Tot mijn veertigste levensjaar waande ik mij onsterfelijk, zoals alle jonge mensen. Mijn man en ik spraken wel eens over wat de ander zou doen als één van ons vroegtijdig stierf, en vooral over wat er met de kinderen en de boerderij zou moeten gebeuren. Maar verder dan wat lacherige suggesties kwamen we niet. Ik zou een flinke boerenknecht in dienst nemen en hij waarschijnlijk een leuke meid of zo!
Zoals jullie wellicht al weten, kreeg ik in oktober 2000 een hartinfarct. De grond werd volledig onder mijn voeten weggemaaid en ik werd in één klap sterfelijk. Ja, die 16de oktober heb ik de hemelpoort gezien en dat doet wat met een mens. Sinds die dag ben ik soms in gedachten afscheid aan het nemen van de mijnen en van wie ik liefheb en mijmer ik af en toe hoe mijn gezin het verder zou doen zonder mij. In het begin had ik dat heel erg, maar stilletjes aan minderden die gedachten. Gelukkig zijn we ondertussen al weer een paar jaar verder en zijn de kinderen jongvolwassenen.
In 2006 werd ik nogmaals abrupt op mijn sterfelijkheid gewezen. Dat tweede infarct heeft me – nog meer dan het eerste – veel van mijn krachten ontnomen en het was psychisch ook heel zwaar om dragen. Sindsdien heb ik dikwijls het gevoel dat ik verder strompel in het leven, vooral in het boerenleven dan. Ik help wel mee wanneer en waar ik kan, maar ik kan behoorlijk gefrustreerd zijn door mijn beperkingen. Je ziet zoveel werk om je heen, zoveel dat je zou willen doen, maar er zijn dagen dat er eigenlijk niet veel uit mijn handen komt en dat ik anderen mijn taken moet laten opknappen. Ik kan daar heel ongelukkig om zijn … Andere dagen kan ik meer aan en doe ik dan weer te veel, zodat ik ’s avonds in de zetel plof en ik geen grammetje energie meer heb – zelfs niet om mijn mond open te doen en te praten. Ik moet soms meer dan een uur bekomen vooraleer er weer beweging te krijgen is in mij. Gelukkig kent mijn gezin ondertussen mijn gebruiksaanwijzing: met rust laten en weer tot zichzelf laten komen.
Was ik volgens mijn cardioloog destijds een werknemer geweest, dan mocht ik niet meer gaan werken en hoefde ik enkel nog mijn gezin te runnen.
Soms denk ik: “Kon ik maar nog lang genoeg leven, tot ik weet dat mijn kinderen hun plaats in de wereld gevonden hebben!” Maar wanneer ben je daar nog zeker van? Je kunt nu denken dat ze het alle drie goed voor elkaar hebben, maar vijf jaar later kan het al een heel ander plaatje zijn. Dus is een mens nooit gerust, hé. Maar dat geldt uiteraard voor iedereen.
Er zullen nog wel mensen zijn die zich in mijn klaagzang van hierboven herkennen. Mensen die ook één of andere ziekte met zich meedragen of doorgemaakt hebben en het ook soms verdomd lastig hebben om mee te draaien in die mallemolen van het leven. Zeker als je zelfstandig bent, is het dubbel zo zwaar – vind ik toch.
Waar ik het ook zeer moeilijk mee heb, is als er hier iemand langskomt wanneer ik net eventjes uitgeteld in de zetel lig. Als die persoon niks van me weet, dan denkt die misschien wel dat ik een luie trien ben die midden de dag zomaar in de zetel ligt en de anderen voor zich laat opdraven. Weerom voel ik dan een diepe gêne. Maar ik kan toch niet aan de eerste de beste mijn hele verhaal doen? Bovendien stuit ik ook op onbegrip. Sommigen denken dat een infarct doormaken een beetje is als een flinke griep doorstaan: eenmaal die voorbij is, is weer alles zoals voorheen. Maar zo is het helaas niet.
“Trek je dat toch niet zo aan”, zegt mijn man. “Je doet voortdurend erg hard je best.” Ik weet wel dat hij gelijk heeft. Als ik niet op een boerderij woonde, dan zou ik het toch gemakkelijker vinden om mij er niks van aan te trekken. Geen mens die erover valt als je eventjes niets doet. Maar als kind van zelfstandigen ben je van kindsbeen af zodanig geprogrammeerd dat eventjes niks doen gelijkgesteld wordt aan lui zijn. Altijd bezig willen zijn, altijd iets om handen hebben, dat werd er bij ons vroeger ingestampt en het is er dan ook moeilijk uit te krijgen. Tot het niet meer gaat, uiteraard.
“Maar ja, ik ben er toch nog”, zegt men dan. Uiteindelijk is dat wel zo. Als we hier in een straal van 1 km rond ons kijken, dan komen we tot de tragische vaststelling dat er – in de 14 jaar dat we hier wonen – al 5 jonge en zelfs heel jonge mensen die boerden, gestorven zijn. Twee heel jonge mensen door zeer tragische accidenten: iemand werd vermoord (!), een ander stierf na een hersentrauma en nu onlangs overleed een vrouw door kanker. En allemaal lieten ze een gezin achter. Dat zijn grote drama’s voor de betrokkenen. En toch draait de wereld door …
– Bernadette Jonckheere
augustus 25, 2009
Sterfelijkheid
september 26, 2008
Verdienen we geen echte Indian summer?
We zijn net halfweg september wanneer ik me toch nog maar eens aan mijn computer installeer om een dagboek te typen. Aan alles voel en zie je dat de herfst al op komst is. Het is verdorie fris ’s morgens, en rond half negen ’s avonds begint het al echt te schemeren. De bladeren beginnen te verkleuren aan de bomen. Hier en daar verschijnen al pompoenen en sierfruit ter decoratie aan de voordeur. Voor mij is dat het teken dat het zover is, de zomer is voorbij. Als die pompoenen er aankomen dan hebben we het wel gehad. Dan gluurt de winter al bijna om de hoek. Mooi konden we de zomer in ieder geval niet noemen en een Indian summer is ons blijkbaar ook niet echt gegund. Verleden week viel er hier nog maar eens een serieus pak regen, zodat het alweer behoorlijk nat is op de velden. Hopelijk is mijn huidig pessimisme ongegrond en krijgen we een najaar om te zoenen.
Morgen begint onze jongste aan zijn eerste jaar Graduaat Landbouw. Een kleine stap voor de mensheid, maar toch een grote stap voor hem en toch ook geen alledaagse, maar wel te verwachten keuze. Hij krijgt eerst een introductiedag en donderdag begint het pas echt. Bernard heeft ondertussen nog van alles bedacht wat nog moet gebeuren voor zijn definitieve start. Die drie maanden vakantie waren dus weer eens veel te kort!
En zondag voeren we onze tweede dochter naar Leuven, zodat ze vol goede moed aan haar vierde jaar kan beginnen. Daarna nog één jaar studeren en dan zal ze ook stilletjesaan rijp zijn voor de arbeidsmarkt, hopen we. Met studenten de dag van vandaag weet je het nooit. Je weet wanneer ze beginnen, maar sommigen weten van geen ophouden meer en rijven het ene diploma na het andere binnen. Zo’n vaart zal het hier wel niet lopen, zeker?
Onze oudste is straks al een jaar bezig in haar chocolaterie en ze heeft goed haar werk. Zo hoort het ook. Het is wel een hele opgave om er als jong meisje tijdens de dag alleen voor te staan. Gelukkig staat haar vriend iedere avond na zijn werk paraat om te helpen en de twee moeders en zussen – en zelfs broer – steken ook graag een handje toe waar ze kunnen. Het is eens iets anders dan tussen de kalkoenen of op de tractor, want we zijn multifunctioneel en multi-inzetbaar.
Juli was een heel drukke maand. Bloemkolen, bloemkolen en nog eens bloemkolen. Was het niet oogsten, dan was het planten en iedere dag was het ‘van dat’. Het zijn mooie dingen – als ze voorbij zijn. In augustus hebben we dan een gebouw achter ons huis gerenoveerd. Toen we hier kwamen wonen – ondertussen dertien jaar geleden – hadden we alle oude gebouwen gesloopt, behalve het woonhuis, een loods en dat gebouwtje. We hadden wel onmiddellijk een steentje errond gemetst om het wat steviger te maken en we hadden het ook een andere indeling gegeven. Het eerste deel werd bergruimte voor fietsen, voor de grasmachine en alles wat we elders niet kwijt konden; het tweede deel werd ons spuitlokaal. Het dak was wel niet meer je dat. Bij iedere storm dachten we: “Kon dit dak nu maar eens inwaaien”, maar dat gebeurde dus niet. Tot dit voorjaar opeens een heel deel pannen begonnen te schuiven en er een groot gat in het dak zat. Bernard en Mathieu probeerden nog het dak te herstellen, maar alles was rot. Terwijl ze toch bezig waren, hebben ze dan maar alle dakpannen weggenomen. Daar stond ons kot nu zonder pannen en geen tijd om eraan te werken. Angsthaas als ik ben, dacht ik: “Straks krijgen we hier nog controle voor het spuitlokaal en dat staat daar zomaar zonder dak.” Er was wel een rot, houten plafond, maar toch. En zo geschiedde … Op een ochtend in het voorjaar reed er hier een auto op het erf met een mijnheer met een map in zijn hand. Als boerin weet je al hoe laat het dan is: controle! “Goedemorgen mevrouw, ik ben van het FAVV en het is voor een controle van de sproeistoffen”, zei de man. Ik sloeg alle kleuren uit, mijn hart klopte al in mijn keel en ik begon meteen iets te stamelen van een ingestort dak, maar de man stelde me vrij gauw gerust. Hij zei dat hij enkel kwam voor de spuitmiddelen en niet voor het gebouw. De controle viel dan zelfs nog heel goed mee.
Begin augustus zijn we het gebouw dan maar beginnen leegmaken. Alles wat we indertijd nog meeverhuisd hadden met het idee van het misschien ooit nog eens nodig te hebben, stond in dat kot. We hebben bijna alles weggesmeten, er bleef haast niks meer over. Wedden dat we straks iets nodig hebben dat we wegwierpen … Maar nu staat ons kot daar, volledig vernieuwd. Laat ze maar komen voor een controle van het spuitlokaal. We zullen ze met de glimlach ontvangen!
– Bernadette Jonckheere
maart 28, 2008
Hoe is dat toch mogelijk?
“Hoe is dat toch mogelijk?” zeg ik soms tegen mijn man. “Hoe bestaat het toch dat wij destijds met elkaar getrouwd zijn? Ik begrijp het niet. Hoe kan dat toch? Als er nu twee mensen fundamenteel van elkaar verschillen, dan zijn wij het wel. Hebben wij dat dan vroeger niet gezien of aangevoeld?” – “Nee, want de liefde is blind en tegenpolen trekken elkaar aan”, zegt mijn man dan, “en bovendien vullen we elkaar toch aan, niet?” – “Ja dat is waar, maar we zijn blijkbaar stekeblind geweest!” antwoord ik dan. “Zo verschillend dat wij zijn!”
Ik ben door moeder natuur spijtig genoeg veroordeeld om overal vuil en stof te zien en dat bijgevolg ook steeds te willen opruimen. Mijn man kan gemakkelijk over het vuil heen stappen. Hij ziet het gewoon niet, tot ik hem erop wijs. Is zijn hemd verkeerd dichtgeknoopt, zit zijn kraag scheef, één halve blik en ik heb het gezien. Hij zou een hele dag zo rondlopen zonder het te merken.
Zo hou ik ook van cleane, overzichtelijke ruimtes. Hij zet alles vol. Tot ik het weer opruim en hij het weer vol zet. Zo heb ik gezworen om zijn werkbank nooit meer op te ruimen. (Gelukkig doet onze zoon dit nu, want voor hem moet het ook overzichtelijk zijn.)
Wanneer we aan een werk bezig zijn en het lukt niet goed of er breekt iets, zou ik het nogal snel opgeven en eventueel hulp zoeken bij derden. Hij niet: hij houdt vol, hij valt nog liever dood dan op te geven of hulp te zoeken en is dan achteraf trots dat het hem toch gelukt is. Ik ben dan doodmoe in zijn plaats.
