikte naam terwijl het kalven aan de gang is.
In 1989 – toen we vijf jaar aan het boeren waren – zijn we gestart met de letter A en we laten de naam elk jaar met een volgende letter van het alfabet beginnen, zodat we gemakkelijk kunnen onthouden welke koeien in hetzelfde jaar geboren zijn. Wie snel kan rekenen, weet dat we dus dit jaar aan de letter V gekomen zijn. Ik ging er in het begin van uit dat het wel stilaan tijd zou zijn om te stoppen als boer wanneer het alfabet ten einde was, en we dus 31 jaar geboerd zouden hebben. Maar nu ik op vier letters van het einde van het alfabet gekomen ben, begin ik hoe langer hoe meer te beseffen dat ik nog absoluut niet toe ben aan stoppen over vier jaar. Ik doe mijn job nog veel te graag. Ik ben zeker nog niet uitgeblust en ik heb nog heel wat plannen en doelen voor ogen die ik nog wil realiseren als boer. Ik heb daarom intussen voor mezelf al uitgemaakt dat ik zonder problemen opnieuw bij de letter A kan beginnen, omdat er op ons bedrijf natuurlijk allang geen koeien meer zijn met een naam die met A begint.
Voor diegenen die het willen weten, ik zal bij het einde van het alfabet 58 jaar zijn. Dat leek mij 21 jaar geleden – in een tijd dat de meeste loontrekkende mensen hier in mijn omgeving op 55 of 56 jaar met brugpensioen gingen – een normale leeftijd om ermee te stoppen. Maar de tijden veranderen en het komt mij goed uit dat men steeds meer begint te praten over werken tot 65 jaar. Ik ben dan ook van plan om nog een tijd door te gaan – als ik gezond mag blijven, natuurlijk. Zo lang ik plezier beleef aan het werken met mijn koeien en bij het inkuilen van een snede prima kwaliteit voordroog – zoals afgelopen zaterdag – dat gelukzalige gevoel van voldoening heb, is stoppen niet aan de orde.
Ik denk dat het belangrijk is voor je motivatie als boer om steeds doelen te hebben waar je naartoe werkt. Dat hoeven echt geen onbereikbare dromen te zijn, maar realiseerbare ambities. Een van mijn ambities was om ooit een 100.000-literkoe te fokken. Dat leek mij een realistisch maar toch ambitieus doel, want zo dik lopen de boeren niet die dit realiseerden. Als je dan je eerste 100.000-literkoe hebt, dan droom je natuurlijk van een tweede koe met deze productie. Lukt dat ook, dan droom je verder. Door met deze ingesteldheid te werken, wordt je leven geen sleur en blijf je steeds ambitieus.
Mijn gewoonte om mijn koeien al bij de geboorte een naam te geven, leverde onlangs een serieus probleem op bij het nieuwe managementprogramma van mijn melksysteem. Bij het overzetten van de diergegevens van het oude programma naar het nieuwe systeem – dat meer mogelijkheden heeft om allerhande rapporten en analyses te maken van de prestaties van de koeien – bleek dat al mijn jongvee verdwenen was uit het bestand. Het nieuwe systeem ging ervan uit dat alle dieren een nummer hebben. Aan dat nummer kan men eventueel wel een naam linken, maar zonder nummer geen dier. Dat is toch wel een beetje onbegrijpelijk, want onderzoek heeft al verschillende keren aangetoond dat koeien met een naam meer melk produceren dan koeien zonder. Zo’n conclusies moet je natuurlijk relativeren, want de achterliggende reden zal natuurlijk wel zijn dat boeren die de moeite doen om hun koeien een naam te geven hun dieren ook meer als een individu gaan benaderen. Die aanpak is dan meestal ook te zien in de kennis van de afstamming van hun koeien en de daarbij horende bewuste stierkeuze als vader voor het volgende kalf. Deze individuele benadering bij de stierkeuze heeft er bij onze koeien bijvoorbeeld toe geleid dat de 129 dieren op ons bedrijf 65 verschillende vaders hebben – ook voor mij een enigszins verrassende vaststelling.
Dat de manier waarop je met je dieren omgaat echt wel invloed heeft op de prestaties van de koeien, kon ik een paar jaar geleden ervaren. Ik was enkele dagen buiten strijd na een operatie aan mijn achillespees en tijdens die periode namen onze twee zonen het melken over. Hoewel de koeien hetzelfde rantsoen kregen als normaal, zagen we de melkproductie merkelijk dalen. Toen ik na een week het melken weer overnam, steeg de productie opnieuw naar het oorspronkelijke niveau. Er was maar één verklaring mogelijk: de koeien voelden duidelijk een verschil in aanpak van de melkers. In hun jeugdige enthousiasme waren onze zonen waarschijnlijk iets minder geduldig in de omgang met de dieren, wat resulteerde in stress en als gevolg daarvan een lagere melkproductie.
Ik heb de gewoonte om tegen mijn koeien te praten en dat kan soms wel leiden tot hilarische toestanden. Zo zei ik vorig jaar iets tegen één van onze koeien, in de weide naast onze buren. Aan de andere kant van de laurierhaag antwoordde onze buurman, omdat hij dacht dat ik hem aansprak.
– Marcel Heylen

