Mijn dagboeken in Boer & Tuinder

april 18, 2008

Grond, melk en mest.

Filed under: Marcel Heylen — melkbrigade @ 12:00 am

Toen ik in 1983 besliste om te gaan boeren, was dat geen evidente keuze. In de eerste plaats omdat mijn ouders voor de toen geldende normen geen echt groot melkveebedrijf hadden, laat staan dat het groot genoeg was om het in twee te splitsen. Mijn vader heeft vanaf zijn huwelijk tot zijn pensioen altijd buitenshuis gewerkt, als ambulancechauffeur op de Britse basis in een drieploegenstelsel. Daarnaast runde hij samen met moeder een melkveebedrijf, met in het achterhoofd altijd de droom ooit te kunnen stoppen met buitenshuis werken en voltijds boer te worden.
In de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw was grond de beperkende factor om te groeien als boer. Toen mijn ouders trouwden, waren zowel de ouders van mijn vader als die van mijn moeder nog te jong om met pensioen te gaan en dus moesten mijn ouders van niets beginnen. Om een lang verhaal kort te maken, het duurde tot begin de jaren 70 – na het kopen van de ouderlijke boerderij van mijn moeder – eer ze op een gestructureerde manier konden gaan boeren. In die tijd was het in onze streek erg moeilijk om ruwvoer voor de koeien aan te kopen, waardoor men enkel meer koeien kon houden als men ook kon uitbreiden met grond om ruwvoedergewassen te telen. Toen hun bedrijf eindelijk groot genoeg was om leefbaar te zijn, was vader de leeftijd van 50 jaar al even voorbij. Dan nog stoppen met buitenshuis werken, was toen geen optie meer.
Ondanks de moeilijke start van hun carrière als melkveehouders waren mijn ouders zeker geen gefrustreerde zeurpieten of klagers. Integendeel, ze waren gepassioneerde fokkers die de boerenstiel een warm hart toedroegen. Toen mijn vader in de loop van 1983 vernam dat hij door herstructureringen op zijn werk begin 1984 met brugpensioen zou kunnen gaan, stonden wij voor een zware keuze. Op brugpensioen gaan betekende toen ook echt stoppen met werken – dus geen bijberoep als landbouwer meer.
Ik was in die periode al een tijdje werkzoekend na mijn studies als onderwijzer, maar verder dan tijdelijke jobs van enkele weken als vervanger voor zieke collega’s geraakte ik niet. Zo groeide bij mij langzaam het idee – uiteraard in overleg met mijn vrouw – om de ouderlijke boerderij over te nemen. Maar toen kwam de aap uit de mouw: ook mijn schoolgaande, jongere broer wilde boer worden. Onze ouders stelden voor om samen te boeren, maar dat was voor mij geen optie omdat we een fundamenteel verschillende visie hadden op boeren – ik ben een koeienboer terwijl mijn broer een machinefreak is. Uiteindelijk werd beslist de boerderij in twee te delen; mijn broer zou op de ouderlijke boerderij gaan boeren en ik startte op een andere locatie een volledig nieuw bedrijf. Gelukkig kon ik mijn nieuwe huiskavel van zeven hectare na enkele jaren al verdubbelen door aankoop en huren van grond van stoppende boeren.
Meer nog dan grond werd in 1985 melk de beperkende factor voor de uitbouw van ons melkveebedrijf, door invoering van de melkquota. We bouwden een ligboxenstal voor 60 koeien, maar hadden in eerste instantie slechts een melkquotum van 114.000 liter. Omdat we beslisten om te groeien zonder aankoop van vee en dus enkel door eigen aanfok, kregen we op basis van onze melkleveringen in 1985 een herziening van ons melkquotum tot 172.000 liter. Die hoeveelheid molken we toen vol met 30 koeien. In 1988 konden we dan het quotum van een stoppende boer met 25 koeien overnemen en in 1990 dat van iemand met vijftien koeien, aan een prijs die volgens ons verantwoord was. Vanaf toen ging de prijs voor quotumaankoop sterk stijgen en we beslisten niet meer te investeren in dit dure productierecht.
Door de sterk stijgende melkproductie van onze koeien, liep in de loop der jaren het aantal koeien dat we konden melken binnen ons quotum terug tot 40. Om de plaatsen in de stal toch enigszins op te vullen, begonnen we met het opfokken van stieren om ze te verkopen als dekstier aan collega-boeren. Daarnaast verkochten we gekalfde vaarzen die we zelf niet nodig hadden als vervangvee voor onze koeien. Dat liep redelijk vlot tot de invoering van het nieuwe Mestactieplan vorig jaar. Plots produceren onze koeien – op papier althans – 42 kg stikstof per dier meer dan het jaar voordien. Met als gevolg dat we tegen een mestprobleem aanlopen, net nu het erop lijkt dat melkquotum niet langer een rem zal betekenen voor een geleidelijke groei van ons bedrijf. Derogatie kan voorlopig soelaas bieden, maar meer koeien houden zal enkel kunnen als we de opfok van jongvee terugschroeven of gaan investeren in de aankoop van steeds duurder wordende mestrechten.
Het is eigenlijk toch een wraakroepende situatie. Terwijl er wereldwijd voedseltekorten dreigen, mogen wij onze vakkennis niet ten volle benutten om voedsel te produceren omwille van beperkingen om – in onze streek toch – niet-bestaande problemen van een te hoog nitraatgehalte in het oppervlaktewater te bestrijden.

– Marcel Heylen

Advertenties

Geef een reactie »

Nog geen reacties

RSS feed for comments on this post. TrackBack URI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

%d bloggers liken dit: