Deze periode van het jaar – met korte, koude en mistige dagen – zet aan om eens terug te blikken op het voorbije jaar. Ik ga hier echter geen opsomming geven van dalende opbrengsten en stijgende kosten voor de boer, want dat ondervinden jullie zelf dagelijks op jullie eigen bedrijf. Wat mij vooral treft als ik het afgelopen jaar overloop, is dat de boer en tuinder van een producent van het levensnoodzakelijke voedsel – die hij in het begin van 2008 nog was – weer geëvolueerd is naar een noodzakelijk kwaad in de ogen van vooral de politieke overheid. En dan denk ik aan enkele dossiers hier in onze regio, de Antwerpse Kempen. Het dossier ‘Rooiveld’ in Westerlo is hier een sprekend voorbeeld van.
Ik schets in het kort even de situatie. Het provinciebestuur van Antwerpen wil een permanent crossterrein voor motoren, 4X4 auto’s en quads inrichten, pal in het midden van een van de weinige grote aaneengesloten landbouwgebieden die onze regio telt. Het heeft daarvoor 20 hectare landbouwgrond op het oog die in een herbevestigd agrarisch gebied (HAG) liggen. Als je weet welke moeite het ons als landbouwsector gekost heeft om tijdens de afbakening van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen in de Regio Neteland de vooropgestelde 66 procent HAG te realiseren, kan je dit soort plannen niet anders interpreteren dan als een regelrechte kaakslag voor de boeren. Want waar blijf je met je geloofwaardigheid als politiek verantwoordelijke, als goedgekeurde plannen die voor rechtszekerheid bij de boeren moeten zorgen, al naar de prullenmand verwezen worden voor de inkt opgedroogd is. Het opvallendste in dit dossier is wel dat de CD&V-meerderheid in Westerlo – met toch een aantal leden van de landelijke beweging onder haar gemeenteraadsleden – dit project een gunstig advies gegeven heeft, ondanks hevig protest van de betrokken boeren.
Uit heel dit dossier blijkt dat landbouwgrond in de ogen van deze politieke beleidsmensen gewoon naar eigen goeddunken aangeslagen kan worden voor allerhande grondverslindende projecten. Dit staat toch wel in schril contrast met de manier waarop men met natuurgebieden omgaat. Als er ergens een stukje natuur moet verdwijnen voor andere doeleinden, dan moet dat ruimschoots gecompenseerd worden met andere grond. Grond die men dan – hoe kan het anders – gaat afnemen van de landbouwsector. Kortom, de landbouwgrond is in Vlaanderen de grondreservebank voor alle sectoren.
De realisatie van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen werd destijds voorgesteld als een middel om de 750.000 ha landbouwgrond waar de sector recht op had, te vrijwaren. Als we, ondertussen meer dan tien jaar later, zien waar we nu staan, dan is het voor iedereen met een beetje gezond verstand duidelijk dat aan het einde van het verhaal alle sectoren – van industrie- tot recreatiegebieden, natuur- en bosgebieden enzovoort – de vooropgestelde oppervlaktes zullen krijgen en dat de landbouwsector met het overblijvende gebied tevreden zal moeten zijn. Een oppervlakte die heel wat kleiner zal zijn dan de vooropgestelde.
Een ander dossier dat in onze regio de gemoederen beroerde, is Bio-Kempen. Een groep varkenshouders uit de omgeving van Geel kocht in het voorjaar van 2008 de gebouwen en omliggende grond van een failliet varkensbedrijf met de bedoeling er een mestverwerkingsinstallatie te realiseren. Hoewel het bedrijf in het agrarische gebied gelegen is, kwam er heel wat tegenkanting van buurtbewoners. Aangezien er in deze regio zeker behoefte is aan mestverwerking, kon het project rekenen op een positief advies van de gemeentelijke landbouwraad. Maar het schepencollege van Geel heeft dit positieve advies naast zich neergelegd. Ook al zijn een meerderheid van het schepencollege én de burgemeester lid van de fractie van de landelijke beweging binnen CD&V, toch gaven zij aan de provincie een negatief advies.
Gelukkig besefte de provinciale overheid in dit dossier dat men om een omelet te bakken eieren moet breken en ze verleende een milieuvergunning. Het is toch wel opmerkelijk dat ministers van CD&V pleiten voor meer mestverwerking en dat de plaatselijke mandatarissen dit tegenover de landbouwsector volledig beamen, maar … dan niet in hun eigen gemeente.
Ik heb de indruk dat er heel wat uit te leggen zal zijn bij de Vlaamse verkiezingen in juni 2009 en dat er veel overtuigingskracht aan te pas zal komen om de potentiële CD&V-stemmen uit de landbouwsector binnen te halen. Want ik kan je verzekeren dat er onder de boeren heel wat twijfel gerezen is over de loyaliteit van de mandatarissen die vóór de verkiezingen uitgesproken boerengezind zijn maar dat blijkbaar vlug vergeten eens de stemmen binnen zijn.
Ik wil mijn Dagboek graag besluiten met iedereen prettige kerst- en eindejaarsfeesten toe te wensen en voor 2009 een goede gezondheid en een voorspoedig boerenjaar.
– Marcel Heylen
december 19, 2008
De stille Kempen
december 12, 2008
Laat ons een bloem en wat grond om te boeren
Het is blijkbaar een nieuwe trend om op alle mogelijke manieren onze land- en tuinbouw in zijn groei te beperken. Je hoort geregeld over wijzigingen van het gewestplan, uitbreiding van kmo-zones, habitatrichtlijnen en noem maar op. Soms is het net of ze ons het beetje landbouwgrond dat ons nog rest proberen te ontfutselen en daarvoor allerlei trucjes gebruiken. Als er morgen een of andere vogel in je boomgaard of weide komt nestelen, kan je die beter stiekem naar het nabijgelegen natuurreservaat dragen want anders heb je een habitat aan je been en dan kan je ervan op aan dat je de komende jaren dat beestje niet mag storen in zijn activiteiten. Zo hoop je ook maar dat er niet al te veel bedrijven zich in je gemeente willen vestigen, want anders krijg je een industrie- of kmo-zone naast je deur, of op zijn minst de bufferzone ervan. Als je het ‘geluk’ hebt dat je met je grond naast een natuurreservaat ligt, dan weet meteen ook het hele groene gebeuren in je streek alles wat je doet op het vlak van bemesting en bespuitingen op je gewassen. Nu ben ik wel niet tegen een gezond natuurbehoud, maar de jongens van natuurpunt doen hun zaak als hobby en wij moeten van onze zaak kunnen leven – en dat vergeten die mensen wel eens.
Een tweede, voor ons grotere beperking is de nieuwe gewasbeschermingsrichtlijn die op til is vanuit Europa. Als die mensen hun zin krijgen, blijven er enkel producten over die ontoereikend zijn om fatsoenlijk fruit te kunnen telen. Natuurlijk wordt de soep nooit zo heet gegeten als ze opgediend wordt, maar meestal zijn we toch geen winnaar als er zulke voorstellen op tafel komen. Ik vind het heel erg dat we na twintig jaar investeren in millieubewuste teelt zoiets op ons dak gaan krijgen. Hoeveel inspanningen hebben we niet gedaan om tegen ziektes de minst schadelijke producten in te zetten? Hoeveel nuttige insecten zijn er niet gespaard gebleven dankzij selectieve middelen? Het is zelfs een feit dat de torenvalk en andere roofvogels teruggekeerd zijn na jarenlange afwezigheid, dat moet toch het bewijs zijn dat we geen gifmengers meer zijn – zoals sommige fanatiekelingen ons ten onrechte nog altijd afschilderen. Het ergste in zulke zaken is dat we als enkeling weinig verhaal hebben tegen dit soort beslissingen. Gelukkig volgt de Boerenbond het hele gebeuren wel goed op en houdt ons proefcentrum de zaak ook wel in de gaten. Gelukkig maar, want anders zijn we gedwongen om terug te keren naar de hoogstamboomgaard, waar de schaapjes en de koetjes wel rustig kunnen grazen maar waarvan driekwart van de appels onverkoopbaar is.
Het verkoopbaar zijn van de appels lijkt trouwens dit jaar ook niet zo vanzelfsprekend. Nu is het de productie in het voormalige Oostblok die ons parten speelt. Zelf denk ik dat ook de huidige economische situatie een belemmering is om een vlotte export te garanderen. Soms vraag ik me af of het in het oosten nog wel allemaal zo goed gaat, zeker als je ziet dat we ons in Rusland moeten verantwoorden voor alles wat we aan ons fruit gedaan hebben. Als je dan nog verder oostwaarts gaat, doen ze nog moeilijker over fytosanitaire en teelttechnische maatregelen. Gaat het in die landen wel allemaal zo goed als men ons altijd wijsgemaakt heeft? Of spelen er andere factoren mee, waar wij als gewone fruitboer zelfs nog geen weet van hebben? Gelukkig moeten we het allemaal niet te diep in ons hoofd steken zolang we op financieel vlak niet al te veel geremd worden; want als je aan de mensen hun centen zit, krijg je al wat vlugger commentaar. Als alles goed gaat, hoor je niemand en als het een dag wat minder goed gaat, zit iedereen op je kop. Dat is ook zeer logisch, want tenslotte werken we hard genoeg om ons brood te verdienen en dan moet er niemand de korstjes komen afknabbelen.
Ach ja, het is wel altijd wat in onze sector. Ik ben nu achttien jaar fruitteler en ik hoor al evenveel jaren geklaag links en rechts. Waarschijnlijk zal dat ook de komende jaren nog zo zijn, maar ondanks alles blijf ik toch een mooie stiel hebben. “En de boer hij ploegde voort”, zegt men dan gewoonlijk.
Langs deze weg wens ik ook al de lezers van mijn dagboek alvast fijne en vreugdevolle eindejaarsdagen toe.
– Kris Van der Velpen
december 5, 2008
Sinterklaas kapoentje
Het zal wel een toeval zijn, maar precies twee jaar geleden mocht ik hier ook het ‘Dagboek’ brengen rond de tijd van Sinterklaas. Wie het nog eens wil nalezen kan dit op www.mijndagboeken.wordpress.com. Ik had het daar in mijn Sinterklaasbrief over een serieuze Piet die een paar maanden voordien uit de lucht gevallen was. U moet niet twijfelen, ik had het toen over onze voorzitter Piet Vanthemsche. Aanvankelijk werd hij door de boeren met behoorlijk wat argwaan bekeken, maar als ik vandaag in Boer&Tuinder lees waar hij allemaal mee bezig is, dan denk ik dat hij op de goede weg is. Niet in het minst heeft hij de begrippen ‘economisch boeren’ en ‘open ruimte voor landbouw’ weer in het spotlicht gezet. Het kan natuurlijk nog beter. Zo wacht ik nog met spanning op de dag waarop hij net zoals Dina Tersago in Boer zkt vrouw over de Boerenbondleden zal spreken als over “mijn boeren”. Voorzitter, dan kom ik op Agriflanders wel een pint met u drinken.
Een paar weken geleden hadden wij hier dan een stagiaire. En niet zomaar één, maar wel een ambtenaar van het ministerie van Landbouw. Ik heb namelijk wel eens in een ‘Dagboek’ geschreven dat ik vond dat nieuwe ambtenaren op landbouwdiensten maar eens op stage moesten op een écht landbouwbedrijf. Het kan niet anders of onze toenmalige minister van Landbouw Leterme moet dit gelezen hebben. Het is nu een voorwaarde geworden dat wie nieuw is op een landbouwdienst binnen het jaar na indiensttreding een paar dagen moet meelopen op een actief bedrijf.
Onze (supervriendelijke) stagiaire heeft zich uitstekend aan haar taak gehouden. Ze was hier net toen wij de maïs aan het hakselen waren. Aangezien het haar doel was om zoveel mogelijk mensen te spreken die met landbouw bezig zijn, zag ik haar van tractor naar tractor overstappen en ze reed zelfs een hele tijd met de hakselaar mee. Daar had de chauffeur wel plezier in! Maar ook in de kaasmakerij en de zuivelbereiding werkte ze mee, zelfs in de verkoop. De reden was dat er dikwijls veel vragen zijn rond de haalbaarheid en de wenselijkheid van bepaalde projecten op de hoeves. Ik ben er dan ook van overtuigd dat dit een prima actie is om te velde van de sfeer te proeven. Zo zie je als ambtenaar ook eens dingen die je van op je bureau niet kan inschatten. Ik kijk zelfs met spanning uit naar het uitgebreide verslag van deze driedaagse aflevering van “Ambtenaar zkt Boer”.
Over controleurs heb ik het hier ook wel al gehad. En het was in de controle net iets drukker dan andere jaren deze zomer. Eerst hadden wij iemand van de VLM die kwam kijken naar onze waterteller. Ja hoor, gewoon kijken was genoeg. En natuurlijk de meterstand (na tien jaar) eens opnemen, de meter voorzien van een loodje (stel je voor dat ik zou gaan frauderen!) en dan nog met de gps de positie van de boorput bepalen. Liegen kan dus niet meer.
Op een mooie herfstdag kwam hier ook een controleur langs om mijn nieuwste loods op te meten. Ook allemaal met vernuftige gps-apparatuur natuurlijk. Neen, ik moest geen meterlintje helpen vasthouden. Ik denk dat deze controleur ondertussen ook de taak had om eens te kijken of die loods daadwerkelijk een landbouwgebruik had en geen caravans of bouwmaterialen huisvestte of zelfs een stokerij of een cannabisplantage. Het schijnt dat dit allemaal meer geld opbrengt dan zuiver landbouw. Neen, bij mij dus gewoon machines en stro. Mij leek het allemaal niet zo nuttig, maar ik denk dat de controleurs wel doorzeggen aan elkaar dat de koffie hier klaarstaat (voor wie zich eerst wil aanmelden).
Op een maandag viel hier een aangetekende brief in de bus van onze btw-controleur dat hij ons vier dagen later op vrijdag een bezoek wilde brengen, omdat wij zo buitensporig veel btw terugvorderden. Alles klaarleggen van facturen, verkoopboeken, aankoopboek, dagontvangsten, bestelbonnen, plannen, bestekken en offertes van de bouw, personeelsregister en bankuittreksels – en dat van twee jaar ver. Onze haren kwamen recht bij het lezen van al dat fraais. Onze boekhouder Bart stelde ons gerust, de soep wordt niet zo heet gedronken als ze wordt opgediend. En dat was ook wel zo, maar heel gerust hebben we die week toch niet geslapen. Achteraf gezien hebben we meer over de boerderij en de marktverkoop gepraat en over de plannen voor ons nieuwe project dan over iets anders, en de controle van de aankoopfacturen viel al bij al wel mee.
Ook de staalnemer van de Mestbank is langsgeweest omdat wij verleden jaar met 130 kg nitraatresidu veel te hoog zaten, het resultaat was nu 93. De Mestbank zal zeggen: “Dat is net 3 te veel” Ik zou erop zeggen: “Niet slecht gewerkt, dat is toch al 30 procent minder!” Als je op de snelweg 3 km te snel rijdt dan krijg je 25 euroboete. Ik vrees dat deze overtreding mij dit jaar weer honderden euro’s zal kosten.
Ik vrees dat ik vrijdagavond wel weer mijn schoen zal moeten zetten voor de Sint.
Luc Callemeyn
november 28, 2008
Het verhaal van Bronfay
Het is nu negentig jaar geleden dat er een einde kwam aan de ‘Grote Oorlog, die later de naam ‘Eerste Wereldoorlog’ kreeg. Vandaag beschrijf ik in mijn dagboek – vooraleer het vergeten raakt – wat ik daar nog van ondervind en hoe mijn voorganger deze boerderij weer opgebouwd heeft.
Henri Salvaudou, een jonge Zuid-Franse boerenzoon, startte hier zijn bedrijf bij het begin van de oorlog; het lot wilde dat hij vier jaar later hier – op dezelfde plek – zijn laatste vriend die overbleef en die aan het doodbloeden was, over zich heen heeft getrokken om te ontsnappen aan een Duitse bajonet. De oorlog heeft toen nog drie maanden geduurd. In mijn huis – dat tijdens de oorlog als eerste verzorgingspost diende voor het Engelse en soms het Franse leger – zijn minstens 537 gewonde Engelse soldaten gestorven. Die liggen nu begraven aan de overkant van de straat.
De jonge boer leende van zijn familie het nodige geld om het huis gedeeltelijk op te knappen en trok er met zijn jonge bruid in. Na de oorlog bestond de boerderij uit twee eenheden: een schapenboerderij en een koeienboerderij van 60 melkkoeien en 348 ha land. Toen de Duitse herstelbetaling aankwam, bouwde hij een koestal van 1000 m2, twee stroschuren plus schapenstal van 1200 m2 en een hooischuur van 600 m2. Hij verbreedde en verlengde het huis en bouwde er nog een bovenverdieping op voor de tientallen knechten die op de boerderij werkten. Die knechten waren zo enthousiast over hun mooie kamers met radiatoren en warm water, dat ze niet naar huis wilden. Als deel van zijn oorlogschadevergoeding kreeg hij ook een Duitse vrachtwagen. Die heeft hij met zijn werklvolk gedemonteerd en opnieuw gemonteerd, alleen om te weten hoe het ding werkte. Je moet wel voor ogen houden dat ze die grote oorlog te paard gestart waren en dat ze hem mechanisch eindigden.
Als ze in de zomer op hun eerst geëffende velden een enorme wildgroei van distels opmerkten, wisten ze meteen dat er daar vochtige soldatenlijken onder de grond zaten. Ieder jaar slaagde hij erin om met zijn knechten en zijn paarden zo’n 10 ha grond te effenen en weer in cultuur te brengen. Soldatenkelders timmerden ze dicht met hout en vulden ze op met aarde. Kleine bomtrechters vulden ze op met harde cement in jute zakken, dikke balken en alle rommel die ze tegenkwamen. Met de prikkeldraad die soms diep in de grond verstrengeld was geraakt, hadden ze het meeste werk. Beneden aan de hoeve had er een smalle munitiebevooradingstrein gereden. Daar bouwde hij nu een loskaai om zijn 80 hectare suikerbieten af te voeren naar de suikerfabriek in Dompierre.
Achteraan ons huis was er een enorm diepe mijnput, waar de jonge boerin elke dag vers regenwater ging halen om hun maaltijden mee te bereiden. Toen ze na enkele jaren haar knechten de put liet dieper maken omdat er niet meer genoeg water in de put zat, stootten die tot hun ontsteltenis op een paardenlijk! Ze hadden de smaak of de geur van het water nooit verdacht gevonden en waren er ook niet ziek van geworden.
Omdat er tijdens de oorlog geen wild afgeschoten was, had de boer de volgende jaren maar een half uur nodig om vijf hazen te schieten en hij kon met gemak zo’n vijftig vossen per jaar bejagen. Jammer genoeg is hij failliet gegaan in de jaren dertig, en zo heeft mijn grootvader deze hoeve dan kunnen kopen.
Ik kom vandaag de dag nog steeds 1 à 2 bommen per jaar tegen, soms 1 meter hoog en 200 kg zwaar, die werden afgeschoten door scheepskanonnen die op treinwagons gemonteerd waren. Toen we deze zomer met een hydraulische machine de kalkachtige bovenlaag aan het afgraven waren, kwamen de voeten, benen, heup en daarna de borstkas – verder beschrijf ik het niet – van een mooie, jonge, gewapende, Franse soldaat tevoorschijn die met helse pijnen gestorven moet zijn. Hij lag in foetushouding, net alsof hij in zijn moeders buik zat. En op nog geen tien meter daarvandaan lag een Duitse soldaat, in uitgestrekte houding, met zijn ogen naar de hemel gericht. Aan zijn heup hing zijn lederen kogelhouder, waar zeker nog honderd geelblinkende kogels in zaten, doorboord door andere kogels. Bij ons in die kalkgrond roesten ijzer en koper veel minder dan in leemgrond; leemgrond roest op zijn beurt weer minder dan zandgrond.
Niet ver van mijn huis ben ik per ongeluk op een heel lange loopgraaf gestoten. Die was gevuld met Franse wijnflessen, maar er lagen ook Engelse Schweppesflessen waar de naam in het glas gegoten is. De onderkant van de fles eindigde op een pin zodat je ze kon vastzetten in de loopgraven. Ik vond er ook potjes kaviaar uit Astrachan en inktpotten.
Omdat de eerste 32 tanks van mijn bedrijf vertrokken zijn, heb ik ook een rupsschoen van zo’n tank gevonden. Jammer genoeg heb ik die aan een souvenierjager weggegeven. Dat doe ik nu niet meer; ik houd nu alles zelf bij.
Er komen nu meer en meer Engelse en Franse kinderen kijken naar de oorlogsvelden van hun grootvaders. De laatste jaren werden er veel musea bijgebouwd, er was zelfs ooit sprake van dat mijn boerderij omgebouwd zou worden tot een museum. Daar zou ik me wel fel tegen verzetten, nu ik meer en meer de geschiedenis van de Bronfay ken – de Bron van België, met aan de overkant de Kaap van Frankrijk of Cappy. Het was vroeger een prinsendom net als Monaco en Liechtenstein, die ook aan de rand van een land liggen.
Op het internet zijn er 280 sites die over mijn boerderij spreken; je vindt er ook 2 sites over de Romeinse villa die er vroeger stond. Zoek maar eens waar koning Clovis, de heerser van Europa, woonde en je komt bij mij terecht. Officieel woonde hij in Soisson, de wapenstad, maar de werkelijkheid was anders. Clovis was die koning die na zijn dood Europa verdeelde onder zijn vier zonen. Wij zijn geen klein volk!
– Pierre Michels
november 21, 2008
De maand november
November is traditiegetrouw een zeer drukke maand. Wel, deze keer is het precies hetzelfde scenario. We hadden wel geluk want de weergoden bleven ons redelijk gunstig gezind. Tijdens deze maand rooien we alle witloofwortelen die nog groeien op het veld, om ze dan te stockeren in koelcellen totdat we ze intafelen; met andere woorden, dit is een extra klus die geklaard moet worden. We hebben dit keer goed kunnen doorwerken, zodat we bijna klaar zijn. Het blijft steeds een grote opluchting als de koelcellen bijna propvol erbij staan. Dat geeft namelijk werkzekerheid voor het komende jaar – of ook ons inkomen verzekerd is, weten we natuurlijk niet want dat hangt af van de hoeveelheid bruikbare wortels. Gelukkig hadden we onze zelfgeteelde wortels al gerooid toen die beruchte regennacht voorbijtrok. Er viel maar eventjes 53 liter per vierkante meter. West-Vlaanderen werd het ergste getroffen. De Waalse boer die ook wortels voor ons kweekt, had het veel beter getroffen. Daar viel maar zeventien liter en hij kon zijn werkzaamheden onafgebroken voortzetten. Met een beetje geluk zullen onze wortels eind deze week binnen zijn en dan kunnen we met een gerust hart de poorten dichttrekken.
November is ook de maand waarin we al onze suikerbieten rooiden. We hebben inderdaad ons quotum kunnen behouden. Verleden jaar liepen we er wat teleurgesteld bij, omdat we ons quotum niet konden verkopen; maar aangezien de graan- en maïsprijzen gekelderd zijn, zijn we toch nog tevreden dat we onze bieten behouden hebben. Wat moet je nu nog telen? Er is wel één minpunt aan deze situatie: onze bieten worden pas in de laatste week van de campagne afgehaald. We hebben leveringsbonnen die gelden vanaf Kerstmis, maar er doen al geruchten de ronde dat er wel wat weken zullen bijkomen. We hebben nog nooit bieten gerooid die zolang blijven liggen, maar we kunnen nog steeds de wetten der natuur niet tegenhouden. Ofwel moet je bereid zijn je land te laten vermorzelen, waarvoor we toch nog bedanken. Intussen is de tarwe ook gezaaid.
November is ook de maand van afscheid nemen. Traditiegetrouw brengen we op Allerheiligen een bezoek aan de graven van onze dierbaren. Het is dus steeds een dag van een beetje rouwen en een beetje afscheid nemen. Mijn vader is twee jaar geleden gestorven en mijn broer dertig jaar geleden. Na het bezoek aan het kerkhof, brengen we de dag door bij mijn moeder en de familie. Het blijft steeds een blij weerzien bij een kop koffie en een stukje zelfgebakken taart.
Ik heb opnieuw een stukje herinneringen aan mijn vader moeten laten varen. Hij was een man uit een landbouwersfamilie, met als gevolg dat die boerderij nog in onverdeeldheid was – zoals we dat noemen. Maar nu zijn alle percelen verkocht. Toegegeven, ik mag niet ondankbaar klinken aangezien alles nu verdeeld wordt. Het gaat mij wel niet zozeer om het geld, maar om de vele herinneringen die ik bij deze percelen koester. Ik heb toch enkele dagen nodig gehad om deze gebeurtenissen een plaatsje te geven Er werd nogmaals een draadje verbondenheid doorgeknipt!
Het werd ook de maand waarin we lazen dat Lut De Bruyne voor de REO Veiling gaat werken. Geloof me, deze nieuwsflash kwam als een donderslag bij heldere hemel. We waren zo gewoon om haar wekelijkse bijdrage in de Boer&Tuinder te lezen. En wij, dagboekschrijvers, ontmoeten haar bij ons jaarlijkse etentje. Het zal onwennig zijn als zij er niet meer bij is. Maar voor ons zal het zeker nog niet gedaan zijn. Ze nadert onze contreien, want ze wordt communicatieverantwoordelijke. Ze volgt bij de REO Veiling Ann Van Nieuwenhove op. Ann heeft een zeer zwaar verkeersongeval gehad en is nu volledig verlamd. Onlangs kon je in de Weekbode lezen hoe een sterke, zelfstandige vrouw afhankelijk werd van veel hulpverleners en vrijwilligers.
Maar we eindigen deze maand met een hele blije gebeurtenis: mijn schoonouders vieren hun gouden huwelijksjubileum. Mijn schoonmoeder heeft een hels jaar gehad, met chemotherapie die zorgde voor veel ellendige dagen, maar ze heeft alles goed doorstaan en ze herstelt goed. Zo zie je maar, het leven heeft zijn negatieve maar zeker ook zijn positieve kanten en we grijpen ze met beide handen vast. We zijn zeer dankbaar dat mijn schoonmoeder een nieuwe kans krijgt. Dus laat het feest maar beginnen!
– Sofie Vansteelandt
november 14, 2008
Vogels met hoogtevrees
Het moet zowat half de zomervakantie geweest zijn toen Blijke (mijn petekind, 6 jaar), kwam melden dat er een zieke vogel op de grond zat in de loods. Gezien we druk in de weer waren met de werkzaamheden, vroegen we vluchtig wat die vogel dan mankeerde. “Ik denk dat die hoogtevrees heeft”, antwoorde Blijke. Wij volwassenen vonden dat wel grappig en lachten het weg met te zeggen dat dat niet kon. Boos antwoorde Blijke, met de voet stampend op de grond, dat we haar niet mochten uitlachen en dat een vogel wel hoogtevrees kon hebben. Met een nors gezicht ging ze dan maar terug naar de loods.
Nu ik dit schrijf, is het zondag 2 november, en het lijkt of er geen einde komt aan de nazomer die ik wenste. Onze sector heeft nood aan nachtvorst, zodat de bomen, het bos- en haagplantsoen zich kunnen verlossen van hun bladeren. Vooral voor de verhandeling van bomen met kluiten of planten die verkocht worden met blote wortel, is het belangrijk dat deze planten in rust zijn en vrij van bladeren. Maar wat zie ik in mijn eigen tuin? De rozen staan nog in bloei, een witte Agapanthus (Afrikaanse lelie) geeft een tweede maal bloemstelen en ook mijn platanen en dakmoerbeien weigeren hun bladeren mee te geven met de wind. Ik mis ook een beetje de intense herfstverkleuringen in het landschap, al staan er enkele lariksen in de tuin die geel, oranje, bruin verkleuren. Herfst dus, vallen van het blad, koudere temperaturen … en een stabiele economie, die onder onze voeten wegvalt.
Gisteren – 1 november – was het dus Allerheiligen. Nadat ik in 1990 voor de eerste maal één van mijn grootouders verloor, had ik de gewoonte om ook net als vele anderen het graf van opa (Vava) te voorzien van een grafstuk. Om een of andere reden doe ik dat al vele jaren niet meer, zelfs een bezoek aan het kerkhof lijkt mij nu zinloos – al heb ik alle respect voor iedereen die deze traditie wel in ere houdt. Hoe ga ik dan om met alle dierbaren die ik al verloren ben? Ik zie ze vaak terug in zoveel dagelijkse dingen, maar met Vava heb ik iets speciaals.
De eerste zes jaren van mijn leven woonden we met ons gezin in bij Moemoe en Vava, om zowel praktische als economische redenen. Ook al waren toen de huidige luxe en centrale verwarming niet aanwezig, toch staan deze jaren in mijn geheugen gegrift als warm, zorgeloos en vol liefdevolle geborgenheid. Naar het toilet moest je via de stal (de koeien waren al weg toen), in de winter moest je doorspoelen met een emmer water en ook de badkamer in de stal was primitief. We sliepen op de zolder, waar in de winter prachtige ijssterren op het venster stonden. Op schoot bij opa, naast de gaskachel keken we naar tv – naar tante Terry en nonkel Bob, naar Mijnheer de Uil van de Fabeltjeskrant – en bij een zoen of het minste naakt ging de tv op een andere zender. Vava was een man van weinig woorden, nooit heb ik hem boos gezien, hij was een halfgod voor mij, die brandnetels met zijn blote handen uittrok. Van hem heb ik ook de liefde voor Moeder Natuur meegekregen en de basis voor een verdere ontwikkeling van mijn gezond boerenverstand.
Nu beschouw ik mezelf niet als het zweverige type en ik blijf graag nuchter met mijn twee voeten op de grond. Maar iedere herfst is hij er weer, dat ene roodborstje, steeds ergens in mijn buurt tijdens de werkzaamheden buiten. Misschien is het iedere keer een ander roodborstje, maar ik ben bijna zeker dat dit Vava is die ieder jaar weer even komt kijken hoe het gaat. Een reden te meer om Blijke dus groot gelijk te geven: natuurlijk zijn er vogels met hoogtevrees.
Een aantal weken geleden bracht ik met een collega naar jaarlijkse gewoonte een bezoek aan Hortifair, een internationale vakbeurs voor tuinbouw en sierteelt in Amsterdam. Voor het eerst in vele jaren waren er twee hallen niet gevuld, het bezoekersaantal was matig en ook bij sommige standhouders was de stemming nauwelijks positief te noemen. De reden hiervoor hoef ik niet uit te leggen, het dagelijkse nieuws spreekt voor zich en mocht u als lezer een beursslachtoffer zijn, dan begrijpt u vast wat ik bedoel. Nu heeft een stad als Amsterdam voor een vent als ik heel wat te bieden, dus was er na de beurs ook nog een citytrip. Een aanrader is toch de openbare stadsbibliotheek. Op de zevende verdieping kan je wat eten en drinken, zelfs buiten op een terras, met een prachtig uitzicht over Amsterdam. En toen ik daar stond, zonnig weer met een frisse wind, kijkend naar beneden, kreeg ik toch last van hoogtevrees.
Ook ik ben maar een roodborstje.
– Henk van Beek
november 7, 2008
Reorganisatie
Het was een idee dat al een tijdje rijpte. We zouden onze tuin eens reorganiseren. Enkele te groot geworden struiken uitdoen en hier en daar wat kleinere exemplaren bijzetten. We wilden ook de beplanting in de tuin een beetje verminderen, omdat in de tuin werken nu eenmaal niet een van onze specialiteiten is. Na rijp beraad over wat we wel en wat we niet zouden doen, zijn we vorig najaar en in de winter begonnen met heel wat struiken uit te trekken. Op een boerderij is veel materiaal voorhanden, dus dat konden we echt wel zelf doen. Tot daar geen enkel probleem. Het uitzicht werd er alleen maar weidser op en die natuurpracht konden we wel smaken. De wind waaide een beetje strakker, maar dat zouden we er wel bij nemen. Ergens eind maart, begin april zouden we het gazon herinzaaien en tegen dat het ooit zomer werd, zou onze tuin er heel anders uitzien.
Dat laatste is helemaal waar, maar het is nog niet geworden wat we eigenlijk voor ogen hadden. De beplanting aan de rand, die staat er ondertussen wel al; maar het gazon zelf, dat was een ander probleem. Het weer heeft (weeral) een beetje roet in het eten gegooid. Het is namelijk in maart nogal veel beginnen regenen, zodat we met de verreiker niet meer in de tuin konden. De tuin een beetje vlak krijgen – te groot geworden struiken durven wel eens een gat achterlaten als je die uittrekt – daar was helemaal geen sprake van, laat staan dat we nog maar konden denken aan gras zaaien.
Vermits het werk toch altijd moet voortgaan, kwam daarna de tijd van het landwerk. De maïs moest gezaaid en het gras ingekuild worden. Toen het weer eindelijk wat beter werd – en we eigenlijk zouden kunnen voortdoen in de tuin – ging het werk op het land natuurlijk voor. En voor wie het zich nog herinnert: alle werkzaamheden waren aan de late kant. Ondertussen was het al volop mei. Het is niet dat je dan geen gras meer kunt zaaien, maar wij rekenden op een stralend mooie en droge zomer en hadden geen zin om elke dag ons gazon te moeten besproeien. Het vervolg laat zich raden. Het gazon lag er kapot gespoten en omgewoeld bij. Het onkruid heeft welig getierd deze zomer. En van een mooie en nieuw aangelegde tuin was helemaal nog geen sprake.
Nu was er wel één iemand die dat helemaal niet erg vond – voor zover wij dat al een probleem vonden. Want kan je je nu een mooiere en grotere zandbak voorstellen dan je eigen tuin, en dan nog wel met echte aarde? Dat je daar een beetje vuiler van wordt dan van te spelen in rijnzand, dat is toch maar een bijkomend probleempje. Dus Senne heeft zich deze zomer kostelijk geamuseerd met zijn speelgoedtractoren in de tuin. Hij kreeg daarbij geregeld hulp van vriendjes en neefjes die kwamen spelen. Af en toe leek het op een echte bouwwerf, met het aan- en afrijden van tractoren, met kranen en bulldozers in actie. Elke avond zag je de hoop aarde een beetje groter worden en was de ‘gracht’ die ze aan het graven waren weer een beetje dieper.
Af en toe vonden ook Arne en Bram het niet erg dat er nog geen gazon lag – vooral als zij het gras dat we nog wel hebben, moesten maaien. Het scheelde toch wel een heel pak in het werk dat de tuin niet gemaaid hoefde te worden – een werkje dat toch elke week terugkomt.
In de loop van de zomer hebben we wel de rand van het gazon al van een steentje voorzien. Het is dus niet dat we stilgezeten hebben. De bedoeling was om ergens eind augustus, begin september het gazon in te zaaien. De nodige regenbuien gooiden onze plannen letterlijk in het water.
Ondertussen is alles gerotord en zie je van Senne zijn werkzaamheden niets meer. We hebben wel al een ‘vlak’ uitzicht, maar van zaaien is nog niet veel terechtgekomen. Oktober is bij ons vooral een maand met veel landwerk. De tarweoogst was bij ons weer eens een keertje aan de late kant, vooral het stro. En dan wil je ook nog een laatste keer maaien. En bij ons moet alles voor de winter geploegd zijn; dat hebben we graag gedaan tegen eind oktober. Daartussen komt dan ook nog in de loop van oktober het zaaien van de wintertarwe. Dus oktober is voor ons gewoonlijk een maand waarin we zo wel al weten wat gedaan, waarbij ik steeds vind dat het een rit tegen het weer is. Want als het weer omslaat, dan wordt het er nu eenmaal niet meer droger op. We hebben op dat moment dus heel wat dingen aan ons hoofd, laat staan dat we ons zorgen gaan maken over een gazon dat niet tijdig gezaaid raakt.
We hebben onze plannen dus weer een beetje bijgesteld. Volgend voorjaar zal het er hopelijk wel van komen. Geduld is nu eenmaal een schone deugd.
– Carine Cornu
oktober 31, 2008
“Geen tijd voor ontbijt, ik moet gaan”*
Zonet kregen wij in de bus een uitnodiging van KBC voor een Infosessie Melkvee ‘Zijn schaalvergroting en arbeidsvreugde te combineren?’ Tegenwoordig lijkt het wel een rage! Inkomensoptimalisatie, groeimogelijkheden, megabedrijven …
In het laatste nummer van Melkveebedrijf, een onafhankelijk maandblad voor de melkveehouderij, staat een reportage over het melkveebedrijf van de familie Tamminga in Friesland. Dat is toevallig een van de bedrijven die wij de voorbije zomer bezochten. Ze hebben daar al een melkrobot, een biogasinstallatie en … 225 koeien. Dochter Anke zal het bedrijf overnemen en de ‘oriëntatiefase’ – zo noemen de Nederlanders dat – voor uitbreiding naar 500 koeien over twee tot drie jaar is begonnen. Allez, vooruit!
Bij ons loop het niet zo’n vaart, maar hier en daar hoor je al eens iets over 150 of 200 koeien, over een tweede bedrijf of over 1000 zeugen plus afmesten. In gerechtelijke termen spreekt men in zo’n geval over een ‘ondraaglijke drang tot het plegen van …’. Ik krijg de indruk dat sommige boeren echt wel last hebben van een ondraaglijke drang naar groei.
500 koeien? Waarom 500? Geven we zo de zuivelindustrie niet de pap in de mond om de melkprijs te laten dalen? De boeren zullen wel naar de bank stappen en groeien. Zouden we niet beter een schaarste creëren? Vorig jaar was daar maar even sprake van en de melkprijs vloog de hoogte in. Maar nee, zo werkt het niet: in de landen om ons heen groeit alles nog veel vlugger. Ach ja, ik weet ook wel dat groei een fundament is in de economie.
Mijn grootvader had 20 koeien, mijn vader 45 en wij bouwden in 1984 een stal met 74 ligboxen. Da’s telkens zowat verdubbelen, in periodes van 25 à 30 jaar. Het is niet mogelijk dat diegene die ons opvolgt met ons aantal koeien verder kan; maar tegenwoordig lijkt verdrie- of verviervoudigen in één ruk de norm. Bij mijn weten heb ik zelf altijd koeien gehouden om te leven, maar nu zijn er blijkbaar die leven om koeien te houden.
Waarschijnlijk beginnen de eerste symptomen van bejaardheid zich bij mij te manifesteren maar ik voel absoluut niet de behoefte om zulke sprongen waar te maken. We kennen ze allemaal, die hectische momenten. Je bent volop maïs aan het hakselen, of – erger nog – je staat klaar voor een feest, moet er nu toch wel juist een koe kalven! Met een keizersnede dan nog! Geen tijd voor ontbijt, ik moet doorwerken! Een gezwollen oog, een gedraaide maag, een dikke poot, een baarmoedertorsing … als het eens begint! Dan denk ik wel eens: “Wat moet het dan niet zijn met dubbel zoveel koeien?” Jonge mensen, en da’s maar goed ook, die zien het helemaal zitten.