Het is gelukt

Gearchiveerd onder: Kris Van der Velpen — melkbrigade @ 8:33 pm

De Belgische Fruitveiling is er als eerste in geslaagd om een handelsprotocol met China te ondertekenen. We kunnen er als telers alleen maar blij om zijn, want de Chinese markt kan ons wel mooie toekomstperspectieven bieden. Tot voor kort kenden de Chinezen de Conférencepeer helemaal niet. Er was zelfs overredingskracht voor nodig om die mensen te overtuigen dat het wel degelijk peren waren, want de peren die men in China kent, lijken helemaal niet op ons lange, groene kwaliteitsproduct. De Chinezen onze peren leren kennen, was nog maar het begin. Eenmaal ze van de kwaliteiten van de Conférence overtuigd waren, was het nog een lange weg om ze in dat immense land binnen te krijgen. Dat het uiteindelijk gelukt is, hebben we alleen maar te danken aan de inzet en de volharding van de topmensen in de veiling en hun entourage. Een dikke proficiat is hier zeker op zijn plaats.
Een product ergens binnenkrijgen is één ding. Je klant tevreden houden is een andere kwestie, zeker als je weet dat een land als China hoge fytosanitaire eisen stelt, zelfs voor je er binnen geraakt. Het is nu aan ons om enkel peren naar ginds te laten vertrekken waarvan we zeker zijn dat er niks op aan te merken valt. Het is volledig fout om te denken dat je nu volledige oogsten Conférence in een zeecontainer kan stoppen richting Verre Oosten. Je moet garanties kunnen bieden dat je de fruitmot en het bacterievuur helemaal onder controle hebt. Heel wat van onze provincies werken nu aan plannen rond de bestrijding van bacterievuur, maar als iedereen met planten die gevoelig zijn aan bacterievuur zijn verantwoordelijkheid neemt, is deze ziekte al flink gereduceerd. Fruittelers zouden eigenlijk de toelating moeten hebben om een zieke plant die ze ergens zien onmiddellijk te verwijderen – om het even op welk domein die plant staat. Je zou dan wel boze reacties krijgen, maar het bacterievuur zou wel vlug verdwijnen. Ook voor het opruimen – lees: verbranden – van zieke takken moet de overheid zich soepel opstellen, ofwel moet ze met een oplossing voor de dag komen. Het kan toch niet zijn dat wie aangetaste bomen of takken verwijdert dan een boete krijgt omdat hij geen toelating had om ze te verbranden.
In China heeft men ook graag uniforme peren. In dikkere maten lukt dit meestal wel, maar dan moet er toch heel nauwkeurig gesorteerd worden. Waarschijnlijk zullen de peren die naar Azië vertrekken wel centraal gesorteerd worden, maar dan moet het daar ook correct gebeuren. Laatst was ik in een grote Belgische supermarkt en daar moest ik vaststellen dat peren van een relatief kleine teler zeker even mooi gesorteerd waren als de kist ernaast, die ingepakt was bij een van de grote sorteerhuizen. Je hebt alleen maar garantie dat iets goed verloopt, als je het goed kunt controleren. In dat opzicht komen er misschien andere tijden. Vroeger was alles goed, zolang je klanten ermee tevreden waren. Je kon eigenlijk zeggen: “Dit is mijn fruit. Ik bied het zo aan. Wat geef jij ervoor?” Vandaag heeft de klant zijn eisenbundel klaar: dit mag erop gesproeid zijn, deze verpakking wil ik, op die dag moet het geleverd worden, aan de prijs die ik nog steeds bepaal. Kan je hieraan niet voldoen, dan heb je pech, want ergens kan iemand anders dat wel. Deze tendens hebben we het afgelopen seizoen duidelijk gezien in de appelmarkt.
Met onze lange, groene peer hebben we wel een exclusief product, dat niet in heel de wereld geteeld wordt. Dat geeft wel wat ruimte, maar we hebben de Chinezen in het begin onze mooiste, gelegde peren van een goede maat verkocht. Ik weet nu al zeker dat ze in de toekomst niet met minder tevreden zullen zijn. Zoals ik al zei, gaan niet alle peren naar China. Toch is er wel wat vraag en het fruit dat naar China kan, geeft ruimte voor andere peren op andere markten – al worden die ook steeds veeleisender. Er staat ons dus een grote uitdaging te wachten en misschien moeten we ons anders gaan structureren als teler.
In China vragen ze zich wel niet af of ze Vlaamse of Waalse peren zullen krijgen. Ze hebben zich daar ook niet afgevraagd of de Belgische staat nu al hervormd was of niet. Ook de splitsing van een kieskring was geen probleem bij de onderhandelingen. Lukt het onze politici na 13 juni om ons land weer bestuurbaar te krijgen? Misschien moet de volgende regering eens een stage komen doen bij fruittelend en handeldrijvend België, want daar vinden ze altijd wel een uitweg om crisissen te overleven.
– Kris Van der velpen