Zelfs onze humor is verschillend. Hij lacht zich een deuk met de vijfendertigste heruitzending van De Kampioenen, terwijl ik er met moeite nog mee kan glimlachen omdat het zo voorspelbaar is. Ik lees dan gewoonlijk een tijdschrift in plaats van tv te kijken. Is er een humoristisch programma op tv dat ik dan weer heel graag zie – zoals de conference van Geert Hoste – dan valt hij gegarandeerd al na een kwartier in slaap.
Hij houdt van Duitse en andere schlagermuziek, terwijl ik er niet mag aan denken dat we later, als we ooit ons pensioen bereiken, naar de Duitse televisie zitten te luisteren en dan kijken naar die hoempamuziek en dansen. Dat kan me echt niet bekoren. We houden gelukkig allebei van het Franse chanson – hij voor de muziek en ik voor de tekst.
Ik lees graag op tijd en stond eens een boek, hij leest eigenlijk ook wel graag maar dan tijdschriften en hij heeft enkel in de humaniora boeken gelezen – omdat het van moeten was. Kijken we samen naar een quiz, dan weet hij alle sportvragen te beantwoorden en ook veel muziekvragen. Ik bijna geen een, maar ik heb dan weer een meer algemene kennis.
Ik hou van een strak gazon, een goed verzorgde tuin, mooi geschoren buxussen enzovoort. Hij durft wel eens (per ongeluk, hoop ik toch) met de tractor of verreiker in een van mijn talrijke tuintjes te rijden en vindt dat helemaal niet erg. “Het herstelt zich wel vanzelf,” zegt hij dan.
Zo kan ik nog uren doorgaan met aan te tonen hoe verschillend wij wel zijn. En toch zijn we binnenkort vijfentwintig jaar gehuwd en kennen we elkaar al meer dan achtentwintig jaar. We zijn ook niet van plan daar verandering in te brengen. Integendeel, we willen nog eens vijfentwintig jaar en zelfs meer eraan breien, als het God belieft. We zijn ondertussen ook wel naar elkaar toe gegroeid: hij ruimt nu al eens gemakkelijker op, ik laat al eens gemakkelijker iets liggen en kijk ook al eens over wat wanorde heen. Zo gaat dat bij veel echtparen, denk ik.
En straks als het weer voorjaar is, halen we allebei het beste uit onszelf naar boven om alles weer gezaaid en geplant te krijgen. Hij ploegt, plant en zaait en ik leg het zaai- of plantbed klaar. En in diezelfde periode moeten ook weer alle paperassen netjes op tijd ingevuld en verstuurd worden. Wij zijn – net als Sofie en nog vele anderen – bij de gelukkigen die een bemestingsplan en -register moeten bijhouden voor de Mestbank. Gelukkig hebben we geen boete. Ik mag er niet aan denken tot welke agitatie en stresstoestanden dit weer zal leiden, om mijn man zo ver te krijgen dat hij alles invult. Zoiets stelt hij zo gemakkelijk uit, om op het laatste nippertje alles toch in orde te brengen. Ik loop er dan bij als een opgewonden, gestresseerde kip terwijl dat toch absoluut niet nodig is, volgens hem. En uiteindelijk heeft hij wel gelijk.
Maar samen hebben we drie leuke, gezonde kinderen. Misschien toch best dat we allebei zo blind waren destijds!
– Bernadette Jonckheere
februari 1, 2008
There is no business like boerenbusiness
Zoals ik al vroeger geschreven heb, verblijft onze tweede dochter, Charlotte, voor haar studies al sinds september in Salamanca (Spanje) en we hadden ons vast voorgenomen om haar eens te bezoeken op het einde van het jaar. Het liefst waren we begin november geweest, omdat de kalkoenen dan nog niet al te groot zijn en niet zo veel bijgestrooid hoeven te worden. Kwestie van de thuisblijvers wat te sparen. Maar in november lukte het niet, onder andere door de bloemkolen. Het was bijna december eer we ze geoogst hadden en dan nog in vijfendertig keren. Man, wat kan dat tegenstaan als het zo lang aansleept en bovendien is het dan ook kostelijk omwille van de daguren, de brandstof enzovoort. We konden erdoor blijven rijden. Voor de fabrieken was het natuurlijk ook lastig, maar ik vrees dat ze niet beseffen dat het voor de boer helemaal geen pretje is. Maar wat doe je er aan. Het weer kunnen we dus nog altijd niet commanderen, zo blijkt.