Maar er is meer. In 1984 koste een stal volledig afgewerkt 2,5 miljoen frankskes. Als ik vandaag de stallenbouw zie: drie miljoen liter onder de grond, zo groot en zo duur als het gebouw dat erbovenop komt en veelal sleutel op de deur. 500.000 euro? Of meer? Dit is bijna het tienvoud! Is de winst per liter nu zoveel gestegen? Helemaal niet, dus moeten wij groeien.
Het zijn vreemde tijden tegenwoordig. Fortis wou de grootste worden, deed een overname, maar kon ze niet betalen. Het gevolg kennen wij allemaal. Vorige zomer – nog maar zo kort geleden – dachten wij allemaal dat de graanprijzen nooit meer zouden of mochten dalen. Maar wat zien wij vandaag?
Wat heb ik nu eigenlijk allemaal op papier gezet? Niets nieuws, eigenlijk. Ik zal een slechte dag hebben. We zullen wel zien hoe het verder moet en dat was ook zo toen wij eraan begonnen. Ik wil jonge mensen niet ontmoedigen, bijlange niet! Ik heb alleen mijn twijfels over dat grote en dure geweld. Langzaam groeien, bestaat het nog? Maar alles zal wel blijven groeien, naar ieders vermogen en goeddunken. The sky is the limit.
Er is maar één ding dat niet kan groeien: onze aardbol. Die wordt te klein, krijgt het te warm, is ziek en krijgt het steeds moeilijker met de meer dan zes miljard tweevoeters op zijn korst.
Toe Schollierke, stop ermee. Het is genoeg geweest. Ga maar eens luisteren op die vergadering, op 6 november om 20 uur in zaal Mantovani in Oudenaarde.
– Johan Schollier
* Hans de Booij en Boudewijn de Groot zingen deze regel in het liedje ‘Annabel’
oktober 24, 2008
Arbeidsvreugde
Na mijn vorige dagboekbijdrage, waarin ik het had over het zinloos geweld waarvan onze oudste zoon Hans het slachtoffer was, kreeg ik enorm veel reacties. Het meest in het oog springend was wel een telefoontje van een politieman die wilde weten of de feiten zich hadden afgespeeld in de politiezone waarin hij actief is, omdat hij van zijn moeder – blijkbaar een lezeres van Boer&Tuinder – het verwijt had gekregen dat de politie zijn werk niet goed had gedaan. Ondertussen zijn we twee maanden verder en hebben we van het hele onderzoek niets meer gehoord. Met Hans gaat het intussen goed, hij is weer aan het werk en ‘ het ongeluk’ zoals hij het noemt is thuis geen gespreksonderwerp meer. Ook omdat hij een job heeft die hij erg graag doet en waar hij helemaal in opgaat en hij thuis op de boerderij heel actief meehelpt, zodat hij weinig tijd heeft om nog aan het voorval te denken.
Enkele weken geleden kregen wij hier op de boerderij bezoek van Guy Francken van CRV. Hij kwam ons feliciteren en gaf een mooie ruiker bloemen af. Het enige probleem was dat we niet zo meteen konden zeggen waaraan we dat te danken hadden. Ik wist wel dat die dag de productiecijfers van het afgelopen MPR-jaar openbaar gemaakt zouden worden, maar ik had helemaal niet verwacht dat we daar uitzonderlijk zouden scoren omdat ook wij afgelopen jaar problemen hadden met blauwtong. Uiteindelijk bleek dat we het hoogste economische jaarresultaat (ejr) van het melkveegewest Oosterkempen gerealiseerd hadden. Op Vlaams niveau eindigden we als enig bedrijf uit de provincie Antwerpen in de top 10. Ik moet zeggen dat het wel plezant is om zoiets te horen wanneer je het eigenlijk niet verwacht. Dan loop je toch wel even op wolkjes.
Maar het leukste moest nog komen. Enkele dagen later kreeg ik telefoon van een redacteur van het Nederlandse tijdschrift Veeteelt, met de vraag of ik al wist dat onze roodbonte vaars Peace de hoogste productie realiseerde van alle vaarzen in Vlaanderen en dat ze daarmee ook haar zwartbonte rasgenoten de loef afstak. Ik wist natuurlijk ook wel dat deze koe – die op kerstdag 2004 geboren werd, vandaar de naam Peace – een superproducente was. Ze was de eerste vaars in onze (toen nog visgraat-) melkstal die meer dan 52 kg melk per dag produceerde, maar ze kon die productie vooral lang aanhouden. Zo liet ze drie MPR-proefmelkingen na elkaar een productie van boven de 50 kg optekenen. Ook de omschakeling naar het melken met een melkrobot, toen ze negen maanden in productie was, verliep probleemloos. Dat resulteerde uiteindelijk in een totale productie als vaars van 18.976 kg melk in 448 lactatiedagen. Wat het nog sterker maakt, is dat ze tijdens deze topprestatie dan ook nog eens drachtig was van een tweeling. Hierdoor heb ik na twee kalvingen al drie dochters van haar. Dat Peace deze enorme drang om melk te geven niet van vreemden heeft, mag blijken uit het feit dat zowel van haar moeder als van haar grootmoeder een stier naar de opfokstallen van VRV-HG gegaan is. De vaars is zelf trouwens het resultaat van een stiercontract-embryospoeling met de stier Cocktail 19. Volgende maand wordt er trouwens nog een volle broer of zus geboren uit een resterend embryo dat ik nog in het stikstofvat had zitten.
Peace is niet alleen een gulle geefster, ook op gebied van exterieur kan ze best haar ‘mannetje’ staan. Zo is ze ingeschreven met 87 punten voor uier, bij een kruishoogte van 152 cm; voor beenwerk kreeg ze van de inspecteur 83 punten. Dat alles resulteerde in een totaalscore van 85 punten voor algemeen voorkomen. Dit resultaat deed mij vorig jaar besluiten om haar mee te nemen naar de gewestelijke veeprijskamp. Het commentaar dat een van de juryleden daar toen op haar uier leverde, is – naast het feit dat onze veestapel vrij is van IBR zonder enten – de bijzonderste reden dat we niet meer deelnemen aan rundveeprijskampen. De jongeman in kwestie vond het nodig om een vaars die twee maanden eerder 87 punten voor uier kreeg van een, mag ik aannemen, ervaren en vakbekwame inspecteur van VRV, helemaal naar achteren in de reeks te verwijzen omwille van de uier die volgens hem te ruim was. Ik melk al 40 jaar koeien, ga al 30 jaar naar veeprijskampen kijken en ik heb 20 jaar lang zelf deelgenomen. Ik denk dat ik dus toch enige kijk heb op een koe, maar ik weet ook dat smaken kunnen verschillen. Dit was er echter zo ver over, ik vond het zo onrechtvaardig voor mijn vaars, dat ik op dat moment beslist heb dat het voor mij niet meer hoeft.
Dat diezelfde vaars afgelopen melkjaar de productiefste vaars van Vlaanderen was, geeft daarom dubbel zoveel voldoening en het is de bevestiging dat mijn kijk op koeien toch nog zo slecht niet is. Haar uier is volgens mij nog steeds haar sterke punt. Met een perfecte speenplaatsing en een duidelijke ophangband produceerde zij in haar lopende tweede lactatie na 168 dagen al 9285 kg melk. Kortom, Peace geeft ons elke dag arbeidsvreugde.
– Marcel Heylen
Wie nieuwsgierig is naar Peace, surft maar eens naar de website van Marcel, www.keurholsteins.be.
oktober 16, 2008
Het leven zoals het is … de fruitpluk
Als dit artikel verschijnt, zal de fruitpluk 2008 er bijna opzitten. Geen nieuws dat de voorpagina van de kranten haalt of een van de hoofdpunten in het Journaal wordt, maar voor ons is het steeds een ‘oef … we zijn er vanaf’-moment. De pluk mag zo goed gegaan zijn als hij wil, toch blijven de boeren dansen van vreugd en plezier als de oogst is binnengereden.
Veel mensen vragen hoe zo’n dag in de pluk eruitziet voor ons. Vermits we toch dagboekschrijvers zijn, ga ik een willekeurige dag uit de plukperiode proberen te schetsen. We schrijven ‘s morgens rond half zeven. Een wekker hebben we niet nodig, want de kleine Vincent – die ondertussen al elf maanden is – brabbelt ons wakker via de babyfoon. Als ik de kans zie, haal ik hem uit zijn bed, want wat is er nu zaliger dan zo’n kleine fletser die ‘s ochtends rond je komt hangen? De koffie en het ontbijt staan intussen al gereed en de boterhammen om mee te nemen worden klaargemaakt. Daarna volgt het ritueel van wassen, scheren, de kleine en zijn mama nog dag zeggen, je sleutels pakken en vertrekken.
Ik zorg er meestal voor dat ik zelf in het veld ben rond kwart voor acht. Naar het einde van de pluk toe, kan je wel pas om half negen beginnen omdat het dan ‘s morgens nog koud en nevelig kan zijn. Ik ben graag in het veld vooraleer de plukkers arriveren, zodat ik rustig alles kan klaarzetten. Het eerste werk bestaat uit het starten van de tractors van de pluktreinen. Wij werken er al zo’n tien jaar mee en ik moet zeggen dat het wel vlot gaat. De plukkers hoeven bij ons niet met plukzakken te sleuren, want ze leggen het fruit rechtstreeks in kisten waar zo’n 300 kilo appels in kunnen. Er hangen vier zulke karretjes achter elkaar en als de bomen ter hoogte van deze karretjes geplukt zijn, rijdt er iemand mee verder om de volgende reeks te plukken.
Meestal zijn mijn plukkers wel goed op tijd. Je kan daar de motivatie van de mensen aan kennen, zegt men. Wij werken hier al enkele jaren samen met Belgen van Turkse afkomst; ook dit jaar viel dat weer goed mee. Ik had ook enkele Bulgaren; daar moest ik wat meer achteraan zitten en hen in de gaten houden, maar het ging ook nog goed. Als iedereen aan het werk is, verdwijn ik heel even om – nog steeds – de plukkaarten in te vullen. Je kan dat immers pas doen als iedereen er is, want als er iemand niet komt opdagen, heb je zijn kaart fout ingevuld. Waarom die kaarten moeten blijven bestaan, is mij nog altijd een raadsel, want de avond ervoor heb ik iedereen al elektronisch aangegeven via de Dimona-aangifte. Daar kan ik de plukker die niet komt opdagen wel nog annuleren, want anders zou ik een RSZ-bijdrage moeten betalen voor iemand die ik die dag niet gezien heb.
Veel tijd om bij de tewerkstellingsproblematiek stil te staan, heb ik tijdens zo’n plukdag wel niet, want algauw zijn er vier kisten vol en moet er een tractor met lege kisten volgen. De volle kisten worden dan uit de rij gereden en er worden weer lege kisten op de karretjes gezet. Als je een stuk of vijf pluktreinen hebt, dan weet je wel wat doen. De appels waar de plukkers van op de grond niet bij kunnen, worden geplukt met een zelfrijdende plukwagen. Hierop staan ook een drietal mensen, onder leiding van mijn moeder. Ook mijn vrouw Inge kon dit jaar nog wat vrije dagen opnemen voor de pluk. De plukwagen werd dus zowat een familiale aangelegenheid.
Rond de middag is er meestal een wagen vol en dan wordt die afgevoerd. Gelukkig komt mijn broer wat meehelpen. Hij neemt deze taak op zich, want als je een half uur uit het veld bent, wordt er meestal van alles gedaan maar plukken is er dan niet veel bij. Wij voeren het fruit af met twee grote wagens, die toch elk zo’n 24 kisten kunnen laden. Om twaalf uur is er een half uur middagpauze. Tijd voor de boterhammetjes en de koffie, die dan heel heerlijk kan smaken. Een half uurtje is vlug voorbij en daarna begint het ritme van pluktreinen, plukwagen, wiellader en tractor opnieuw, tot vijf uur.
Na vijf uur is het voor mij nog niet gedaan, want dan moeten het fruit nog naar huis voeren om daar alles dan op te stapelen in de koelcellen. Sommige avonden komt er nog een vrachtwagen om appels te laden die al vóór de pluk verkocht werden. Rond de klok van zeven staat alles netjes binnen en dan is het tijd om de computer aan te zetten en je Dimona-aangifte bij te werken, samen met nog enkele andere administratieve verplichtingen.
Rond half acht, acht uur ben ik dan weer thuis voor het avondeten en voor ons zoontje, dat nog wat wil spelen, want hij heeft me tenslotte al twaalf uur niet meer gezien.
Ach ja, de pluk is een drukke tijd, met de nodige stress soms, en een hoop volk waarvan je er sommigen naar de maan zou wensen. Maar als het achter de rug is, mis je die periode toch wel een beetje. Het is ook de tijd waarin je een heel jaar werk en je inkomen binnenhaalt. Die gedachte motiveert ons elk jaar opnieuw.
– Kris Van der Velpen
oktober 10, 2008
Als de dag van toen …
“Als de dag van toen hou ik van jou.
Misschien oprechter en bewuster trouw.
Want toch steeds weer is een dag zonder haar,
Een verloren dag, met stil verlangen naar.”
Er hangen weer speciale sferen in de lucht want een paar weken geleden vierden wij onze twintigste trouwverjaardag. Ja ja, al twintig jaar lang; al 240 maanden, 1040 weken, 7300 dagen en 175.200 uren sinds wij op het historische stadhuis van Damme de even historische woorden “Ja, ik wil” uitspraken. Lang heeft onze vrijage niet moeten duren, op een jaar tijd waren wij er al uit dat wij met elkaar het leven wilden delen. Ik geef toe, wij kenden elkaar al zes jaar ervoor en waren op allerlei niveaus en besturen in KLJ actief met elkaar. En op zo’n manier samenwerken, dingen organiseren met lukken en mislukken, zo leer je elkaar beter kennen dan in een discotheek of via een datingsite.
Als de dag van toen
zitten wij tijdens de week weer met zijn tweetjes aan de keukentafel. Onze drie kinderen zijn al half uitgevlogen, eentje zit al op kot en de andere twee op internaat in Brugge en Torhout. Dat is dus druk als ze thuiskomen, en voor ons ook weer rust als ze een week weg zijn. Wij zijn ervan overtuigd dat dit voor alle partijen het beste is: zij hebben alle mogelijkheden om zich volop aan hun studie en vrienden te wijden en wij staan ook niet meer ‘op uur’ om te eten als ze in hun schoolritme zitten.
Als de dag van toen
hebben wij deze zomer onze betonmolen weer een keer goed doen blinken. Net zoals we toen vol plannen zaten en die ook prompt uitvoerden (en soms maar een vergunning aanvroegen als we al een tijdje bezig waren), hebben wij de laatste maanden gevuld (meer dan gevuld) met ontwerpen, vergunning aanvragen, offertes uitschrijven, vertegenwoordigers ontvangen, vervolgens de prijs nog wat drukken, de markt en het internet afspeuren naar goede aanbiedingen, kraanwerk, rioleringen, betonneren, muren plaatsen, schijven, boren, vijzen en siliconen. Noem het maar gerust dat ons vierde kind op komst is; ik hoop wel dat het geen negen maanden meer gaat duren. We zijn al bijna twee jaar bezig met de voorbereidingen op papier en nu zien wij het stukje bij beetje groeien onder onze handen.
Als de dag van toen
moeten wij vechten voor ons inkomen, en de markten worden er steeds grilliger op. Onze ouders zijn gelukkig nog aan beide zijden in goede gezondheid. Zij hebben het geluk gehad in stabiele tijden te boeren en waren bijna zeker van hun inkomen als ze maar hard genoeg werkten. Vandaag is het omgekeerd: wij zijn verzekerd van hard werk, maar zijn niet zeker van een vast (of voldoende) inkomen.
Als de dag van toen
springen wij ’s morgens fluks uit ons bed. Meer nog, ik heb de indruk dat wij nu vandaag soms eerder opstaan dan vroeger. Ik wil ook nog eens toegeven dat het vandaag soms auw en krak en piep is, maar wij zijn beiden nog niet in groot onderhoud geweest. Van op jonge leeftijd ben ik geconfronteerd met een slechte rug, maar dat is er gelukkig niet erger op geworden. Het is zelfs zo dat ik denk dat ik meer een zere rug heb van op een stoel te zitten dan van te werken. In beweging blijven lijkt wel het beste. En als de pijngrens eens duidelijker voelbaar wordt, dan heeft dit wel ergens een reden: onverwachte bewegingen, de maïshoop met banden dekken, of te lang zitten hobbelen op de tractor.
Als de dag van toen
zijn wij bezig met de uitbouw van ons bedrijf. Sommige collega’s van onze leeftijd denken al aan uitbollen. Andere vrienden kochten zich al een huis in het dorp. Wij doen nog een stapje vooruit op ons bedrijf. Zo zijn wij voorlopig niet bevreesd dat het spook van de midlifecrisis plots zal toeslaan of we zijn niet bang voor een creatieve burn-out. Daar zorgt de wetgever wel voor, die legt ons altijd maar opnieuw nieuwe wetten en regeltjes op en tegen dat wij het al een klein beetje gewoon zijn komt er een nieuwe minister en die geeft me er een nieuwe draai aan.
Als de dag van toen
is het leven pas begonnen de dag ná het trouwfeest. ’t Is allemaal wel goed hoor, dat feesten, maar enkele dagen later word je met de werkelijkheid geconfronteerd. Omstreeks deze tijd hebben wij ook heel wat ooms en tantes die een gouden of ander jubileum vieren. Wij zijn bijlange nog zover niet, maar het is toch mooi als je deze oudere koppels ziet, omringd door kleinkinderen en vrienden en met een blij gezicht van zo’n overdosis geluk in het leven. Op internet vond ik dat 20 jaar getrouwd zijn een porseleinen bruiloft genoemd wordt. We zijn dus al flink op weg naar goud, en doen dapper voort.
“Ik tel de dagen die sindsdien verstreken,
Al lang niet meer op de vingers van een hand.”
– Luc Callemeyn
oktober 3, 2008
Stro verkocht. Mijn jongste zoon ook?
Wat een drukke rotzomer. We hebben de oogst binnengehaald voor de maand augustus. Gelukkig dat we nu al enkele jaren enkel nog de variëteit Soissons zaaien. Mijn technieker zegt dat niemand dit ras nog zaait omdat het rendement ervan iets lager ligt dan bij die nieuwe variëteiten. Hij vergeet er wel bij te vertellen dat Soissons een fungicidenbehandeling minder nodig heeft en dat hij er dus minder aan verdient. Maar ik kijk in mijn zak: mijn tarwe is geoogst op tijd en nu kan ik stro persen bij andere boeren. Soissons brengt 9200 kg/ha op, maar ik krijg er 10% meer voor, dus verdien ik er evenveel mee als de anderen met hun 10.200 kg – met minder onkosten.
Mijn technieker klaagt dat in de coöperatieve 50% van de tarwe door de droger moet, en over heel het departement. Vandaag – op 27 september – ligt er hier en daar nog tarwe buiten, niet afgedekt, want ze is gedorst met tussen 16 à 18% vocht. Als ze die opscheppen, komt er zo’n 30 cm korst bovenaan los. Die tarwe binnen stockeren, mag zeker niet. Als gevolg daarvan moet de maïs dit jaar veertien dagen later gedorst worden, want er is nog geen plaats bij de drogers. Ik denk dat ze me nu niet meer uitlachen met mijn twintig jaar oude variëteit!
Eind september moet ik nog zo’n 30 ha stro persen, maar ik toon me liever niet bij die boeren. Ik hoop dat ze het in brand steken, als het tenminste nog wil branden. Twee maanden hebben we gesukkeld om het stro binnen te krijgen en van het veld te verkopen. Zelfs in mijn schuur ruikt het muf. Ik vraag me af wat er naar Vlaanderen vertrokken is.