109!!

Gearchiveerd onder: Bernadette Jonckheere — melkbrigade @ 8:32 pm

Op 16 april overleed mijn laatste groottante, op dezelfde dag als de oudste inwoonster van België. Mijn moeder wordt deze zomer 87, dus spreekt het vanzelf dat tante Maria ook een zeer hoge leeftijd had. Ze werd namelijk net geen 109. Op de dag van haar begrafenis zou ze 109 geworden zijn. Voor haar was het zeker een verlossing, want al heel wat jaren bad ze hardop tot de Heer dat die haar zou komen halen. Tot enkele jaren geleden bad ze iedere avond een lang avondgebed, met de akte van geloof, hoop, liefde en berouw. Toen ze uiteindelijk toch stervende was, heeft ze meer dan eens aan de verpleegsters gevraagd of ze nu al in de hemel was. Op haar bidprentje staat er dat er geen enkele reden is om te wenen en dat ze wil dat we blijven lachen om de mooie momenten die het leven geboden had.
Tante had geen kinderen en ze stond erop dat voor de koffietafel na de begrafenis alle nichten, neven, achternichten en achterneven gevraagd zouden worden. We konden ons aanmelden via e-mail – zo onwezenlijk voor een begrafenis van een 109-jarige! Veel familieleden gaven verstek, vooral de achternichten en -neven. Eentje die normaal wel gekomen zou zijn, zat vast in Los Angeles door de aswolk van de IJslandse vulkaan met de moeilijke naam Eyjafjallajökull. Ondanks de drukke voorjaarswerkzaamheden ben ik toch naar de begrafenis en de koffietafel gegaan. Het was dit jaar toch een gemakkelijk voorjaar, zodat een ‘dagje vrij’ er wel afkon.
Aan tafel zat ik dus bij de achternichtjes en -neefjes, die intussen ook al ergens tussen de 40 en 55 zijn. We hebben inderdaad gelachen met de mooie herinneringen aan tante. Als je er op bezoek ging, blonk tante Maria wel vijfmaal de glazen op en veegde ze twee- of driemaal de tafel af, voor ze iets inschonk. Het was net een ceremonie. Iedereen was er altijd welkom. Ik heb wel spijt dat ik haar na mijn huwelijk eigenlijk niet meer opgezocht heb.
Er was ook een ver familielid van in de zeventig, die zich per abuis ook aan onze tafel had gezet. Een verbitterd man, die ik eigenlijk niet kende. Hij had op alles zijn commentaar en die was altijd negatief. Hij was wel een intellectuele mens, die vroeger in Argentinië gewerkt en gewoond heeft. Opeens zei hij dat er zeker geen boeren meer overbleven in de familie. Toen heb ik maar flink luid gezegd dat ik een boerin ben, en dat mijn broer boer is in bijberoep.