Charlotte, die we geregeld bellen via Skype (dus met de computer) en ook in beeld zien, had dan zelf maar de knoop doorgehakt en een datum vastgelegd waarop we op bezoek zouden gaan. En ze had meteen de vliegreis geboekt en betaald. Allemaal via de computer en met ‘onze Visakaart’. Wij zijn volslagen leken op dat gebied. Ik had toegezegd met gemengde gevoelens, want in mijn achterhoofd zag ik weeral een boel doemscenario’s opduiken. Vooral de knolselder lag op mijn lever. We hadden er nog bijna geen geleverd aan de fabrieken. Ja, die laten eerst alle andere groenten voorgaan en het stiefkindje is dan de knolselder.
Wat ik vooraf gevreesd had, werd dus ook waarheid. Het begon eerst te regenen — veel te regenen —en dan te vriezen, harder te vriezen dan ze voorspeld hadden! En de knolselder stond nog op het land. Die maandag tijdens het eerste vriesweer hebben we nog een boel knolselder gerooid en we mochten onmiddellijk beginnen leveren. Oef, die waren gered. Van één fabriek kregen we echter de (slechte) raad dat we de knolselder beter konden laten staan. Bernard durfde die dus niet te rooien. Toen het moment van het vertrek naar Spanje naderde, begon het te dooien en hij wilde niet meer mee op reis. Lap, daar was mijn doemscenario: mijn man bleef thuis om te redden wat er nog te redden viel, Op zo’n ogenblik kan ik echt wel sakkeren op de boerenstiel. ‘There is no business like boerenbusiness.’ Je kan zo moeilijk iets vooraf regelen, want alles kan altijd in het water vallen. Onze buren hebben zo eens een geboekte vliegtuigreis naar Amerika moeten laten schieten door dat verdomde Belgische weer. Gelukkig vond ik snel een andere kandidaat-reiziger, namelijk mijn oudste zus. Honderd euro kostte het me om het vliegticket van naam te laten veranderen. (Bijna meer dan de reis zelf) Ik heb het voor één keer niet aan mijn hart laten komen en mijn man thuis gelaten.
Bernard voerde ons de donderdagmorgen naar de luchthaven van Charleroi. Om 12 uur landden we al in Madrid. Daar wachtte ons een blij weerzien met de dochter, die nog geen haar veranderd is (behalve haar haren, die een flink pak gegroeid zijn!). Samen moesten we nog tweemaal de metro nemen onder Madrid (toch wel eens aan de terreuraanslag gedacht, daar diep onder de grond), nog een lange busreis en een fikse wandeling en we waren om 18 uur in haar appartementje.
Doodmoe, reizen is dus lastiger dan werken.
Omdat Salamanca bergachtig is, hebben we nogal mogen sleuren aan de valiezen (gelukkig hebben die wieltjes tegenwoordig) in die steile straten. Enja, onze fysiek is ook niet meer wat hij ooit geweest is.
Tijdens de busreis naar Salamanca reden we door landbouwgebied. We kwamen langs heel veel pas gezaaide tarwevelden. Soms zagen we wat weiden met koeien en gebouwen, maar het was net of er geen woonhuis bij was. Verder stond er daar eind vorig jaar ook nog heel veel mais. Er waren een paar ronden afgereden, en de rest stond er nog. Blijkbaar kunnen ze de maïs daar laten drogen op het veld. We zagen onderweg ook nogal wat beregeningsinstallaties en landbouwwerktuigen die midden de velden stonden terwijl er in de verste verte geen boerderij te bespeuren was.
Salamanca zelf is heel mooi. Heel veel oude gebouwen, maar jammer genoeg overal en op alles graffiti. Dat is heel spijtig de jeugd heeft er blijkbaar geen respect voor al dat moois, ‘s Middags zaten we op de Plaza Major een ijsje te lepelen in volle zon, dicht bij een grote kerstboom. Dat was nogal wat anders dan mijn ventje die in de Ieperse klei aan het zwoegen was of zat te zweten in zijn kalkoenenhok.
De dochter spreekt nu al van na haar studies een jaar in Mexico te gaan werken. Benieuwd of ze dat voor elkaar krijgt en of het ons dan zal lukken om haar eens samen te bezoeken.
— Bernadette Jonckheere–