Een boer hier, die strocliënt is bij mij, is plots overleden. Tja, als ze die zijn stro verkopen, weet ik automatisch dat ze geen opvolger hebben. Mijn oudste zoon van 24 jaar wou op zijn eigen boeren; daarom hebben we samen met de eigenares de gronden bezocht, de gebouwen en machines bekeken. We moesten van haar een bod doen, want ze wist zelf nog niet hoeveel ze wou. We informeerden ons bij de boekhouder voor de prijzen van pachtovername; de waarde van gebouwen vroegen we aan een notaris. Onze gedetailleerde en samengevoegde prijsofferte brachten we naar de eigenares en die heeft gewoon de gebouwen voor meer geld aan stadsmensen verkocht en de grond aan een grotere boer verhuurd. Nu maken we nooit meer zo’n gedetailleerde prijsofferte op! Er zullen zeker nog kansen komen voor mijn zoon en hij heeft immers nog geen vrouw.
Mijn tweede zoon, van 21 jaar, heeft ‘kennis’; hij is dus verloofd met een boerenmeisje uit ons dorp. Het is begonnen op een veld naast onze hoeve. Zij stond daar de hele namiddag naar ons te kijken terwijl we stro aan het persen waren, maar ze keek het meest naar de nieuwe verreiker, met mijn jongste zoon erin. En ’s anderendaags, aan een nieuw veld, was ze er opnieuw en toen zag ik haar bij hem instappen. Het is net alsof er een nieuw tijdperk in mijn leven begonnen is – zeker in het zijne. Omdat mademoiselle bij hem in de verreiker zat, reed hij niet meer zo snel en zelf kon ik met mijn verreiker de twee persen van mijn vrouw en mijn oudste zoon niet bijhouden, zodat er tegen de avond overal op het veld stropakken achterbleven. Op de duur kon ik hem overtuigen om liever ’s avonds met zijn liefje naar de cinema te gaan – wat hij vroeger nooit deed. Mijn vrouw en ik hebben hem dan overtuigd dat hij tegen haar moest zeggen dat hij geen tijd heeft en dat hij overdag moet werken. Dadelijk antwoordde ze hem: “Als jij geen tijd hebt, dan kan je ook mijn 100 ha niet beboeren.” Toen hij dat hoorde, is zijn verstand helemaal in zijn broek gezakt. Hij beseft ook wel dat mijn bedrijf niet groot genoeg is om twee jonge boeren op te starten. Ja, ze heeft hem zelfs kunnen overtuigen om naar de landbouwuniversiteit te gaan, hij moet boeren.
Als vader heb ik mijn zonen uitgestuurd van Gent tot Parijs; ik heb vele zaterdagnachten wakker gelegen. Ik wist dat die Franse gewoonte bestond, maar ik had niet gedacht dat dit ons zou overkomen. Het is hier de vrouw die haar boer kiest. Ze kiest liefst en bijna uitsluitend iemand uit hetzelfde dorp, want dan hoeft die niet ver om met zijn paard – nu tractor – om haar erfenis te bewerken. Zo heb ik mijn buur van 35 jaar pardoes van de trap van zijn maaidorser zien vallen, toen er daar een twintigjarige met haar blote benen op de auto zat … en nu is ze zijn vrouw. Ik lachte daar toen mee, maar lachen ze nu niet met ons? De dorpelingen zeggen: “Het is echt de dochter van haar moeder. Die heeft haar man ook zo bekoord en dan nog wel aan de keukentafel. Dat is hier blijkbaar een traditie. Ik ben gelukkig dat ze op tijd op papier staat, anders vergeet je dat.
Ze kennen elkaar amper een maand en ze spreken al over hun trouwdatum. Ik raadde hen aan om hun datum zo te kiezen dat er een ander koppel enkele dagen voor hen trouwt. Dan hoeft mijn vrouw geen drie dagen uit te trekken om de kerk te poetsen. Wie weet zal ik mijn toekomstige kleindochter kunnen helpen oriënteren met: “Die jonge gast moet ge pakken want hij heeft veel geld!”
Als haar moeder – mijn toekomstige schoondochter – maar niet dwarszit, want het is wel een moeder-op-dochtertraditie.
– Pierre Michels
september 26, 2008
Verdienen we geen echte Indian summer?
We zijn net halfweg september wanneer ik me toch nog maar eens aan mijn computer installeer om een dagboek te typen. Aan alles voel en zie je dat de herfst al op komst is. Het is verdorie fris ’s morgens, en rond half negen ’s avonds begint het al echt te schemeren. De bladeren beginnen te verkleuren aan de bomen. Hier en daar verschijnen al pompoenen en sierfruit ter decoratie aan de voordeur. Voor mij is dat het teken dat het zover is, de zomer is voorbij. Als die pompoenen er aankomen dan hebben we het wel gehad. Dan gluurt de winter al bijna om de hoek. Mooi konden we de zomer in ieder geval niet noemen en een Indian summer is ons blijkbaar ook niet echt gegund. Verleden week viel er hier nog maar eens een serieus pak regen, zodat het alweer behoorlijk nat is op de velden. Hopelijk is mijn huidig pessimisme ongegrond en krijgen we een najaar om te zoenen.
Morgen begint onze jongste aan zijn eerste jaar Graduaat Landbouw. Een kleine stap voor de mensheid, maar toch een grote stap voor hem en toch ook geen alledaagse, maar wel te verwachten keuze. Hij krijgt eerst een introductiedag en donderdag begint het pas echt. Bernard heeft ondertussen nog van alles bedacht wat nog moet gebeuren voor zijn definitieve start. Die drie maanden vakantie waren dus weer eens veel te kort!
En zondag voeren we onze tweede dochter naar Leuven, zodat ze vol goede moed aan haar vierde jaar kan beginnen. Daarna nog één jaar studeren en dan zal ze ook stilletjesaan rijp zijn voor de arbeidsmarkt, hopen we. Met studenten de dag van vandaag weet je het nooit. Je weet wanneer ze beginnen, maar sommigen weten van geen ophouden meer en rijven het ene diploma na het andere binnen. Zo’n vaart zal het hier wel niet lopen, zeker?
Onze oudste is straks al een jaar bezig in haar chocolaterie en ze heeft goed haar werk. Zo hoort het ook. Het is wel een hele opgave om er als jong meisje tijdens de dag alleen voor te staan. Gelukkig staat haar vriend iedere avond na zijn werk paraat om te helpen en de twee moeders en zussen – en zelfs broer – steken ook graag een handje toe waar ze kunnen. Het is eens iets anders dan tussen de kalkoenen of op de tractor, want we zijn multifunctioneel en multi-inzetbaar.
Juli was een heel drukke maand. Bloemkolen, bloemkolen en nog eens bloemkolen. Was het niet oogsten, dan was het planten en iedere dag was het ‘van dat’. Het zijn mooie dingen – als ze voorbij zijn. In augustus hebben we dan een gebouw achter ons huis gerenoveerd. Toen we hier kwamen wonen – ondertussen dertien jaar geleden – hadden we alle oude gebouwen gesloopt, behalve het woonhuis, een loods en dat gebouwtje. We hadden wel onmiddellijk een steentje errond gemetst om het wat steviger te maken en we hadden het ook een andere indeling gegeven. Het eerste deel werd bergruimte voor fietsen, voor de grasmachine en alles wat we elders niet kwijt konden; het tweede deel werd ons spuitlokaal. Het dak was wel niet meer je dat. Bij iedere storm dachten we: “Kon dit dak nu maar eens inwaaien”, maar dat gebeurde dus niet. Tot dit voorjaar opeens een heel deel pannen begonnen te schuiven en er een groot gat in het dak zat. Bernard en Mathieu probeerden nog het dak te herstellen, maar alles was rot. Terwijl ze toch bezig waren, hebben ze dan maar alle dakpannen weggenomen. Daar stond ons kot nu zonder pannen en geen tijd om eraan te werken. Angsthaas als ik ben, dacht ik: “Straks krijgen we hier nog controle voor het spuitlokaal en dat staat daar zomaar zonder dak.” Er was wel een rot, houten plafond, maar toch. En zo geschiedde … Op een ochtend in het voorjaar reed er hier een auto op het erf met een mijnheer met een map in zijn hand. Als boerin weet je al hoe laat het dan is: controle! “Goedemorgen mevrouw, ik ben van het FAVV en het is voor een controle van de sproeistoffen”, zei de man. Ik sloeg alle kleuren uit, mijn hart klopte al in mijn keel en ik begon meteen iets te stamelen van een ingestort dak, maar de man stelde me vrij gauw gerust. Hij zei dat hij enkel kwam voor de spuitmiddelen en niet voor het gebouw. De controle viel dan zelfs nog heel goed mee.
Begin augustus zijn we het gebouw dan maar beginnen leegmaken. Alles wat we indertijd nog meeverhuisd hadden met het idee van het misschien ooit nog eens nodig te hebben, stond in dat kot. We hebben bijna alles weggesmeten, er bleef haast niks meer over. Wedden dat we straks iets nodig hebben dat we wegwierpen … Maar nu staat ons kot daar, volledig vernieuwd. Laat ze maar komen voor een controle van het spuitlokaal. We zullen ze met de glimlach ontvangen!
– Bernadette Jonckheere
september 19, 2008
Niet klagen, maar voortwerken
“In het noorden van het land zijn de landbouwers niet aan het klagen, daar zijn ze aan het werken.” Dit was de uitspraak op de voorpagina van de vorige editie van de Boer&Tuinder. Wel, dat vind ik nu nog eens een schrijnende zin.
In het zuiden van het land komen ze tenminste op straat om hun mening aan de man te brengen. Ze protesteren aan de ingang van de supermarkten omdat hun goederen te goedkoop verkocht worden. Ze hebben gelijk! Ik heb nog niet veel actie gezien in Vlaanderen. (Misschien eens uw producten aan de man brengen aan de kostprijs bij de producent, maar daarbij houdt het ook op …) Die actie heeft ook nog maar weinig resultaat opgeleverd. Als je de kranten openslaat, lees je veel over de vlees- en melkprijzen en maar weinig over de crisis in de groenteteelt. De hele zomer werden er op de veiling groenten geveild aan belachelijke prijzen. Ik weet het, het is niet simpel om uit deze mallemolen te geraken. De groenteteelt is vogelvrij. Iedereen kan zoveel produceren als hij kan en wil. Nergens worden er grenzen of beperkingen opgelegd. Collega-boeren zijn beschermd door quota enzovoort, maar dit geldt niet voor de groenteboeren. De veilingprijzen zijn iets gebeterd, maar ze zijn nog verre van goed te noemen. De witlooftelers hebben het ook niet gemakkelijk. Er zitten nog veel witloofwortelen gestockeerd in de koelcellen en die moeten nog allemaal afgestookt en geleverd worden. Wijzelf hebben ook nog een hele collectie in de koelcel zitten.
Deze zomer kregen wij een brief van het ministerie dat er volgens het Agentschap voor Natuur en Bos – bij ons thuis ook bekend als de ‘groenen’ – iets niet in orde was met een perceel dat we hadden opgegeven in het kader van de MTR. Velen onder jullie zullen zich hier wel in herkennen, want ze hadden heel wat brieven verstuurd … In de brief stond dat ze binnen de week een antwoord verwachtten. Hoe is dat toch mogelijk? Wij kregen deze brief in de bus net voordat we een verlengd weekend naar de Ardennen gingen. In de maand augustus is iedereen toch ietwat in vakantiesfeer; de bouw ligt stil enzovoort en je kan je behelpen met het hoogst noodzakelijke in ons kleine landje. Zij daarentegen hadden er niets beters op gevonden dan de boer te dwingen om binnen de acht dagen te antwoorden. Wel, omdat we niet goed wisten waarover het ging, wilden we onze contactpersoon aan de lijn. Zij was niet te bereiken. Reden? Je kunt het nooit raden: in vakantie!
Mijn jongste zoon is nu gestart in het middelbaar onderwijs. Hij volgt zijn eerste jaar in de Land- en tuinbouwschool in Roeselare. Hij wil graag vanaf het derde jaar de richting Tuinbouw volgen. De eerste twee jaar houden een algemene vorming in en pas daarna kunnen ze specifiek hun richting kiezen. Het merkwaardige is dat hij de enige leerling is waarvan de ouders landbouwers zijn. Er zit dus geen enkele boerenzoon in zijn klas, uitgezonderd hijzelf. Maar als de boeren hun kinderen niet meer naar de landbouwschool sturen, waar gaan de toekomstige boeren dan vandaan komen? De overheid en de andere instanties zouden toch beter voor hun landbouwers moeten zorgen. Is dit geen teken aan de wand? Ik denk van wel. Hij zit dus in een klas van achttien leerlingen en hij is de enige die de richting Tuinbouw gaat volgen; verder gaan er drie klasgenoten de richting Landbouw volgen.
Waar gaat deze evolutie eindigen? Moeten we meedoen aan de sterk evoluerende schaalvergroting of blijven we een familiebedrijf? Akkoord, het is een keuze, maar is het een haalbare keuze? Worden we een klein fabriekje of blijven we een familiaal landbouwbedrijf? Waar trek je de grens? Velen zijn de weg ingeslagen om grote hoeveelheden te produceren. Maar alles wat je produceert, moet toch ook nog verkocht, uitgevoerd en geconsumeerd worden. Op de vrije markt geldt nog altijd het principe van vraag en aanbod en als het aanbod té groot blijft, kan de prijs niet stijgen. Hoe ga je dit dilemma verhelpen? Dat is een vraag om eens goed over na te denken. Wij willen alleszins zolang mogelijk het familiale bedrijf aanhouden. Wij proberen ons vast te klampen aan de luxevoordelen van het boerenleven. Je bepaalt je eigen tempo en ritme. Maar het moet haal- en leefbaar blijven.
Wel, om nog eens op die schoolproblematiek terug te komen. Wij hebben twee zonen en ze volgen allebei een tuinbouwopleiding. De ene wil ons beroep voortzetten – witloof telen – en de andere wil tuinaanlegger worden. Binnenkort zal ik een luxeleventje kunnen leiden: mijn ene zoon gaat het witloof kweken en de andere gaat de tuin onderhouden. Of ga ik misschien nog een tandje moeten bijsteken met mijn twee tuinbouwers? Wie weet …
– Sofie Vansteelandt
september 12, 2008
Vogelverschrikkers
Oudenburg doet mee aan de Maand van het Platteland. Het lijkt dat de Landbouwraad, KVLV, de Landelijke Gilde en nog enkele plaatselijke verenigingen daar een heel programma voor op het getouw hebben gezet, maar eigenlijk hebben ze vooral al de activiteiten die in verband staan met het platteland gebundeld in één programma. Daar hebben ze dan een tweetal dingen aan toegevoegd. Het hele programma vind je op www.oudenburg.be .
Vooreerst hebben ze een vogelverschrikkerswedstrijd uitgeschreven. Het is de bedoeling om zoveel mogelijk mensen, verenigingen, groepjes jongeren of wie dan ook een vogelverschrikker te laten maken en die dan langs een parcours uit te zetten. Dat parcours kan je met de fiets of met de auto rijden. Mensen die de route doen, kunnen de vogelverschrikkers punten geven en zo zal er een winnaar gekozen worden. Daarnaast is er ook nog een jury die prijzen zal geven.
Ikzelf ben geen lid van de Landbouwraad, maar Geert – mijn man – is dat wel. Toen hij thuiskwam met dat idee, had ik er vooral mijn twijfels over dat zoiets wel zou kunnen slagen. Maar ja, ik hoefde mij er uiteindelijk niet mee te moeien. We zouden er zelf wel eentje proberen te maken. Kwestie van toch een beetje steun te verlenen.
Dat was dus allemaal in het voorjaar. Aan kinderen hadden we er nog niet te veel over gezegd dat we in de zomer zouden proberen om een vogelverschrikker in elkaar te steken. Dat waren problemen voor later. Maar ja, die zomer was er dus veel vlugger dan we dachten. Om hen toch een beetje aan het denken te zetten over hoe we dat allemaal best voor elkaar zouden krijgen, liet ik hen het foldertje zien dat uiteenzette wat eigenlijk de bedoeling van de wedstrijd was. Het was vooral Bram, 13 jaar en de tweede in de rij, die erover begon na te denken en die met een heleboel ideeën afkwam. Het ene idee was al bruikbaarder dan het andere natuurlijk. Af en toe begon hij zelfs al eens wat materiaal bijeen te zoeken. Zo vond hij nog een oude koersfiets en hij was er vast van overtuigd dat zijn vogelverschrikker op een fiets zou zitten. Niet zo evident natuurlijk.
Veel te snel kwam die laatste week van de vakantie eraan. De vogelverschrikkers moesten klaar zijn tegen 1 september en dus moest het toen wel gebeuren. Uiteindelijk ben ik met de kinderen donderdagavond op zolder in de oude verkleeddoos gedoken om eens te zoeken wat we die vogelverschrikker zouden kunnen aantrekken. Van daaruit beginnen werken, leek mij toch iets gemakkelijker. En plots kreeg Arne, de oudste, daar een skipak in het oog. Hij zou er een skiër van maken in plaats van een wielertoerist. Maar Bram week geen duimbreed van zijn idee met de fiets; hij moest en zou een vogelverschrikker op een fiets zetten. Er restte dus maar één oplossing: er elk eentje maken.
En zo begonnen ze de volgende morgen met goede moed aan hun vogelverschrikker. Bram had wel kledij gevonden maar had die liever in een ander kleurtje, dus werden er een heleboel verfpotten bovengehaald. Er werd getimmerd, geboord, gezaagd … Het was heel plezant om ze zo bezig te zien en zo te zien werken aan hun vogelverschrikker. Met ’s avonds nog een beetje hulp, begonnen ze toch stilaan op iets te lijken.
Eigenlijk moet ik toegeven dat die wedstrijd toch wel een succes is. Over Oudenburg verspreid zijn er 66 vogelverschrikkers te bewonderen. We zijn vast van plan om zelf ook eens de route eens rijden; we wachten alleen nog wat op mooi weer. En je mag er zeker van zijn, er zitten enkele prachtexemplaren tussen.
Daarmee is de Maand van het Platteland nog maar op gang getrokken. De Landbouwraad en al die plattelandsverenigingen hebben nog een ander prachtig initiatief gepland. Op 21 september is er bij ons een tractorwijding, waar groot en klein zijn tractor kan laten zegenen. Liefst is de tractor versierd en de bestuurder verkleed. Wie weet, zitten er wel een paar prachtexemplaren tussen!
– Carine Cornu
september 5, 2008
Vroeger bracht je bloemen voor me mee
Nu ik dit dagboek schrijf is het 31 augustus en eindelijk eens echt zomers weer. Dit is misschien ook wel het laatste weekend waarop de barbecue nog eens aankan, al hopen we natuurlijk op een ‘Indian Summer’ (nazomer).
Ik ben zelf een aanbidder van de zon en van zwoele temperaturen, maar voor onze productie is het weer dat ons tot op heden gegeven is bijna perfect. De groei van de planten verloopt tot nu toe optimaal en ze voldoen dan ook aan onze verwachtingen. Tot einde juli-begin augustus zijn we druk in de weer geweest om onze planten op hun juiste plaats te zetten en te voorzien van de nodige ondersteuning. Ik hoef u niet te vertellen dat meer dan drie maanden lang, van 7.30 uur in de ochtend tot soms 21.30 uur in de avond, constant in de weer te zijn, bijna zeven dagen op zeven, niet in je koude kleren kruipt. Toegegeven, op zondag is het wel even rustdag, maar dan liggen vaak de administratie, de planning en 101 dingen waar tijdens de week net geen tijd voor was op me te wachten. Na al die maanden hard labeur vraag ook ik me wel eens af waar we in hemelsnaam mee bezig zijn. Geloof me, voor het geld moeten we het zeker niet doen. Dat harde werken zorgt ervoor dat het bedrijf levensvatbaar is, maar brengt eigenlijk niet de financiële verloning die we verdienen. Mag ik ervan uitgaan dat deze gedachte trouwens ook bij de topman van Belgacom aanwezig was? En toch doen we verder, met hart en ziel.