De grootvader van die man was afkomstig van dezelfde boerderij waar mijn moeder opgegroeid is. Die hoeve is helaas helemaal met de grond gelijk gemaakt en de plek is nu volgebouwd met woningen. Dat vond hij onrechtvaardig: ze hadden die hoeve moeten laten staan, omwille van de familienaam! Of op zijn minst hadden ze de watermolen moeten laten staan, want die had gediend om elektriciteit te maken toen iedereen nog met olielampen en kaarsen in de weer was. Het was in zijn ogen een stuk erfgoed. Net alsof iemand van hogerhand zich daar iets van aantrekt! Als ze in Brussel of elders denken dat ze grond nodig hebben, dan nemen ze die – zonder boe of ba – en van sentimentaliteit is al helemaal geen sprake. Toen ik zei dat wij ook onteigend waren, begon hij er natuurlijk over dat we zzeker veel geld gekregen hadden. Op zulke momenten kan ik wel ontploffen. Eigenlijk is er in heel dat onteigeningsgebeuren een woord dat ontbreekt, namelijk ‘ontpacht’ worden. Want vergoed worden als pachter is toch heel iets anders dan vergoed worden als eigenaar! Enfin, ik ben toch maar geen grote discussie aangegaan.
Wat later begon hij over het voedsel dat geproduceerd wordt. Ook nu was er niks positiefs te beluisteren, natuurlijk. Al het negatieve dat de media – terecht of onterecht – naar buiten brengen, passeerde de revue. Toen ben ik wel in de verdediging gegaan en ik kreeg opeens steun uit onverwachte hoek, namelijk van een zoon van een nicht van mijn moeder, wiens overgrootvader boer was. Voor hem is de landbouw eigenlijk ook een ver-van-mijn-bedshow, maar hij wist toch te vertellen dat er nergens meer voedselcontrole is dan in Vlaanderen – over Wallonië zullen we het maar niet hebben. Hij koos de kant van de landbouw en dat vond ik hartverwarmend. De klassieke dooddoeners zoals overbemesting, pesticiden, varkens- en vogelpest, dioxines, antibioticagebruik, alles heb ik kalm weerlegd en ik heb uitgelegd hoe goed we gecontroleerd en gevolgd worden. Ik heb dus ons imago voor heel de tafel nogmaals proberen op te krikken. Ik weet niet of ik hem heb kunnen overtuigen, maar hij heeft zich aan tafel wel driemaal laten opscheppen en hij heeft alles netjes opgegeten.
Toen moest ik plots aan tante Maria denken, die op het feest voor haar honderdste verjaardag tegen me zei dat ze nooit gedacht had dat ik met een boer zou trouwen. Ik ook niet, tante, maar de liefde is onvoorspelbaar.
– Bernadette Jonckheere