De laatste weken is het eindelijk wat rustiger, ook al zijn we nog van de ochtend tot de avond in de weer. Ik moet voorraadlijsten maken en verzenden, de eerste orders worden al afgeroepen, klanten komen op bezoek en ja eindelijk komen de euro’s weer binnen. Het feit dat de eerste inkomsten weer op de rekening komen, geeft wel voldoening; maar ik geniet nog meer van de complimenten die de klanten geven. Ikzelf ben bijna ontroerd wanneer ik de resultaten zie van al ons harde werken. Planten die glanzend en gezond staan te groeien, een vraag die het aanbod overtreft, orders die al geplaatst worden tegen het najaar van 2009, dat is de voldoening. Daar doen we het voor.
Om diezelfde reden zal ik dan ook mijn waardering niet onder stoelen of banken steken wanneer ik zie dat mensen vaak geheel belangeloos zich inzetten voor het algemeen belang. Daarom wil ik hier graag de mensen van de Koninklijke Unie van de Floristen van België (KUFB) feliciteren met de manier waarop zij gastheer waren voor Eurofleurs 2008. Omdat de NET-sectorgroep van VLAM hiervoor ook middelen had vrijgemaakt, mochten ik en de andere gemandateerden aanwezig zijn op de gala-avond van ‘Flowers At Work’ in de Expo in Brussel, met de finale van de Europese wedstrijd ‘Eurofleurs 2008’. De 13 kandidaten – allen onder de 25 – streden die avond om de titel. Aangezien deze jongeren in hun eigen land al geselecteerd waren voor deze wedstrijd, zijn het eigenlijk allemaal winnaars; maar de titel van ‘Eurofleur 2008’ zal zorgen voor een veelbelovende professionele toekomst.
Meer dan 500 genodigden waren aanwezig op dit echt indrukwekkende live spektakel. Tijdens het diner werden de kandidaten voorgesteld, met regelmaat werden de nodige showelementen voorzien zoals opera en dans, en ook de kandidaten moesten het beste van zichzelf tonen. Een eerste verplichte creatie was een huwelijksboeket voor een homohuwelijk. Gedurfd, maar misschien wel passend binnen het idee dat velen hebben bij een mannelijke bloemist (is nochtans niet per definitie zo!). Volgens mij toch eigen aan onze open tijdsgeest, hoop ik. Vervolgens moesten de jongeren een fiets voorzien van bloemen en groen. Niet evident, wel origineel en verassend om te zien hoe ze die opdracht verfrissend invulden. Als hoogtepunt werden de podiumplaatsen met veel show en gevoel voor spektakel die avond bekendgemaakt. Voor mij was het een meer dan geslaagde avond. Lekker eten, aangenaam tafelgezelschap en een geanimeerde invulling maakten van de KUFB een grootse gastheer, met internationale uitstraling voor dit waardevolle evenement. Knap werk, KUFB! Een bloem voor iedereen die hieraan heeft meegewerkt.
Jammer genoeg mag ons dagboek niet langer zijn dan de beschikbare ruimte, anders had ik hetzelfde verhaal willen doen voor ‘De Vlaamse Tuinaannemer’. Ook hier ben ik via VLAM aanwezig, ik ben zelfs nog meer betrokken aangezien ik voor de boomkwekerijsector fungeer als jurylid. Ook hier proficiat voor alle medewerkers.
Afgezien van het feit dat dergelijke manifestaties zorgen voor een mooie uitstraling van de betrokken sectoren, zijn ze ook ideaal om aan de nodige netwerking te doen. Ze geven vele mensen – waaronder ook mezelf – vaak de nodige stimulans en energie om zich verder belangeloos in te zetten voor datgene waar ze van houden, hun vak, hun beroepstrots. Het is meer dan ooit nodig om één front te blijven vormen, hoezeer onze belangen soms niet in dezelfde lijn liggen. Landbouwer, tuinder, boomkweker, sierteler enzovoort, wat we zaaien zullen we oogsten. Minder blèren en meer wol. En nu die nazomer nog!
– Henk van Beek
augustus 29, 2008
Is het niet versleten, het is verouderd
Is het niet versleten, het is verouderd
Om de twee jaar richt onze plaatselijke Aveve-afdeling een driedaagse uitstap in – een mix van bedrijfsbezoeken en een vleugje toerisme. Dit jaar was de bestemming Friesland. Onderweg, bezochten we een bedrijf in Noord-Holland met meer dan 50 hectare bloembollen. Op het moment van ons bezoek lagen alle tulpenvelden er afgeschaard bij: de bloemen waren machinaal afgeknipt, enkel de bladeren en de stengel blijven staan. De tulp vermeerdert zich dan door knolgroei, niet door bestuiving van de bloem. Men laat de bloemen enkel uitbloeien om via bestuiving nieuwe variëteiten te ontwikkelen. De bedrijfsleider had het over 3000 (!) tulpenvariëteiten. Het moet een kleurenpracht zijn in april wanneer alle tulpen bloeien. Bij het rooien is de knol eigenlijk een cluster van vijf tot zeven knollen of meer, die van elkaar gescheiden moeten worden. Er komt enorm veel grond mee met de knol; meer dan 60 procent tarra. De grond keert terug naar de velden. In grote loodsen op de hoeve worden de bloembollen uitgeschud, gescheiden en door verwarming gedroogd om de knollen van hun schutbladeren te ontdoen (denk aan uien). Ze worden gesorteerd volgens grootte, geteld en verpakt. De kweker vertelde dat er voor deze job geen Nederlanders te vinden zijn. Net zoals er bij ons overal Polen opduiken, werkt dit bedrijf het hele jaar door met een twintigtal Portugezen.
Melkvee troef natuurlijk in Friesland. Kan dit gebied eigenlijk voor iets anders dienen? De hoeven dicht bij elkaar, maar erachter een schier eindeloos hinterland met grasland en weiden. Toch ook behoorlijk veel maïs op de lichtere gronden. Het land is zo plat als een biljart en doorsneden met kanaaltjes en grachten die altijd vol water staan. Toch was droogte de rode draad doorheen ons bezoek. De Friezen klaagden over de droogte, die zijn voorgaande niet kende, en dat zag je ook aan de weiden. Een boer durfde zijn koeien niet buiten laten omdat de barsten in de klei zo groot waren dat de koeien hun poten konden breken. Hoe dan ook blijven in steeds meer bedrijven de koeien het hele jaar door op stal. Van de zeven bedrijven die we bezochten, kwamen bij vier de koeien niet meer buiten. Ze gaan heftig tekeer die Friezen! Bedrijven met 250 … 300 … 450 koeien, heel gewoon. Minder dan 100 koeien bestaat daar bijna niet meer. Onder het motto ‘Is het niet versleten, het is verouderd’ en door een ander fiscaal systeem is er steeds zwaar geïnvesteerd in quota, mestrechten, gronden, melkwinning, graslandmateriaal, injectoren … Groei, groei en nog eens groei, daar zijn ze steeds over bezig. Diegene met 250 koeien spreekt van 400 koeien, diegene met 400 koeien droomt luidop van 800 koeien … Om u een idee te geven: een boer had een melktank van 32.000 liter, maar die was voor drie dagen net iets te klein. Maaicombinaties van twaalf meter, dito schutters en harken. Een zelfrijdende mengvoerwagen of een zware shovel, de normaalste zaak van de wereld.
Ondernemen … dat woord heb ik dikwijls gehoord. Al dan niet in maatschap: vader, zoon, zoon. Broer, broer. Broer, schoonbroer. Op twee bedrijven gehoord van uittredingen, met alle financiële gevolgen van dien. Alle melksystemen gezien, behalve de ‘gewone’ visgraat. 2×15 zij aan zij, quick in out. Binnencarrousel, 36-stands buitencarrousel. Als ik moest kiezen, zou ik zeker niet voor een buitencarrousel gaan: de koeien staan met hun kop naar het middelpunt van de cirkel. De melker loopt op de buitenste (langste) omtrek; hij moet een marathon lopen als één van die koeien eens aftrapt – als hij het al ziet aan de andere kant van de cirkel. Bovendien moeten de koeien achteruit stappen om de carrousel te verlaten. Bij een binnencarrousel staat de melker in het midden en ziet hij alle uiers. Op bijna alle bedrijven waren vaste werknemers in dienst, soms tot zeven man. Op een nagelnieuw bedrijf was de boer helemaal niet te zien. Een manager runde het bedrijf! Op de laatste hoeve werden de 250 koeien deels ‘traditioneel’ gemolken en deels automatisch. De 65 productiefste koeien konden door de robot stappen.
Heel interessant vond ik de biogasmestvergisting. Ook dit was nog een grijze vlek in mijn hersenen. Ik heb gezien hoe twee gasmotoren van 350 en 500 pk generatoren aandreven. Tien procent van de geproduceerde elektriciteit was voor het bedrijf zelf, de rest kon op het net. In ons dorp wordt momenteel zo’n bedrijf gebouwd. Nu weet ik het zeker, die kerel zal slagen.
Na zeven bedrijven op drie dagen vraag je je af waar je zelf staat met je 65 koetjes. Maar wij zijn wel een gelukkig melkstel, zonder vaste werknemers en hoge schuldenbergen. Qua toerisme onthoud ik vooral dit: de Zaanse schans in de buurt van Amsterdam – een soort Bokrijk. Oude, traditionele huisjes, achttiende-eeuwse windmolens … Hollandser kan niet.
Toeval wil dat er op het water een soort Love Parade doorging. Niet met technomuziek en bulderende bussen, maar versierde boten met André van Duyn- en André Hazes-toestanden. Het krioelde er van het volk.
Een Hollander heeft nu eenmaal niet veel nodig om plezier te maken.
– Johan Schollier
augustus 22, 2008
Zinloos geweld
Net als waarschijnlijk voor de meesten onder u, was de term ‘zinloos geweld’ voor mij een abstract begrip. Tot die bewuste zondagmorgen 6 juli om half vijf het geluid van de gsm mij uit mijn slaap haalde. Nog maar half wakker hoorde ik een vriend van onze oudste zoon met bevende stem vertellen dat ze Hans zonet bewusteloos op de spoedafdeling van het ziekenhuis hadden binnengebracht. In eerste instantie denk je dan natuurlijk aan een verkeersongeval, maar al snel bleek dat het om een vechtpartij ging. Met een hoofd vol vragen en op slag klaar wakker zijn mijn vrouw en ik in allerijl naar het ziekenhuis gereden. Daar troffen we onze zoon aan met een flink opgezwollen gezicht vol schaafwonden, maar gelukkig ondertussen terug bij bewustzijn.
Een eerste diagnose door de dokter van wacht, na radiologisch onderzoek, bracht aan het licht dat het kaakbeen van Hans op twee plaatsen gebroken was en dat hij een lichte hersenschudding had opgelopen. De andere wonden waren gelukkig maar oppervlakkig. Hij moest wel in het ziekenhuis blijven om bij eventuele bloedingen onmiddellijk te kunnen ingrijpen. De verschuiving van zijn gebroken kaakbeen zou men de volgende dag, wanneer de zwelling minder was, operatief terug op zijn plaats zetten. Met een metalen plaat zou men alles vastzetten om de genezing vlot te laten verlopen. Hierbij werden boven- en onderkaak letterlijk aan elkaar vastgemaakt, waardoor hij vijf weken lang enkel vloeibaar voedsel kon drinken.
De verpleegster van de spoedafdeling gaf ons de raad om zo snel mogelijk klacht tegen onbekenden te gaan indienen bij de politie. Uit het verhaal van de twee vrienden van Hans wisten we ondertussen al dat de daders onbekenden waren. Toen ze met zijn drieën na een avondje uit naar hun auto wilden teruggaan om naar huis te rijden, passeerden ze een groepje van een tiental jongeren dat bij een stilstaande auto stond. Toen ze hen voorbijliepen, hebben deze kerels zonder aanleiding het drietal in de rug aangevallen. Hans heeft waarschijnlijk onmiddellijk een klap op het hoofd gekregen en is bewusteloos gevallen, want hij kan zich van het hele voorval niets herinneren. Zijn vrienden hebben zich kunnen losrukken en zijn gaan lopen. Toen ze enkele minuten later op hun stappen terugkeerden, lag Hans daar bewusteloos en waren de daders verdwenen.
Wanneer je zoiets hoort vertellen, krijg je het als ouder toch wel erg moeilijk om je emoties de baas te blijven en te proberen rationeel te reageren en redeneren. Want al is Hans dan 23 jaar, het is en blijft toch je kind dat je als ouders wil beschermen tegen onheil en leed.
Het bezoek aan de politie leerde ons al snel dat we er niet te veel op moesten rekenen dat ze de daders ooit zouden vinden. Want – zelfs al zouden de vrienden van Hans de daders kunnen herkennen – als er geen onafhankelijke getuigen gevonden worden die dit kunnen bevestigen, sta je nergens. Het beste bewijs dat de politie ook niet echt een prioriteit maakte van de zaak, was wel dat Hans pas twee dagen na de feiten door de politie verhoord werd en dat zijn vrienden pas meer dan een week later op het politiebureau hun verhaal mochten komen doen.
Eigen speurwerk en rondvragen bij mensen die we kennen in het dorp waar het hele gebeuren zich afspeelde, leerde ons al snel dat de daders een groepje vechtersbazen zijn die wel elke week een slachtoffer vinden om in elkaar te timmeren. En dit kan blijkbaar ongestraft blijven duren omdat niemand tegen hen durft te getuigen. Toen we de namen van deze kerels aan de politie doorspeelden, kregen we dan ook te horen dat je niet zomaar iemand kan beschuldigen zonder bewijzen en dat ze met deze kennis dan ook niets zouden ondernemen. Dan krijgt je rechtvaardigheidsgevoel toch wel een serieuze knauw, net als je vertrouwen in de politie.
Het gebrek aan ijver om de daders te vinden staat toch wel in schril contrast met de verbetenheid waarmee de politie hier bij ons enkele jaren geleden, ten onrechte, op zoek was naar bewijzen dat we bij het opsnoeien van een houtkant ook enkele dikke eiken bomen afgezaagd zouden hebben volgens de verklaringen van een anonieme getuige. Ik kan me momenteel ook niet van de indruk ontdoen dat de politie het leuker vindt parkeerboetes uit te schrijven aan brave burgers die hun auto ergens op een niet toegelaten plaats achterlaten dan crapuul te verhinderen om zomaar zonder reden, voor de kick en omdat ze zich vervelen, mensen in het ziekhuis te slaan en te stampen, omdat ze toevallig op het verkeerde moment op de verkeerde plaats zijn.
Na vijf weken werkonbekwaamheid is voor Hans ondertussen het ergste leed geleden. Op oorsuizingen na – waarvan niemand kan zeggen of dat ooit weer goed komt – zal hij geen blijvende lichamelijke letsels aan heel deze onverkwikkelijke zaak overhouden.
– Marcel Heylen
augustus 8, 2008
Komkommertijd
De zomer is zo traditioneel een beetje komkommertijd op het vlak van nieuwsberichten. Zo hoorde ik onlangs op de radio dat Amerika alles bijeengeteld zo’n zestig jaar geregeerd werd door allerlei presidenten die linkshandig waren. Op het moment dat ik dit bericht hoorde, was ik aan het sproeien en vroeg ik me af wie zich ermee bezighoudt om daar een onderzoek naar te verrichten. Waarschijnlijk is er een pak studiewerk aan voorafgegaan om tot deze bevinding te komen. En nog waarschijnlijker heeft het de Amerikaanse belastingbetaler wel heel wat geld gekost om die studie te bekostigen. Dan heeft de Belg wel wat meer geluk gehad deze zomer.
Op politiek vlak was het een dankbare zomer voor de nieuwsbrengers. Het heeft eigenlijk wel iets als je jezelf zo kan afvragen hoe het met dit landje verder moet en je luistert dan al eens vaker naar het nieuws. Ik volg elke zomer wel het nieuws, maar andere jaren is dat vooral om de uitslag van de Ronde van Frankrijk te weten. Zo hoorde ik op een zekere morgen een buurman op de radio vertellen dat de perenoogst mislukt is. Nu zijn er wel leukere nieuwtjes om bij je ochtendkoffie te verwerken, zeker als je klaarstaat om op dat ene perceel dat goed gelukt is net een aantal peren te gaan afknippen. Ik was al enigszins gelukkig dat ik dat werk dit jaar niet zoveel hoefde te doen, want er zijn aangenamere dingen dan een hele zomer lang kleine peertjes van de bomen knippen. Op zich is het nog het slechtste werk niet, maar ik vind het wat eentonig. Het enige positieve is dat je waarschijnlijk ook een grote oogst tegemoet gaat als je veel moet dunnen. Als ik op mijn bedrijf kijk, zie ik toch wel wat peren hangen. Enkele percelen zitten vrij normaal, andere weer een stuk minder; maar als je het totaal bekijkt, zal alles nog wel meevallen.
Nieuws over de landbouw brengen ze ook graag op de radio. Ik denk dat de nieuwsmakers ons graag hebben. Er is in de agrarische sector wel altijd iets te vinden dat niet zo goed loopt, en iedereen komt wel eens graag op tv of op de radio. Je zou haast denken dat men enkele boeren opbelt om te horen of ze iets te vertellen hebben als men het nieuws niet vol krijgt, en meestal lukt het nog ook.
Ik heb zo mijn twijfels over die vele nieuwtjes. Als teler hebben we er niks aan en de consument maakt van ons verhaal het zijne en zo raakt alles gemakkelijk uit zijn context gerukt. Als je op tv of op de radio iets vertelt, zou je de hele achtergrond van het verhaal moeten uitleggen zodat de mensen weten wat de gevolgen en oorzaken zijn van een probleem.
Het probleem van de kleinere perenoogst dit jaar begint al in de winter, want toen was er een slechte bloembotvorming. Die was dan weer het gevolg van de grote oogst vorig jaar en ook wat van de perenbladvlo, op sommige plaatsen. Die weinige bloembotten hebben dan ook nog wat nachtvorst gehad en een slechte bloeitijd. Het is zo’n beetje de wet van Murphy: als iets fout kan gaan, zal het ook fout gaan. Om zoiets uit te leggen in de media heb je al heel wat zendtijd nodig, die je meestal toch niet krijgt, want tenslotte dient je verhaal maar om het nieuws op te vullen. Dus kan je alleen maar zeggen dat er weinig fruit is. De consument denkt dat hij geen peren meer zal kunnen kopen en buitenstaanders denken dat we sukkelaars gaan worden die geen inkomen hebben.
Veel slechter nieuws kwam er deze zomer met de aankondiging dat enkele spuitproducten in één klap gelimiteerd gaan worden voor de export van fruit naar Rusland. Vroeger namen ze ons de spuitproducten één voor één af, maar nu vallen ineens de drie pijlers van de schurft en bewaarziekten weg. Een product als Captan of TMTD – dat je vroeger tot drie weken voor de oogst kon spuiten – mag je nu maar tot 1 juli gebruiken. Anderzijds geldt nog steeds het principe dat de klant koning is en dusdoende hebben we maar vlug ons sproeischema aangepast, zodat we met een gerust geweten straks ons fruit aan de man kunnen brengen. Gelukkig komt zoiets niet in de grote media, want met sproeien maken we ons niet populair bij de grote massa. Persoonlijk vind ik wel dat er iets gedaan moet worden aan het steeds inkrimpen van de lijst met sproeimiddelen. Straks blijft er bijna niks meer over om de verschillende plagen te bestrijden. En wat er overblijft, zal gigantisch duur worden. Ik ga er wel mee akkoord dat schadelijke middelen moeten verdwijnen, maar als er nu ergens twee vliegen sterven, verdwijnt er morgen een sproeiproduct.
Zo zie je maar, in de fruitsector is er nooit komkommertijd. Er valt altijd wat over te vertellen en misschien is het net datgene wat ons beroep zo boeiend maakt.
– Kris Van der Velpen
juli 18, 2008
Hoera! Vakantie!
Het schooljaar is zo zoetjesaan ten einde gelopen. Voor onze oudste dochter Lies werd dit gevolgd door de proclamatie van de examenresultaten van haar laatste jaar middelbaar. Alweer maken wij dus volgend schooljaar de stap mee naar een nieuwe grote school. De keuze is gevallen op de historische stad Gent voor een lerarenopleiding. Dat betekent meteen ook dat ze op kot moet. Zo trokken wij enkele weken geleden rond, op zoek met een stadsplan en computerprints in de hand. Overal aanbellen waar een bordje ‘Kot te huur’ uithing. Grappig genoeg waren tientallen andere ouders en jongvolwassenen met net hetzelfde bezig.
Onze jongsten volgen allebei de Sociaal-Technische richting, waar nog wat praktische vorming aan te pas komt. Dat stemt ons tevreden, want het lijkt er de laatste tijd steeds meer op dat er een tekort is aan mensen die nog eens de handen uit de mouwen kunnen steken.
Wat dat laatste betreft, proberen wij ook steeds een educatief steentje bij te dragen door onze kinderen te leren wat werken is. Kinderarbeid? Nee hoor, laten wij het uitdrukken als ‘gewoon meelopen met vader en moeder’ en dat is het. Neen, het is natuurlijk meer dan dat. Wat bij jonge kinderen eerst onschuldig lijkt op meelopen met de ouders, wordt in werkelijkheid het opknappen van allerlei kleine karweitjes. Zo kunnen ze bij het koeien melken al vlug een nieuwe serie koeien in de melkstand jagen, of koeien bijhalen uit de stal, ondertussen misschien de ligboxen reinigen en de waterbak leegmaken. Als ze wat groter zijn, kunnen ze al eens afnemen of speendippen en nog wat later al eens aanhangen, of – als vader ‘toevallig’ eens wat langer wegblijft – het melken al eens voortzetten. U voelt het al, onze kinderen moeten bij ons goed ‘hun steke staan’ bij de dagelijkse werkzaamheden. Maar veel zeer doet hen dat niet. “Er is nog niemand dood van werken”, zegt mijn moeder dan.
Ach, zo eenvoudig is het allemaal niet. Jongeren van die leeftijd hebben andere, zeer drukke bezigheden die hun aandacht vragen, zoals daar zijn computer, msn, shoppen, een boek lezen. En als wij dan met die stomme werkjes afkomen, dan is er soms wel eens heibel. Beschaamd zijn we daar niet voor, want wij weten wel dat kunnen werken een zeer nuttige eigenschap is. Waarom worden boerenkinderen overal eerst gevraagd? Omdat ze doorzicht hebben, iets praktisch kunnen oplossen (gezond boerenverstand!) en bovenal niet bang zijn om nog eens door te trekken als het nodig is. Met al die ambetante werkjes die ze bij ons al hebben moeten doen, zijn wij toch al zover geslaagd dat wij met een gerust gemoed al eens een nachtje kunnen wegblijven bij een of andere reis en dat bevalt ons ten zeerste. Zo kunnen onze kinderen al helemaal zelf de koeien melken en de melkmachine reinigen.
Dit jaar zijn we eigenlijk een beetje stout geweest: we hebben heel onze vakantie in eigen huis geboekt. Als topper hebben we ons dan nog een vrij groot en intensief bouwwerk gepland en daar zijn we nu volop mee bezig. Vandaag (dinsdag) werd de helft van het beton gegoten en woensdag de rest. Zeer actueel dus, dit dagboek.
Voor dergelijke bezigheden zijn kinderen en jongvolwassenen ook altijd welkom. Er zijn heel wat kleine werkjes die zij kunnen doen, al is het maar om de meter te helpen vasthouden, stenen bij te zetten, materialen te halen of gewoon zo nu en dan te zorgen voor een drankje en een versnapering. Gewoonlijk maken ze er al een heel drama van als we nog maar afkomen dat ze iets zullen moeten doen. Meteen zien ze al dramatische taferelen voor zich van een hele dag helpen en ongelooflijk zware arbeid, maar naderhand blijkt het toch veelal leuk te zijn geweest om te mogen helpen met papa of mama. Ach, ze trekken wat tegen. Het is als een jong paardje: als je ze voor de eerste keer in het werk steekt, spant het gareeltje nog wat. Het rare is dat ze dan altijd afkomen met het argument dat andere kinderen helemaal niks hoeven te doen, maar bij navraag aan de betrokken ouders horen die precies hetzelfde verhaaltje.
Even terug naar ons bouwproject, wij zijn precies 17 dagen geleden begonnen uit de grond te bouwen en nu ligt het beton er bijna in. Tel daarbij op dat wij alles zoveel mogelijk zelf ontwerpen en uittekenen en ook nog klaarmaken, dan begrijp je wel dat de laatste weken zeer intensief gevuld waren? Ja, hier is wat werk verricht. Tot op het onmenselijke eigenlijk, want wij wilden de vloer erin net voor het bouwverlof.
Ook Krista doet een bijzondere bijdrage, naast haar activiteiten in de melkverwerking en kaasmakerij. Zo melkt zij de laatste tijd zoveel mogelijk de koeien en helpt ook in de bouw waar ze kan. Maar ze moet er wel wat voor over hebben natuurlijk, want eigenlijk ben ik bezig om haar een mega-indoorspeeltuin te bezorgen – een kaas- en melkthemapark dan wel.
– Luc Callemeyn
juli 11, 2008
Hoe het de humusplunderaar verging
De tarwe is kort dit jaar, is weinig uitgestoeld – door die koude maand maart – en staat rechtop. Korte, weinig uitgestoelde en rechtstaande tarwe kan je hoger dorsen, om brandstof te sparen. Het stro was de afgelopen twee jaar wel al erg duur. Wie gaat dat nog kunnen betalen als het dit jaar nog duurder wordt? In mijn omgeving zijn een loonwerker en een tweede boer nu ook gestart met stro te verkopen. Als dat elders in Frankrijk ook zo aan ’t toenemen is, dan krijgen we een groot aanbod …
De Franse schuren zijn dit jaar totaal leeg, net als in België. De Franse veeboeren zijn vorig jaar bedrogen geweest bij het aankopen van hun stro en ze beconcurreren mij dit jaar nog meer. Zij ruilen 1 ton stro voor 1,5 ton stalmest uitgevoerd of 3 ton gestort aan de boord van het veld.
Begin juni ben ik gestart met stro aan te kopen – veel vroeger dan normaal – omdat ik van overal berichten krijg over torenhoge aankoopprijzen. In Duinkerke geven ze 40 euro/ton voor los stro op het veld; zelfs tot ver tegen St.-Omer zitten ze aan die prijzen. In Rijsel (of Lille) geven ze 50 euro/ton; rond Reims 25 euro. Het is alsof iedereen zichzelf wil indekken. Er is geen samenhorigheid meer.
Toen ik ging aankloppen bij de boeren die mijn dichtste buren zijn, kon ik niks kopen. Ze hadden allemaal wel een reden. Er zijn er heel wat die met hun nieuwe maaidorser opnieuw zelf hakselen; dus die verkopen niets meer. Anderen zitten op hun velden met potasverlies, en ze hebben hun stro nodig om humus in de grond te brengen. Nog anderen vonden zeker dat ik al te rijk aan het worden was. Kortom, ze hadden allemaal een reden om geen stro te verkopen aan mij.
Vroeger vond ik in mijn dorp al genoeg stro; nu moet ik daarvoor in 20 dorpen langsgaan. In een van die dorpen, bij mijn eerste cliënt, vernam ik dat er binnenkort een ruilverkaveling start. We zijn dan samen zo’n 50 meter verderop naar zijn buurman gereden en ook daar kon ik stro kopen. Nadien heb ik dat hele dorp afgelopen, maar bij sommige trotse Franse boeren kon ik toch geen stro kopen. Daar zullen ze me deze zomer zeker beschouwen als stroplunderaar van het dorp. En nog een ding staat vast: ik ga me zeker niet vertonen op hun bal van 14 juli (hun nationale feestdag) want een Fransman die ‘s nachts dronken wordt, vliegt nogal rap een andere in de haren – zeker als het om grondruil zal gaan.
Vermits dit project toch enkele jaren duurt en ze hun humusrijke gronden misschien zullen verliezen om stroarme gronden in de plaats te krijgen, ben ik er zeker van dat ze volgend jaar zelf naar mij zullen komen. Is de vrede er opnieuw en zijn hun nieuwe percelen over enkele jaren definitief toegewezen, dan stuur ik een Vlaamse mesthandelaar naar hun dorp …
Na heel wat onderhandelen, had ik nu toch al enkele cliënten. In andere dorpen kreeg ik helemaal geen stro te pakken. Het was een ontmoedigend en vermoeiend werk, zodat ik op een gegeven ogenblik toen ik het erf van een boer opreed, gewoon in slaap sukkelde. Die boer kwam uit zijn huis en hij kreeg medelijden met mij en verkocht me al zijn stro. “Wordt dat nu mijn nieuwe techniek?” dacht ik toen.
Er is iets fouts aan mijn aankooptechniek. Wij Vlamingen zijn – net als onze verre neven, de Duitsers – nogal kortaf als we spreken. De Franse noemen ons daarom ‘de barbaren’. Wat er in mijn hoofd zit, dat vertaal ik gewoon in het Frans. “Heeft u stro te koop? Ik betaal zoveel.” Hun antwoord is dan: “Nee.” En dan kan ik weer in mijn auto kruipen en naar de volgende rijden.
Daarom ben ik een nieuwe techniek beginnen toepassen, als een Belg die van alle markten thuis is. Als ik nu aankom bij nieuwe Franse boeren, die me enkel kennen ‘van horen zeggen’, begin ik met hen te praten over van alles en nog wat. Ik praat zeker niet over stro of over geld. Na een tijdje merk ik dan op dat ze – terwijl ze antwoorden op al mijn vragen – aan het rekenen zijn welk veld stro ze me zouden kunnen verkopen. Zelfs de prijs is dan niet belangrijk meer. Zo heb ik toch mijn hectares stro kunnen kopen. ’t Was wel minder dan vorig jaar, ik heb er veel verder voor moeten rijden en ik zal ook meer tijd nodig hebben om al dat stro op te halen. Ik hoop trouwens dat de veeboeren hier wel meer geld gaan verdienen want ze zullen al dat dure stro moeten kunnen kopen.
Vorig jaar vertelde ik al dat er hier in Picardië plannen waren voor een biomassacentrale die elektriciteit zou produceren door stro te verbranden. Dat idee was er al enkele jaren tevoren gekomen, toen de graanprijzen laag stonden. Ik had toen ook al het gevoel dat die centrale er nooit ging komen – al was er veel over te doen omwille van de Kyotonormen. Wel, ik had gelijk: er komen voorlopig geen stroverbrandingsinstallaties in Picardië en alle vergaderingen die we erover gehad hebben, dienden dus tot niets.
– Pierre Michels
juli 4, 2008
Back to basics
Het is hoog tijd dat we onze basisbehoeften eens herbekijken. Waaruit bestaan die nu feitelijk? Wel, ten eerste zorgen we ervoor dat we eten en drinken op tafel krijgen. Men vindt het nog steeds de normaalste zaak van de wereld dat je de supermarkt binnenstapt en alles aan een ‘spotprijsje’ kan binnenhalen. Jammer genoeg zal dat niet zo kunnen en blijven duren. Met de hoge brandstofprijzen enzovoort verhogen de kosten van de producerende landbouwers ook, zodat we een meerprijs nodig hebben om te kunnen ronddraaien. We krijgen deze vaststelling nog niet meteen verkocht, maar de aanhouder wint. Op korte termijn staat ons misschien niet zo’n rooskleurige periode te wachten, maar ‘in the long run’ moet er een oplossing komen, anders zullen wij, boeren, een uitgestorven ras zijn. Dus redden, hé!
Naast eten en drinken proberen we ook te zorgen voor voldoende verwarming om de winter te kunnen doorstaan. Dat is natuurlijk een ander paar mouwen. De verwarmingskosten swingen het laatste jaar letterlijk de pan uit, met als gevolg dat deze kost een extra hap uit het budget opslorpt – dikwijls een hap die al voorzien was in de begroting. De laatste decennia groeien er geen huizen meer uit de grond, maar kleine kasteeltjes. De kosten voor zo’n woningen stijgen dus stelselmatig mee. Daarnaast heb je ook nog de kosten om de tuinen eromheen te onderhouden. Heel wat huizen zijn omringd door een mooi aangelegde tuin, met allerlei bomen- en plantensoorten, die de mensen zelf niet meer kunnen onderhouden zodat de tuinman een handje moet komen toesteken. Maar dat moet toch ook allemaal bekostigd worden, nietwaar.
De grote vakantie is nu ingezet – en de daarbij horende reizen ook, heb ik verleden week op de radio gehoord. Onze kinderen moesten nog een weekje schoollopen en toch zette Zaventem al meerdere vluchten in om de vakantiegangers op hun bestemming te kunnen brengen. De mensen kunnen zich precies niet meer ontspannen in ons eigen landje, laat staan aan het thuisfront. Wat is er nu leuker dan samen thuis, in een ontspannen sfeertje, klusjes op te knappen? Of een daguitstapje te boeken en ’s avonds moe maar voldaan in je zetel neer te ploffen? Wij maken momenteel zo’n periode door. Onze eerste vrucht bloemkolen is wel aan de beurt, maar dat is ook alles. Dus hebben we rustig de tijd om te onthaasten, zoals dat nu zo leuk verwoord wordt!
Ik heb nog een nieuw, hedendaags woord ontdekt, namelijk ‘scharrelkinderen’. Onze kinderen behoren tot deze klasse. Ik las dat artikel in de Libelle en ik moest er toch even om lachen, al vond ik het tegelijkertijd ook erg schrijnend. De Vlaamse overheid heeft namelijk 25 juni uitgeroepen tot ‘Buitenspeeldag’. Wij hadden daar nog nooit van gehoord, maar enfin, voor iedereen wordt er nu een dag voorzien – dus ook voor de scharrelkinderen. Dat zijn namelijk kinderen die (ik citeer) ‘als vrije vogels nog in de natuur ravotten, ze zijn erg zeldzaam geworden’. Kinderen zijn vervreemd van de natuur, maar ze zijn er ook bang voor. Ze associëren het met foute mannen en wilde dieren. Ze kennen het alleen nog van televisie voor ontvoeringen en Jurassic Parc. Tenminste dat beweert een Nederlandse antropologe. Het komt toch als een onwaarschijnlijkheid over, je kan je oren gewoon niet geloven. Waar gaat dat toch allemaal naartoe? Waar blijft het kind dat moe en vuil binnenkomt om vlug enkele boterhammen te smullen en zo vlug mogelijk terug vertrekt om met zijn vriendjes verder te ravotten? Waar zijn deze mooie idyllische taferelen gebleven?
In datzelfde artikel in Libelle las ik verder dat een man zijn boomhut had moeten afbreken omdat hij geen bouwvergunning had voor zijn creatie. Kunnen wij dan niets meer van onze buurman verdragen? Zelfs kinderzender Nickelodeon ging een namiddagje zwijgen zodat de kinderen buiten zouden gaan spelen. Het was Vlaams minister van Jeugd Bert Anciaux die dat idee gelanceerd heeft.
Man, man, man, waar zij we toch mee bezig? Onze boerenzonen en -dochters hebben daar allemaal geen last van. Laat ze maar lekker scharrelen, laat ze zich maar uitleven op de hoeve of op het land. Mijn twee juniors helpen bloemkolen oogsten, of onkruid schoffelen. Dit is volgens hen wel een saaie job; maar ze hebben er zo’n deugd van, alleen weten ze het nog niet. (Dat waren de woorden van mijn vader zaliger en ik wilde het toen ook niet geloven, maar nu wel!) Ze weten tenminste dat de gebraden kippen niet door de lucht vliegen, dat er voor de kost gewerkt moet worden en dat er soms slechte en soms goeie tijden zijn. Dat je in de goeie tijden moet sparen om de slechte te overbruggen. Wat hebben ze een luxeleventje en wij eveneens!
– Sofie Vansteelandt
juni 27, 2008
Macht erotiseert?
Zowat anderhalf jaar geleden vroeg men ergens in een portretprogramma op Canvas aan onze huidige eerste minister Yves Leterme of macht erotiseert. Er volgde een politiek antwoord, noch ontkennend, noch bevestigend. Het mag logisch zijn dat macht, in welke vorm dan ook, heel wat kan doen met iemand. Het gaat dan vaak over kennis, geld, geloof of fysieke macht.
Waarom dit onderwerp? Wel enkele weken geleden werd ik opgebeld. Een vriendelijke vrouwenstem introduceerde zichzelf en de organisatie die zij vertegenwoordigde. De organisatie was mij niet onbekend, de jufrouw aan de lijn wel. Er volgde een aangenaam gesprek waarin enkele dossiers aan bod kwamen waarin de boomkwekerij participeerde. Toch was het vrij snel duidelijk dat onze meningen niet geheel dezelfde waren. Ik geef eerlijk toe dat ik in zo’n geval vriendelijk maar mondig mijn gelijk probeer te halen. Er volgde geen toegevingen langs beide zijde. Toen het gesprek zowat op een einde liep, vertelde de jufrouw dat ze vernomen had dat ik nogal wat macht had in de sierteeltsector. In eerste instantie schrok ik hiervan, daarna streelde deze opmerking enkele seconden mijn ego, waarna ik met mijn voeten opnieuw op de grond vlug politiek correct antwoordde. Wees gerust, de macht die ik binnen de sierteelt al zou kunnen hebben, beperkt zich tot het vertegenwoordigen van onze sector in enkele organisaties en instanties, gelukkig maar. Ik denk dan vaak aan wat mijn vader met grote regelmaat zegt: “Klompen aanhouden!” Met andere woorden, niet naast je schoenen lopen. Deze spiegel houd ik me dan ook geregeld voor ogen, het wil wel eens nodig zijn. Macht laat zich wat mij betreft vaak bevestigen, wanneer die – om wat voor reden dan ook – plots onmacht blijkt te zijn.
Dit laat zich ook weerspiegelen in onze huidige welvaartsmaatschappij. Opgroeien en leven in een welvaartslandje als het onze … We komen niks tekort, we willen steeds meer, steeds verder. We voelen ons oppermachtig. Tot we plots moeten vaststellen dat het allemaal wat minder gaat. We moeten inleveren. Macht wordt onmacht. Onze koopkrachtdesoriëntatie is een direct gevolg ervan – ik ben zo vrij dit prachtige woord te lenen van mijn Dagboekcollega Luc Callemeyn. Ik hoef hier echt niet veel over uit te weiden; we horen en zien het dagelijks in de nieuwsberichten.
Natuurlijk luister ik ook aandachtig en met regelmaat naar het nieuws. Weet u waar ik met enig leedvermaak graag naar luister? Naar de fileberichten. Dan denk ik: “Sukkelaars, samen gezellig in de file.” Net als de meeste land- en tuinbouwers hoef ik maar de deur uit te stappen en ik ben op mijn werk. Dat is een machtig gevoel. Anderzijds ervaren we ook wel wat onmacht: we hebben immers ook nooit echt gedaan, er is altijd ergens wel iets te doen.