Bespiegelingen op een zondagavond

Gearchiveerd onder: Pierre Michels — melkbrigade @ 8:31 pm

Vorige zondag – op 9 mei, dus op Moederdag – heb ik mijn laatste maïs gezaaid in België. Tijdens de tractorrit van bijna vier uur terug naar Frankrijk heb ik tijd genoeg om over alles eens wat na te denken.
Op die enkele dagen tijd dat ik in Vlaanderen ben, kom ik met evenveel Belgen in contact als op een heel jaar hier in Picardië. Het valt me op dat die Vlamingen in een soort beschermde schelp leven. Telkens als ze geen regering hebben, is het alsof ze geen problemen meer hebben. Er wordt niet gediscussieerd over de Franstaligen of over de crisis. Het is alsof ze liever zo blijven, dan telkens weer al die problemen – die toch niet opgelost worden als ze wel een regering hebben. Als ik met mijn tractor aankom in de buurt van Doornik, schakel ik mijn radio telkens over op de Waalse RTL en daar hadden de presentatoren het er die avond over dat ze het ook beu zijn om telkens over BHV te twisten.
Eens de grens over, is het gedaan met die taaldiscussie. Ik zette de Franse radio aan en daar spraken ze over de crisis. Ik ben dan ook in mijn schelp gekropen en ik heb de radio maar afgezet. Toen begon ik wat na te denken. Ik ben nu 52 jaar. Moet ik nu heel mijn leven in twee landen blijven boeren? Geen van mijn twee zoons wil mijn Vlaamse grond bewerken, die interesseert hen niet. Ze willen niet zeggen: “Papa, laat die grond toch gaan”, omdat ze zien dat ik altijd opgetogen voor de Vlaanderen vertrek en moe weer naar huis kom. Ze weten heel goed dat die twintig hectare onbetaalbaar zijn bij aankoop, en dat je voor hetzelfde geld hier tweemaal of zelfs viermaal meer oppervlakte kan hebben – met grotere inkomsten dan nog. Waarschijnlijk denken ze dat ik op een bepaalde dag zelf wel zal zeggen dat ik ermee stop.
Als ik weer op de hoeve aankom, geef ik eerst en vooral mijn vrouwtje een kusje. Natuurlijk heb ik er niet aan gedacht om bloemen mee te brengen voor Moederdag – die moet ze zelf maar kopen. Maar ik had wel een Vlaamse boerenhesp meegebracht, droge worsten, hoofdvlees en chocolade van Côte d’Or. Ze was er heel tevreden mee. Ik heb haar dat gegeven en ik mag het nog zelf opeten ook.
Als ik een halfuurtje thuis ben, is het eerste wat ze vraagt: “Wat voor nieuws?” In het begin houd ik me steeds van de domme, want hoe meer ik zeg, hoe meer ze vraagt. Dan, na een uur begint het van: “Hebt ge dit of dat meegebracht uit België?” “Oei ja, ik ben het vergeten. ’t Zal voor de volgende keer zijn”, antwoord ik dan. “Morgen moet je de tarwe bijstrooien, ze staat geel. De bieten staan vol onkruid en het gaat niet dood. Heb je weeral te weinig producten in je sproeimachine gedaan?” vraagt ze me. Het is telkens alsof mijn Franse hof helemaal om zeep is als ik terugkom. Omdat we nu al meer dan 25 jaar getrouwd zijn, antwoord ik wel niet meer op al die commentaren. Het enige dat ik eruit versta is dat ze me laat weten waarmee ik de maandagochtend kan beginnen – en dat ik me beter ermee zou haasten ook.
Telkens als ik van mijn reis terugkom, vertel ik haar dat ik dit en dat gedaan heb, maar ze luistert niet. Het eerste wat ze controleert is mijn portefeuille. “Waar zijt ge nu al uw geld weer kwijt gespeeld?” vraagt ze me dan. Soms probeer ik haar te slim af te zijn door – voor ik vertrek – in mijn Belgische bank geld af te halen, maar dan ik vergeet elke keer het ontvangstbewijsje op tijd uit mijn portefeuille te halen – met alle beschamende gevolgen van dien.
Eigenlijk mag ik niet kwaad zijn op mijn vrouw. Ze kan onze boerderij perfect besturen zonder mij. Maar als ik het moest doen zonder mijn vrouw, dat zou veel moeilijker gaan of zelfs onmogelijk zijn. Dat zeg ik wel liever niet hardop, want anders springt ze me nog boven het hoofd.
Nu mijn beide zonen meewerken op de boerderij, heb ik aan mijn vrouw gevraagd om eens samen een bootreis of een vliegreis te maken. Maar ze wil nooit weg van de hoeve. Als we soms ergens naartoe gaan, dan zijn we nog geen honderd meter van de boerderij of ze is al ongerust. “We gaan ons niet te lang bezighouden, zodat we snel terug zijn”, zegt ze dan. Het is misschien daarom dat ik graag alleen naar België reis met mijn tractor – om er zogezegd te boeren.
– Pierre Michels