Ook hier is het de laatste maanden erg druk, zeven dagen op zeven ben ik bezig. Dat is dan weer een machtig gevoel: alles zien groeien, proberen de teelt onder controle te houden, tijdig ingrijpen bij ziekten of plagen. Daar komt wel bij dat wij het geluk hebben dat Moedertje Natuur erg mild is geweest voor deze regio. We kregen van alles net genoeg: regen en zonneschijn, perfect afgewisseld. Het weer is voor onze sectoren wel een oppermachtig element, dat ook dit jaar al voor heel wat onmacht gezorgd heeft. Wat mijn werk betreft, denk ik dat we nog ongeveer een goede maand onze handen vol zullen hebben met het opstokken van de sierstruiken op stam die we hier vorige winter geënt hebben. Dan blijft het waarschijnlijk enkele dagen rustiger, waarna ieder jaar ook steeds vroeger en vroeger het afleveren van de planten begint. Dat is wel niet erg, want dan rinkelt de kassa weer – een geluid dat ik de laatste maanden erg mis.
Ik kan het niet nalaten om mijn interpretatie van macht en onmacht nog eens te verduidelijken met een ander nieuwsbericht van de laatste weken. “Tommeke, Tommeke, Tommeke, wat doet ge nu?” Meer woorden zijn er niet nodig om mijn punt te maken, denk ik. De machtige wielrenner, die onmachtig is in een wereld vol verleiding. Hoe vertederend zag hij er niet uit, toen hij zich met zijn hoofd naar beneden verontschuldigde bij zijn fans, vrienden en familie, gevolgd door de woorden: “Ook ik ben niet perfect.” Ze bestaan vast nog, feestjes waarvan je de volgende ochtend wenste dat je er niet geweest was, beaamde de Dagboekschrijver.
Afsluitend nog een machtig berichtje. De Vlamingen zouden te weinig chauvinistisch zijn vertelt men wel eens. Een heerlijk en prachtig bewijs dat ook dit anders kan, is wat mij betreft het succes dat Nicole en Hugo scoorden met hun interpretatie van de ‘Pastorale’ tijdens de liedjeswedstrijd ‘Zo is er maar één’. Zo eenvoudig kan het dus zijn. Ik ben blij dat deze erkenning Nicole en Hugo nog te beurt valt bij leven en welzijn, prachtig gewoon. “Ik heb je lief, zo lief.”
– Henk van Beek
juni 20, 2008
Over stro en zagemeel, katten en nitraat
Onlangs had ik een niet onaangename woordenwisseling met Arne, net 14 jaar. Hij had een dommigheidje begaan en ik antwoordde hem al lachend met ‘Boerke Van Hecke’. Spraakvaardig als hij is, moest hij helemaal niet naar zijn woorden zoeken. Hij antwoordde mij dat hij geen boer was en het waarschijnlijk ook nooit zou worden. En daar had hij wel een punt, want zijn interesse in de boerderij reikt niet verder dan de zuiver technische en economische kant van de zaak. Hij ging nog verder met zijn betoog. “Trouwens,” zei hij, “ik ben wel de zoon van de manager van een agrarisch bedrijf.” ‘k Moet zeggen dat die titel mij wel aansprak en ik vroeg hem dan ook of hij zich volgend schooljaar – hij start dan in het derde jaar middelbaar – op die manier ging ‘verkopen’ op school. “Natuurlijk”, was zijn antwoord. “Zeg nu zelf, dat klinkt toch wel veel beter dan zoon van een landbouwer?” Ik kon dat enkel beamen en dacht er bij mezelf bij dat hij eigenlijk veel dichter bij de waarheid was dan velen denken. ‘k Hoop alleen dat hij er enige trots voor zijn roots aan overhoudt.
En dan begin je wel eens te denken aan de ‘probleempjes’ waarmee landbouwerskinderen zoal te maken krijgen in hun schoolloopbaan. Zo kende ik er wel een paar die een van onze kinderen waren tegen gekomen. Ik moet wel zeggen dat Senne, de jongste van zeven, dan echt de kroon spant. Hij kwam een tijdje geleden heel verontwaardigd thuis. Hij zit momenteel in het tweede leerjaar en juf Mieke, de juf van de derde kleuterklas, had hem op de speelplaats gevraagd waar de koeien op slapen. Senne had waarheidsgetrouw geantwoord dat onze koeien sliepen op zagemeel. Juf Mieke had gezegd dat dat niet waar was en dat de koeien sliepen op stro. Daarop had Senne weer verontwaardigd gezegd dat onze koeien wel stro eten. “Ha ja”, zei hij, “onze droogstaande koeien eten toch stro.”
Nu ken ik juf Mieke al ettelijke jaren en weet ik dat zij, net zoals de andere juffen van de school, behoorlijk positief staan tegenover landbouw. Op het laatste schoolfeest confronteerde ik haar dan ook al lachend met de verontwaardiging waarmee Senne thuis zijn verhaal had gedaan. En zo kwam de ware toedracht van het verhaal uit. Juf Mieke wilde eigenlijk wel eens testen hoe goed de zogenaamde ‘leerstof’ die ze kinderen bijbracht in de derde kleuterklas blijft hangen in de volgende jaren. Omdat ze elk jaar wel op boerderijbezoek gaat en dan ook het verschil tussen hooi en stro probeert uit te leggen, wilde ze eens even nagaan of haar gastjes dat verschil in het eerste of tweede leerjaar ook nog kenden. Ze had dus op de speelplaats een willekeurig kindje van het eerste leerjaar bij zich geroepen en had gevraagd waar de koeien op slapen. Dat kindje bleef haar het antwoord schuldig. “Och”, dacht ze, “ik zal het even vragen aan eentje dat op een boerderij woont. Die zal het wel weten.” En zo was ze bij Senne terechtgekomen. Vermits onze koeien niet op stro slapen, kreeg ze van hem dus een heel ander antwoord. Ik heb haar al lachend gezegd dat het nog een geluk was dat ze niet gevraagd had wat de koeien eten. Waarschijnlijk had ze dan een antwoord gekregen in de zin van: voordroog en maïs en pulp en draf en zo en dat doen we dan met de verreiker in de voederkar en dan geven we het aan de koeien. En wat had ze daar dan mee moeten aanvangen? Ondertussen is de relatie tussen Senne en Juf Mieke allang terug in ere hersteld. Gelukkig maar.
Ik ging in gedachten nog een beetje verder terug en herinnerde me nog een voorvalletje dat Senne tegenkwam bij diezelfde juf Mieke in de derde kleuterklas. Ze waren aan het ‘leren’ over de huisdieren; juf Mieke vertelde aan de kindjes dat de poes een huisdier is. Voor de meeste kindjes is dat een heel evidente zaak, maar voor Senne lag dat iets moeilijker. “Juf”, zei hij, “onze poezen dat zijn geen huisdieren. Onze poezen die mogen niet in huis komen. Die moeten buiten blijven bij ons thuis.” En probeer dan als juf maar eens aan een vijfjarige uit te leggen dat katten toch huisdieren zijn, ook al mogen ze niet in huis komen. ‘k Moet zeggen dat dat ons tot op heden nog altijd niet gelukt is.
Als ik dan nog even doordenk, dan was er dit voorjaar nog een voorvalletje met Bram, 13 jaar en eerste middelbaar. Zijn klas had in de aardrijkskundeles geleerd dat de nitraatverontreiniging vooral van de landbouw afkomstig was. Natuurlijk waren wij het niet eens met zo’n uitspraak en probeerden wij Bram uit te leggen dat ook de industrie en de gezinnen er hun deel in hadden. We vertelden hem ook welke inspanningen de landbouw de laatste jaren al gedaan had. We vroegen hem om dat ook eens aan zijn leraar uit te leggen, maar dat zag hij helemaal niet zitten. Ook het voorstel om de leraar eens te laten bellen om een extra woordje uitleg te geven, viel niet in goede aarde. Alles is dus bij het oude gebleven.
Zo zou ik misschien nog wel wat door kunnen gaan. Misschien hebben jullie ook allemaal jullie verhalen. Gewoon fijn om ze weer eens uit de oude doos te halen.
– Carine Cornu
juni 13, 2008
Dalende koopkracht
Het onderwerp ‘Dalende koopkracht’ loopt de laatste maanden als een rode draad door de nieuwsberichten. Zowat alle media hebben wel een invalshoek onder de aandacht gebracht om aan te tonen dat de koopkracht erop achteruitgaat. De gestegen energieprijzen en vooral de sterk gestegen voedselprijzen komen steeds naar voren als de grote oorzaak voor het verminderen van de koopkracht. Maar is die koopkracht wel echt minder?
Als je de gedragingen van de mensen analyseert, kom je toch tot vreemde vaststellingen. Ondanks de hoge brandstofprijzen worden de files als maar langer. De mensen staan blijkbaar liever in de file dure brandstof de verbruiken dan het openbaar vervoer te nemen. De reisbureaus sturen regelmatig euforische berichten de wereld in dat er nog nooit zoveel boekingen voor reizen zijn geweest als de afgelopen maanden. Ik denk eerder dat het grote probleem van onze Belgische bevolking is dat we het zo goed hebben in onze luxemaatschappij dat we niet meer weten wat levensnoodzakelijk is en wat bijzaak is.
Enkele weken geleden brachten we ook in de provincie Antwerpen de Boerenbondactie ‘Voedselprijzen’ onder de aandacht van de treinreizigers en de plaatselijke media. Wat mij vooral opviel, was dat de mensen echt interesse hadden voor onze boodschap. Niemand weigerde de folder aan te nemen en heel wat voorbijgangers wilden graag een woordje uitleg. Ik heb in het verleden al dikwijls pamfletten en folders uitgedeeld tijdens acties; geregeld kreeg je dan je huid vol gescholden, of de mensen weigerden de folders aan te nemen. Wij hadden wel het grote geluk dat net die dag het weekblad Knack met een dossier over voedselprijzen uitpakte onder de ronkende titel ‘Haal zelf de voedselprijs omlaag’. In dit artikel kwam men tot de opmerkelijke conclusie dat wie Belgisch, vers en seizoensgebonden eet, goedkoper eet dan een jaar geleden.
Deze vaststelling toont aan dat onze actie echt wel zinvol was. Als de prijzen van onze producten lager liggen dan een jaar geleden, dan wil dat wel zeggen dat de winstmarge van de boer – die ook met gestegen energieprijzen te maken heeft – nog kleiner geworden is dan ze al was. De slogan ‘Een eerlijke prijs voor een eerlijk product’, die men graag gebruikt om producten uit derdewereldlanden te promoten, is even goed geldig voor onze inlandse land- en tuinbouwproducten. Ook wij hebben recht op een eerlijke vergoeding voor alle inspanningen die we leveren om gezonde en veilige voeding te produceren.
Dat wil wel niet zeggen dat ik me kan vinden in de acties die Nederlandse, Duitse en ook Belgische melkveehouders uit de Oostkantons afgelopen weken voerden om een hogere melkprijs te bedingen. Melk – toch een waardevol voedingsproduct – met een drijfmesttank over het weiland uitrijden of in de mestkelder laten lopen onder het oog van de tv-camera’s en dan nog euforisch staan juichen alsof het een heldendaad betreft, lijkt mij toch een stap te ver. Ik ben onvoorwaardelijk van mening dat je voedsel niet gebruikt – en zeker niet vernietigt – als actiemiddel, terwijl er op hetzelfde moment in de wereld mensen sterven van de honger. Trouwens, wie het zich nog kan permitteren om, laat ons eerlijk zijn, bij een melkprijs die al jaren niet zo hoog meer was, diezelfde melk te vernietigen om te eisen dat hij een kostendekkende melkprijs zou krijgen, heeft het water nog niet tot aan de lippen staan.
Het is ook niet echt consequent dat diezelfde organisatie van melkveehouders staat te roepen dat het melkquotum behouden moet blijven. Als er nu net één factor is die de kostprijs van onze melk sterk beïnvloedt, dan is het wel de nog steeds absurde prijs die boeren willen betalen voor de gebakken lucht die melkquotum uiteindelijk toch is. Het is immers nu toch al een tijdje duidelijk dat het melkquotum een aflopende zaak is. Zeker als je weet dat de specialisten van allerlei organisaties die op wereldvlak met voedselvoorziening bezig zijn, eensgezind verklaren dat niet de opwarming van de aarde maar het voeden van de wereldbevolking op termijn de topprioriteit van de wereldleiders moet zijn.
In deze context verklaarde onze Vlaamse minister-president Kris Peeters onlangs dat we toch wel eens opnieuw moeten nadenken of we ons moeten blijven focussen op het creëren van steeds meer natuur en bos, in ons sterk verstedelijkte Vlaanderen, ten koste van onze schaarse landbouwgrond. Want uiteindelijk is een primaire sector als land- en tuinbouw – die instaat voor voedselproductie en -voorziening – iets wat je als overheid moet koesteren, in plaats van het weg te pesten. Dan word je pas een speelbal op de woelige zee van vraag en aanbod en is ook het beschikbaar zijn van voldoende voedsel voor bevolking niet meer gegarandeerd.
– Marcel Heylen
juni 6, 2008
Hoogdagen voor de fruitteelt
De laatste week van mei was het weer eens druk in de fruitsector. Dit keer was het wel niet een of andere crisis, maar er vonden twee belangrijke evenementen plaats op – zeg maar – hetzelfde weekend. Op 24 en 25 mei vonden de Werktuigendagen Sint-Truiden plaats en op 26 mei opende het Proefcentrum voor de Fruitteelt zijn vernieuwde deuren. Voor deze twee speciale gelegenheden werd Vlaams minister-president Kris Peeters uitgenodigd. Onze Vlaamse minister van Landbouw zakte dan ook tweemaal af naar het verre Limburg, een bewijs dat de fruitsector voor Vlaanderen toch wel belangrijk genoeg moet zijn. Dit werd nog verder benadrukt in de toespraken die de minister gaf. Vorige week las u in dit blad al een uitvoerig verslag over beide toespraken en vermits ik niet in herhaling wil vallen, ga ik ze niet opnieuw weergeven.
Natuurlijk kan je in zo’n toespraak veel zeggen, maar wij als boerenmensen willen altijd graag eerst zien en dan geloven. We hebben ooit nog een zeer optimistische Vlaamse minister van Landbouw gehad die ons een prachtige toekomst beloofde, maar daar kopen we geen brood mee, hé? Bij de toespraak van Kris Peeters had ik nu wel het gevoel dat de woorden die hij sprak wel veel inhoud hadden en dat hij van sommige zaken wel een en ander gaat realiseren. Het is altijd aangenaam te horen dat de overheid de sector steunt.
Wat de vereenvoudiging van de tewerkstelling betreft, hoopt iedereen wel dat er vlug een doorbraak komt. Het zou echt veel makkelijker werken als we één enkele Dimona-aangifte konden doen, waarin de dagen van de plukkers automatisch bijgehouden werden en waarin we konden zien of er geen werknemer al elders op dezelfde dag aan het werk is. Nu kunnen we met deze zaken nog problemen krijgen, terwijl het eigenlijk feiten zijn waar wij als teler geen zicht op hebben maar waar we wel de dupe van kunnen worden. Hopelijk kan onze landbouwminister zijn collega’s van Arbeid hiervan overtuigen, zodat het systeem van de Dimona-aangifte nog verbeterd kan worden.
De Werktuigendagen Sint-Truiden waren weer eens een grandioos succes, met zo’n vijftienduizend bezoekers die geïnteresseerd naar talloze machines en toebehoren voor de fruitteelt kwamen kijken. Zou het Katarakteffect hier nog wat meespelen of waren het gewoon de weergoden die de mensen naar buiten lokten? Zelf ben ik – als bestuurslid van de Studiekring Guvelingen – deze keer ook iets nauwer betroken bij dit evenement. Ik heb van dichtbij kunnen zien hoe een team onder leiding van Eddy Leclere en Luc Dirix zich meer dan ten volle inzet om dit grootse fruitteeltevenement elke drie jaar te doen slagen. Je moet het maar doen om naast je activiteiten als leraar aan de tuinbouwschool nog dagelijks bezig te zijn met zaken zoals het zoeken naar sponsors, standhouders, medewerkers, sprekers en noem maar op. Als je daarenboven nog weet dat deze zelfde mensen ook nog voor een groot deel elke veertien dagen de inhoud van Fruitteeltnieuws in elkaar steken en zelfs nog de viering van het twintigjarig bestaan ervan organiseerden eerder dit jaar; dan heb je meteen het grootste voorbeeld van inzet voor de fruitsector. Het is ook meer dan lovenswaardig dat de scholengroep Onze-Lieve-Vrouw in Sint-Truiden deze Werktuigendagen volledig ondersteunt.
Tijdens een van de toespraken kwam trouwens ook de scholing aan bod. Niet alleen de scholing van de telers zelf is belangrijk, ook de scholing van de werknemers wordt in de toekomst steeds belangrijker. Grote fruitbedrijven hebben het steeds moeilijker om bekwaam personeel te vinden – vooral voor werken zoals de bespuitingen en de snoei. Je kan wel iemand iets aanleren, maar het is toch gemakkelijker als je personeel over achtergrondkennis beschikt.
Veel jonge mensen staan dezer dagen voor de keuze van hun studierichting en het tuinbouwonderwijs kan dan een heel goede keuze zijn. De tuinbouwscholen bieden vandaag interessante perspectieven voor de toekomst. Tijdens de Werktuigendagen zag ik dat de scholengroep Onze-Lieve-Vrouw een hele waaier van studiemogelijkheden aanbiedt, gaande van wetenschappelijke richtingen tot dierenverzorging. Zelf heb ik hier in de school de Hogere Fruitteeltleergangen gevolgd en dat waren twee jaren waarin de boeiende wereld van de fruitteelt voor mij openging. Zelfs de naschoolse vorming is voor deze school belangrijk, want maandelijks organiseert de studiekring Guvelingen leerrijke vergaderingen, waar meestal veel volk op afkomt en waar je veel van opsteekt. Deze vergaderingen zijn gewoonlijk op vrijdagavond en het is ook het bewijs dat de fruittelers voor hun beroep leven. In welke andere sector komen de mensen in het weekend nog buiten om iets bij te leren?
Alvast aan iedereen die meewerkte aan deze geslaagde editie van de Werktuigendagen Sint-Truiden een heel dikke proficiat. Of – om het in schooltermen te zeggen – een bank vooruit en een kus van de juffrouw.
– Kris Van der Velpen
mei 29, 2008
De ochtendploeg heeft het werk neergelegd
Verleden week was heel Vlaanderen nog in de ban van de aangekondigde mega-treinstaking. Eigenlijk ging het effect ervan helemaal verloren, want iedereen was veel te goed voorbereid. Nu had niemand er nog wat pijn aan en de media konden niet uitpakken met schrijnende berichten van kwade, gestrande treinreizigers. Neen, iedereen ging met de fiets of zat lekker thuis en ging eigenlijk akkoord met de inzet van de actie.
Koopkrachtvermindering is nu het modewoord geworden. Na het duurder worden van de olie, de voeding en de ijzer- en bouwgrondstoffen, begint iedereen het zowat te voelen dat er niet eindeloos in de portemonnee gegraaid kan worden. Ook de media hebben dit nieuwe virus opgenomen in hun berichtgeving en laten geen gelegenheid voorbijgaan om nog wat meer zout op de wonde te leggen.
En kijk, er zijn oplossingen genoeg. Laat de regering het maar oplossen, zij zijn toch de oorzaak van alle kwaad. Of de werkgevers, die moeten maar wat meer loon uitbetalen, da’s toch zo simpel als wat? Of de warenhuizen, laat ze maar wat bekvechten en prijzenstunten, met algemene inzet tegen het dure leven. De reclameblaadjes liegen er niet om. Of toch wel? Of de producenten van voeding, die zorgen dat de maag begint te knorren omdat de frieten te duur zijn in de LasagneHut of de McQuick. ’t Is toch overdreven dat de boeren weeral klagen dat ze te weinig krijgen voor hun varkensvlees! Weet je wel wat dat kost in een bereide schotel? Of een biefstuk, of bizonvlees, of ik weet niet wat allemaal. De koopkrachtvermindering is eigenlijk een woord dat uitgevonden werd door de vakbonden en door de media verdraaid werd tot koopkrachthysterie, maar ik noem het eerder een koopkrachtdesoriëntatie.
Weten de consumenten eigenlijk nog wel een onderscheid te maken tussen wat nodig is, wat nuttig is en wat overbodig is? Kijk eens bij de kassa in de warenhuizen wat daar naar buiten gaat. Zóóó noodzakelijk allemaal, maar binnen de vijf jaar moet het allemaal naar het containerpark. Is het wel zo nodig om in de winter naar Oostenrijk te gaan skiën, met gevaar om poten en oren te breken (maar dat is niet erg, want hun baas heeft hen goed verzekerd), met Valentijntjesdag een citytrip naar Barcelona mee te pikken en in de zomervakantie met hun kont naar de zon te liggen draaien in Turkije? “Het leven is zo duur, meneer”, zei die vertegenwoordiger en hij stapte in zijn grote door zijn baas betaalde Mercedes-met-tankkaart. In Test-Aankoop stond een tijdje geleden de Beste Koop van breedscherm plasma-tv’s voor 1600 euro. Dat is voor heel wat mensen meer dan een maandloon! Maar dan kan je het wel écht breed zien. Een gsm kost (bijna) niks, maar die abonnementen of kaarten, tel ze maar eens op in een gezin! Een gewoon goed digitaal fototoestel kost meer dan 300 euro en is na twee jaar niet meer te herstellen – uit de mode en vervangen door een nieuw model.
Mijn buurman is al iets ouder dan ik en hij heeft het altijd voorspeld: “De mensen gaan de boeren maar beginnen te waarderen als ze eens honger krijgen of bij oorlog.” Zou dit moment dan nu aangebroken zijn? Krijgt men al een beetje waardering voor ons beroep? Voor de varkenshouder met zijn zere rug die hele dagen in fijn stof werkt? Voor de melkveehouder die op de onmogelijkste uren van de dag (van ’s morgens om zes uur tot ’s avonds om acht uur) de koeien melkt? Voor de groenteteler die in weer en wind met zijn bult in de lucht staat? Of voor die akkerbouwer die lange uren op zijn luidruchtige rammeltractor moet doorbrengen om de oogst binnen te krijgen? Ik weet het niet, maar ik denk dat we op een omslagpunt zitten. Ofwel gaat men ons liefdevol omarmen en zeggen dat wij het toch goed doen, ofwel gaat men ons nog wat meer proberen uit te wringen door het opleggen van lagere prijzen of strengere wetten.
Tja, misschien wordt het wel eens tijd dat ook wij het werk neerleggen. Stel je voor dat dit morgen in de krant zou staan: “Er is al de hele week op geen enkel landbouwbedrijf enige activiteit te bespeuren. De poorten zijn gesloten, er hangen blauwe en gele vlaggen. De dieren staan hongerig te brullen in de stallen. De mest loopt over het erf. Er wordt niet geoogst. De melk loopt uit de uiers van de koeien en de groenten staan te rotten op het veld. De slachterijen ontvangen geen varkens en geen runderen; het personeel is technisch werkloos naar huis gestuurd. De winkels worden niet meer bevoorraad, de rekken zijn leeg. Aan de hoevepoort staan tientallen hongerige consumenten op zoek naar een hompje eten. Het kernkabinet komt bijeen om dit probleem op te lossen, premier Leterme wordt vooruit gestuurd om te bemiddelen, want dat is nog een beetje een boerenvriend. Het land en heel Europa zijn in crisis. De enige oplossing zou zijn om de boeren meer te betalen voor hun grondstoffen, maar dat wil niemand toegeven.”
Zo, misschien kunnen wij dan ook eens een ochtendje doorslapen, zalig nietwaar? Alhoewel, als daar maar geen ‘ongelukje’ van komt …
– Luc Callemeyn
mei 23, 2008
Algemeene landbouwopneming 1846
Alle dagboekschrijvers hebben hier hun hartje al eens gelucht over de steeds groeiende papierberg. Mijn papieren mestvaalt blijkt eindelijk eens bedwongen te zijn. De bedrijfsboekhouding is – een beetje laat – opgestuurd naar Leuven, de verzamelaanvraag, de perceelsregistratie van de Mestbank …
Tegenwoordig stap je met bibberende benen naar je brievenbus. Nog spannender wordt het als de postbode met zijn brommertje voor de stal stopt. Een aangetekende brief! Wat nu weer? Overlapping? Superheffing? Ook de meitelling kregen wij nu in de bus. De decembertelling werd al enkele jaren geleden afgeschaft, naar het schijnt omdat onze landbouw te gespecialiseerd is geworden. Vroeger vond je zowat alles op elke boerderij: koeien, paarden, varkens, kippen … en wie zaait er nu nog haver, rogge, rapen of voederkolen? Of wijmen? Als Vlaamse boer heb je nu toch het tellingformulier in huis, dus kijk het maar eens na – onder rubriek 4.15 ‘Andere blijvende teelten’. Ik wist het ook niet, maar wijmen zijn twijgen waarmee manden worden gevlochten. En nu je dit formulier toch bij de hand hebt, het lijkt wel een overzicht van alles wat de land- en tuinbouw te bieden heeft. Ideale inspiratiebron voor wie op zoek is naar alternatieven: kleinfruit, pitfruit, kerstbomen, teelt van champignons, rabarber …
Mijn vader heeft thuis een boek in de kast liggen: Geschiedenis van de gemeenten van de provincie Oost-Vlaanderen. Arrondissement Gent, met ook de geschiedenis van ons dorp, Sint-Martens-Leerne. Ook daar vind je een landbouwtelling in, zij het uit 1846. Ik citeer uit deze landbouwtelling in het Oud-Vlaams: “Algemeene landbouwopneming 1846: 97 zoo groote als kleine boerderijen, 45 paarden, 277 koppen hoornvee, 73 kalvers, 151 varkens en 15 geiten, 145 mannen en 135 vrouwen, leden des gezins. 47 mannelijke en 33 vrouwelijke loontrekkende dienstlieden waren bestendig met den landbouw bezig. Haar grondgebied eene oppervlakte beslaande van 378 hectaren waren bezaaid met 50 ha 26 a tarwe, 95 ha 48 a rogge, 8 ha 25 a met gerst, 21 ha 18 a met haver, 5 ha 99 a met boekweit, 1 ha 93 a met koolzaad, 22 ha 6 a met vlas, 28 ha met beetwortels, 31 ha 55 a met aardappelen, 24 ha 37 a met klaver. De uitgestrektheid der weiden en meerschen besloeg 24 ha 29 a, der boomgaarden 17 ha 84 a, der tuinen 3 ha 48 a, der bosschen 15 ha 04 a en der ledig liggende en ongebruikte landen 19 ha 84 a. De landen golden er gemiddeld 3500 franken de hectare in eigendom en 80 franken in pacht. Het dagloon der veldarbeiders bedroeg sedert 1830: voor de mannen 1 frank 9 centiemen, en voor de vrouwen 89 centiemen, zonder de voeding …” Mens toch, wat een pallet van teelten in die tijd! En, maar liefst 97 boerderijen! Nu lijkt alles hier beperkt tot maïs, aardappelen, suikerbieten en tarwe. Nu zijn we nog met zes boeren, en die zullen samen wel meer dan 500 stuks ‘onthoornd’ hoornvee hebben!
En het boek gaat nog verder terug in de tijd. In 1330 heette ons dorp Lederne Sancti Martini, later Sente Martins te Lederne. Ik citeer. “Op 700 meters van den boord der rivier de Leie. Ten oosten van de kerk is de verhevenheid des bodems dezer gemeente 6 meter 80 boven de lage zee te Oostende. Zij ligt op 51°0’51” poolshoogte en 1°14’5” ten oosten der middaglijn van Parijs en is van de stad Deynze, de hoofdplaats des kantons waaronder zij schuilt, zes kilometers afstandig” Ik vind ook een beschrijving van een hoeve – ze bestaat niet meer – uit het jaar 1417, nog met andere maten en munten. “Goed te Quaethem, 19 bunders 300 roeden groot, waarvan de jaarlijkse pachtsom in 1450 negen pond en dertien schellingen beliep.”
Nog iets merkwaardigs. In 1575 spreekt men al van percelen die ‘Den Snellaert’ en ‘Den Quaethem’ heten, toevallig percelen die wij in gebruik hebben. Nu, meer dan 430 jaar later, gebruik ik deze namen nog in mijn bemestingsregister.
In 1635 waren er in ons dorp 2 bierbrouwerijen, 2 stokerijen en 1 ameldonkfabriek (stijfselfabriek) en 1 windmolen. In 1767 waren er in ons dorp 52 weefgetouwen. Op 1 januari 1869 bedroeg de bevolking in Sint-Martens-Leerne 658 zielen. Later ontvolkte ons dorp door de lokroep van de werkgelegenheid in Gent. In 1968 was mijn jongste broer bij zijn geboorte de 600ste inwoner; mijn ouders kregen daarvoor een gedenkschaal. Vandaag leven er in ons dorp 1195 inwoners.
Wat ik uit het uitpluizen van dit boek vooral onthoud, is dat we hier maar eventjes zijn – een niemendalletje op de lange tijdslijn van de geschiedenis.
–Johan Schollier
mei 16, 2008
Mijn ‘seizoens-trek’
Ieder jaar bij het begin van de lente drijven de Zuid-Franse boeren hun kudde koeien of schapen vanuit de vallei de hogere groene vlaktes op. Meestal gaan die boeren gedurende enkele dagen op stap met hun dieren. Hun kinderen lopen vooraan om de dieren samen te houden. Als ze de dieren door de dorpen drijven, wordt er hier en daar een feestje gebouwd. Bij andere dorpen hebben de burgemeesters die boerenweggetjes geasfalteerd en er huizen langs gebouwd, met erbij horende geparkeerde auto’s en bloementuintjes. Die nieuwe inwoners zien die deze folklore wel graag, maar niet te dicht bij hun deur …
Voor mij is de ‘seizoenstrek’ gelijk aan de verhuis van mijn rijdende, gemotoriseerde boerderij naar het noorden. Het traject duurt wel maar vier uur, maar het vraagt toch veel inspanningen en kopzorgen vooraf. Vooreerst het laden. Er moeten machines mee, plantaardappelen, maïszaad, smeermiddelen, olie, sleutels … En specifiek voor Vlaanderen: een spade en een ketting; want je kunt je daar met je tractor goed vast rijden in de grond. Hier in Picardië gebeurt dat niet, de wielen slippen gewoon door. Voor mij persoonlijk pak ik een dikke portefeuille in, mijn bril, mijn gsm – met de erbij horende telefoonnummers van loonwerkers, mengmestboeren, meststofhandelaars … – en een koffer met kleren.
Vooraleer ik vertrek, moet ik alles nog een laatste maal goed controleren. De big bags met aardappelpoters nog eens vastsnoeren, alles tegen de regen beschermen. Ik moet ook aan mijn vrouw zeggen dat ze me niet te vaak mag bellen – niet alleen omdat mijn telefoonkaart anders te snel op is …
Op 21 april ben ik uit de Sommevallei vertrokken. Ik rij richting Douai, op een mooie – volgens ons vlakke – straat met weinig hindernissen, weinig industrie en met mensen die niet haastig zijn, hoewel hun bieten en aardappelen al geplant zijn. Onderweg zit je zo aan alles te denken. Het valt me bijvoorbeeld op hoe verschillend de Vlamingen en de Fransen elkaar groeten. Meestal kopieer ik de gewoonten van de Vlamingen. ’s Morgens of in de loop van de dag zeg ik: “Bonjour”, en ik druk hen de hand. Dat vinden de Fransen wel raar; zij knikken gewoon en voegen eraan toe “Dag …” en de voornaam. De Fransen lachen met ons povere gebaar en noemen dat de ‘saluts Belges’, alsof onze manier van elkaar te begroeten minderwaardig is. Maar wat ik hier als Vlaming bij de Fransen al gezien heb, dat vind ik zelf gênant. Mijn twee geburen stapten onlangs uit hun tractor en begonnen daar te midden op het veld elkaar te kussen of ‘On se fait la bise.’ Ik wist niet dat ze neven van elkaar waren, maar het doet wel raar om zoiets te zien. Ik veronderstel dat die mensen dit vroeger ook al deden.
Hoe meer ik Vlaanderen nader, hoe meer huizen, wegversmallingen en omleidingen ik om me heen zie. Het ziet ernaar uit dat het platteland één en al stad wordt. Jammer …
Als ik in Grammene aankom, is het eerste wat ik doe de meststofstrooikar van de handelaar reserveren. Dan controleer ik of de veeboer de stalmest goed heeft opengespreid op het aardappelveld en of de varkensboer de drijfmest op het maïsland heeft uitgevoerd. Na het strooien van het aardappelveld, heb ik de grond in één bewerking klaar gemaakt. Hier in Frankrijk hebben we van die heel smalle 6-tand diepgronders, die onafhankelijk vooraan de rotoreg de grond in de diepte loswoelen. Dus ik heb mijn land niet geploegd, met uitzondering een plek waar heel veel overwinterd gras stond.
In Frankrijk heb ik ondervonden dat de planten twee dagen vroeger uitkomen op niet geploegde grond. Ik ben wel benieuwd of dit ook zo zal zijn Vlaanderen. Vorig jaar heb ik het met de suikerbieten in Vlaanderen ook zo gedaan en dat is me enorm meegevallen. Nu de energie schaarser wordt, gaan die gronden in Vlaanderen opnieuw meer hun voordelen tonen tegenover de Franse. We beseffen het nog niet, maar je hebt minder energie nodig om die Vlaamse gronden te bewerken en er te oogsten. De velden zijn er bovendien ook veel vlakker. Het enige probleem is dat de grond in Vlaanderen wel erg duur is. Maar ja, goede grond is nooit te duur en slechte grond is altijd te duur. Zo was het vroeger en dat komt ook terug.
Hier in Frankrijk, vóór de Eerste Wereldoorlog of later ook – toen de munitiefabrieken geen stikstof produceerden – lagen de leemgronden om de drie jaar braak. Zo deden ze dat hier gedurende eeuwen. En als je in Vlaanderen met één paard kan ploegen, heb je er hier meerdere nodig. Rond Parijs was je verplicht om met ossen te ploegen; die zijn trager maar wel sterker. Dat komt erop neer dat je met minder energie meer rendement hebt in Vlaanderen, zeker als je weet dat je in onze Vlaamse zandbak zonder beregenen soms twee gewassen – gras én maïs – kan telen in één seizoen. Wil je in juni ploegen in Picardië, dan moet je eerst enkele dagen beregenen vooraleer je de grond klein krijgt.
– Pierre Michels
mei 9, 2008
Een ander hoofdstuk is aangebroken
Ik heb zo het gevoel dat wij bezig zijn met het over een totaal andere boeg te gooien. Ons leven evolueert zodanig vlug dat ik moeite heb om het bij te houden. Ook onze jongste telg heeft een tweetal weken geleden zijn plechtige communie gedaan; met andere woorden: de jacht op een passende middelbare school is weer volop geopend. Onze jongste heeft het nadeel dat zijn capaciteiten niet ver genoeg strijken om de gewone doorstroming te volgen, maar geen nood: voor iedereen is er wat wils.
Jammer genoeg moeten de kinderen die het technische niveau volgen hun toekomst al snel redelijk goed gepland hebben. Als twaalfjarige is het toch wel zeer moeilijk om ongeveer te weten wat je later worden wilt. We zijn al geëvolueerd van kok naar bakker, slager en we zijn geëindigd op tuinaanlegger. Daardoor konden we al heel wat mogelijkheden elimineren en gaat hij dus samen met zijn broer het technische niveau land- en tuinbouwtechnieken volgen in Roeselare. Zijn broer zou later graag ons bedrijf overnemen en hij gaat dus de richting tuinbouw inslaan. Persoonlijk vind ik het wel jammer dat hij zijn technische gave wat aan de kant gaat schuiven want hij is namelijk erg technisch aangelegd. Heb je een probleem met een of ander machine of wil je iets nieuws in elkaar knutselen en het wil maar niet lukken, één kreet en Klaas heeft het weer voor elkaar gekregen. Zijn gave zal later in zijn beroep wel van pas komen. Persoonlijk vinden mijn man en ikzelf dat hij (als hij de capaciteiten en de zin heeft!) na zijn middelbaar het graduaat zou moeten volgen. Wij zijn toch allemaal kleine managers, die heel wat kapitaal in omloop hebben. Je mag vandaag niet veel tegenslagen meer hebben of ze vegen je gewoonweg van de kaart. Dus vinden we dat onze kinderen voor een moeilijke toekomst staan. Wij zijn (negentien jaar geleden al) begonnen met de btw-listing, de belastingsbrief en onze boekhouding voor het landbouwinvesteringsfonds. Bekijk nu de situatie eens zoveel jaren later. We hebben al heel wat externe krachten moeten aanspreken om onze papierberg bij te houden. Hoe moeten onze kinderen de situatie klaren?
Ons bedrijf draait volledig op elektriciteit en ik hoef er geen tekeningetje bij te maken om de situatie uit te leggen. We proberen deze kost zo laag mogelijk te houden. Dit kan enerzijds door een maatschappij te zoeken die aan het goedkoopste tarief wil leveren. Maar hoe begin je daaraan? De witlooftelers zijn in de Reo Veiling samengekomen om de situatie uit te leggen. Daar kwam als oplossing uit de bus: elektriciteit in groep aankopen. We hebben ons nu bij een extern bureau ingeschreven. Zij controleren onze elektriciteitsfacturen op fouten, want die zijn bijna niet meer leesbaar. Anderzijds onderhandelen ze met de maatschappijen om een goedkoper tarief te verkrijgen. Het is toch ver gekomen dat we daarvoor ook al mensen moeten aanspreken! We zitten gewoon in een gecompliceerde maatschappij en we moeten vooruit.
De witloofteelt heeft een minuscuul seizoen achter de rug, zoals zovele takken in de land- en tuinbouw zeker. Wat horen we dan toch nog hele dagen? Dat het voedsel nog nooit zo duur is geweest. Iedere keer word je woedend als je deze nonsens hoort. In de winkel is alles prijzig, maar die centen rollen alleszins niet naar de portemonnee van de boer. Ik heb er toch nog niet veel van gemerkt. Ik vond het een zeer goed initiatief van de Boerenbond om de gewone man in de straat erop te wijzen dat de winkelprijzen absoluut niet overeenkomen met de prijzen aan de producent. Dat is alleszins al een pluim op de hoed van onze nieuwe voorzitter, Piet Vanthemsche. Doe zo voort! De groente-industrie heeft de prijzen van de industriegroenten wat verhoogd, maar dit compenseert zeker de meerkost niet. Dus zal er in de toekomst deftig gerekend moeten worden, wil de boer blijven bestaan. Denk alleen maar eens aan de hoge brandstofprijzen.
Maar we kunnen niet blijven klagen: ons seizoen zit er bijna op en dan kunnen we een tweetal maanden op het land uitwaaien. We laten de boel voor wat het is en genieten van het mooie weer en zetten onze gedachten op nul. We noemen dit tegenwoordig ‘uitwaaien’, dus ik kan al bijna niet meer wachten, laat die wind maar komen! We hebben geen nood aan verre reizen, gewoonweg genieten van de vogels, de warme zon, alles wat een mens gelukkig kan maken.
– Sofie Vansteelandt