Moederdag

Gearchiveerd onder: Dagboek B&T,Sofie Vansteelandt — melkbrigade @ 8:30 pm

Het is weer bijna zover. Zondag staat de kalender op 8 mei, de tweede zondag van de maand mei en Moederdag. Ik vind het steeds fijn dat ik een dag je in de bloemetjes gezet word – misschien ook letterlijk, wie weet? Er hoeft niks gigantisch aan te pas te komen, maar het doet deugd om een extra schouderklopje te krijgen. Eigenlijk heb ik zeker niet te klagen.
Zoals jullie nu stilaan wel weten, hebben we twee zonen. De oudste zal boer worden en trekt hele dagen met zijn vader op. De jongste heeft zijn gading nog niet gevonden en trekt graag met mij op. Zo hebben we alle twee onze zin.
Onze oudste zoon heeft net zijn G-rijbewijs behaald. Het werd een heus karwei. Hij heeft theoretische lessen gevolgd en was bij zijn eerste examenpoging geslaagd. Toen kwamen de praktijklessen aan bod. Dat werd een ander paar mouwen. Hij rijdt thuis erg vlot met de tractor, maar een examinator naast jou is nu precies niet zo rustgevend. Hij heeft drie pogingen nodig gehad om te slagen. Ik kan gerust begrijpen dat zo’n examen niet van een leien dakje loopt. De jongens zijn nog maar zestien jaar en hebben nog geen enkele ervaring in het verkeer. Dat is heel verschillend van iemand die met de auto rijdt. Die behalen hun L-rijbewijs en kunnen een zeer ruime tijd in het verkeer oefenen. Bovendien zijn die twee jaar ouder en kunnen ze al veel meer situaties beter inschatten. Maar voor iedereen geldt dezelfde wet, dus moest hij er ook door, en bij de derde keer was hij geslaagd! Ik blijf bij mijn standpunt dat het onverantwoord is om jongens van zestien een trekker en vracht van meerdere tonnen te laten besturen. Ze kunnen onmogelijk inschatten wat er kan gebeuren in sommige onvoorziene omstandigheden. En ik ben ook niet gerust in de snelheden die sommige tractoren kunnen halen.
Onze jongste zoon heeft zijn gading nog niet echt gevonden. Hij rijdt ook erg graag met de tractor, maar hij is nog beperkt tot onze hoeve of een dichtbijgelegen veld. Tijdens de paasvakantie mocht hij de mest op het land inwerken. We lachten er steeds mee dat hij de ‘strontwerken’ kreeg, maar een mens moet toch ergens op de ladder beginnen en meestal is dat nog steeds aan de onderste trede. Klaas, onze oudste, ploegde daarna het veld en maakte het zaai- of plantklaar. Mijn man had maar één opdracht: delegeren.
Eigenlijk heeft mijn man een etappe overgeslagen. Een tiental jaren geleden hebben we namelijk een nieuwe tractor gekocht. Toen hielp zijn vader nog alle dagen mee, dus palmde die de nieuwe tractor in voor de voorjaarswerken. Maar zijn vader werd wat ouder en zag het niet meer zitten om hele dagen mee te draaien, dus werd de loonwerker voor de voorjaarswerken ingeschakeld. Nu heeft Klaas dus zijn rijbewijs behaald en hij rijdt nu op het veld. Zodoende is mijn man nog steeds gedoemd om witloof marktklaar te maken.
Als je de lokale krant openslaat, zie je dikwijls foto’s van viergeslachten. Wel, wij hebben een driegeslacht: mijn schoonvader, mijn man en mijn zoon brengen alle drie witloof naar de veiling. Zijn dat geen mooie taferelen? Moeten we dat niet koesteren?
Matthijs helpt graag zijn moeder en moeder aanvaardt nog veel liever de hulp van haar souschef. Tijdens de vakanties vindt hij het reuzeprettig om de tafel uitgebreid te dekken. Als wij dan binnenkomen om ons vieruurtje te verorberen, vinden we dikwijls een surprise op tafel. Hij houdt van bakken, dat varieert van wafels tot cake enzovoort. Soms zijn dat rechtstreekse aanvallen op mijn lijn, maar op zulke momenten proberen we dat even te vergeten. ’s Middags komt hij graag mee binnen om het middagmaal te bereiden. Dat gaat van de tafel dekken, tot groenten snijden en favoriete slaatjes bereiden. Het mogen zonen zijn, ze moeten toch ook de basisregels beheersen van eten bereiden. Je weet tenslotte nooit waar het leven je doet belanden. De tijden veranderen wel: mijn vader ging aan tafel zitten en at. Hij kon absoluut geen maaltijd bereiden en had er niet de minste interesse voor. Vandaag moet een mens toch zijn plan kunnen trekken en in het huishouden kunnen bijspringen. Natuurlijk moet er interesse zijn – en die is er bij onze jongste alvast.
Maar laten we nog even op volgende zondag terugkomen. Ik wens alle moeders op onze wereldbol een fijne, mooie Moederdag. Laat jullie maar eens lekker verwennen. En aan alle vaders: denk eraan, zondag is D-day. Willen jullie goede punten scoren, stip die dag dan in jullie agenda aan.
– Sofie Vansteelandt

Thema: Rubric. Blog op Wordpress.com.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.