Mijn dagboeken in Boer & Tuinder

oktober 1, 2010

109!!

Filed under: Bernadette Jonckheere — melkbrigade @ 8:32 pm

Op 16 april overleed mijn laatste groottante, op dezelfde dag als de oudste inwoonster van België. Mijn moeder wordt deze zomer 87, dus spreekt het vanzelf dat tante Maria ook een zeer hoge leeftijd had. Ze werd namelijk net geen 109. Op de dag van haar begrafenis zou ze 109 geworden zijn. Voor haar was het zeker een verlossing, want al heel wat jaren bad ze hardop tot de Heer dat die haar zou komen halen. Tot enkele jaren geleden bad ze iedere avond een lang avondgebed, met de akte van geloof, hoop, liefde en berouw. Toen ze uiteindelijk toch stervende was, heeft ze meer dan eens aan de verpleegsters gevraagd of ze nu al in de hemel was. Op haar bidprentje staat er dat er geen enkele reden is om te wenen en dat ze wil dat we blijven lachen om de mooie momenten die het leven geboden had.
Tante had geen kinderen en ze stond erop dat voor de koffietafel na de begrafenis alle nichten, neven, achternichten en achterneven gevraagd zouden worden. We konden ons aanmelden via e-mail – zo onwezenlijk voor een begrafenis van een 109-jarige! Veel familieleden gaven verstek, vooral de achternichten en -neven. Eentje die normaal wel gekomen zou zijn, zat vast in Los Angeles door de aswolk van de IJslandse vulkaan met de moeilijke naam Eyjafjallajökull. Ondanks de drukke voorjaarswerkzaamheden ben ik toch naar de begrafenis en de koffietafel gegaan. Het was dit jaar toch een gemakkelijk voorjaar, zodat een ‘dagje vrij’ er wel afkon.
Aan tafel zat ik dus bij de achternichtjes en -neefjes, die intussen ook al ergens tussen de 40 en 55 zijn. We hebben inderdaad gelachen met de mooie herinneringen aan tante. Als je er op bezoek ging, blonk tante Maria wel vijfmaal de glazen op en veegde ze twee- of driemaal de tafel af, voor ze iets inschonk. Het was net een ceremonie. Iedereen was er altijd welkom. Ik heb wel spijt dat ik haar na mijn huwelijk eigenlijk niet meer opgezocht heb.
Er was ook een ver familielid van in de zeventig, die zich per abuis ook aan onze tafel had gezet. Een verbitterd man, die ik eigenlijk niet kende. Hij had op alles zijn commentaar en die was altijd negatief. Hij was wel een intellectuele mens, die vroeger in Argentinië gewerkt en gewoond heeft. Opeens zei hij dat er zeker geen boeren meer overbleven in de familie. Toen heb ik maar flink luid gezegd dat ik een boerin ben, en dat mijn broer boer is in bijberoep.
De grootvader van die man was afkomstig van dezelfde boerderij waar mijn moeder opgegroeid is. Die hoeve is helaas helemaal met de grond gelijk gemaakt en de plek is nu volgebouwd met woningen. Dat vond hij onrechtvaardig: ze hadden die hoeve moeten laten staan, omwille van de familienaam! Of op zijn minst hadden ze de watermolen moeten laten staan, want die had gediend om elektriciteit te maken toen iedereen nog met olielampen en kaarsen in de weer was. Het was in zijn ogen een stuk erfgoed. Net alsof iemand van hogerhand zich daar iets van aantrekt! Als ze in Brussel of elders denken dat ze grond nodig hebben, dan nemen ze die – zonder boe of ba – en van sentimentaliteit is al helemaal geen sprake. Toen ik zei dat wij ook onteigend waren, begon hij er natuurlijk over dat we zzeker veel geld gekregen hadden. Op zulke momenten kan ik wel ontploffen. Eigenlijk is er in heel dat onteigeningsgebeuren een woord dat ontbreekt, namelijk ‘ontpacht’ worden. Want vergoed worden als pachter is toch heel iets anders dan vergoed worden als eigenaar! Enfin, ik ben toch maar geen grote discussie aangegaan.
Wat later begon hij over het voedsel dat geproduceerd wordt. Ook nu was er niks positiefs te beluisteren, natuurlijk. Al het negatieve dat de media – terecht of onterecht – naar buiten brengen, passeerde de revue. Toen ben ik wel in de verdediging gegaan en ik kreeg opeens steun uit onverwachte hoek, namelijk van een zoon van een nicht van mijn moeder, wiens overgrootvader boer was. Voor hem is de landbouw eigenlijk ook een ver-van-mijn-bedshow, maar hij wist toch te vertellen dat er nergens meer voedselcontrole is dan in Vlaanderen – over Wallonië zullen we het maar niet hebben. Hij koos de kant van de landbouw en dat vond ik hartverwarmend. De klassieke dooddoeners zoals overbemesting, pesticiden, varkens- en vogelpest, dioxines, antibioticagebruik, alles heb ik kalm weerlegd en ik heb uitgelegd hoe goed we gecontroleerd en gevolgd worden. Ik heb dus ons imago voor heel de tafel nogmaals proberen op te krikken. Ik weet niet of ik hem heb kunnen overtuigen, maar hij heeft zich aan tafel wel driemaal laten opscheppen en hij heeft alles netjes opgegeten.
Toen moest ik plots aan tante Maria denken, die op het feest voor haar honderdste verjaardag tegen me zei dat ze nooit gedacht had dat ik met een boer zou trouwen. Ik ook niet, tante, maar de liefde is onvoorspelbaar.
– Bernadette Jonckheere

Advertenties

februari 19, 2010

Labofobie

Filed under: Bernadette Jonckheere — melkbrigade @ 8:27 pm

Onze kinderen hebben de verkeerde studierichting gekozen! Ze hadden beter een wetenschappelijke richting genomen en nadien hogere studies voor laborant of ingenieur in de chemie gedaan. Na hun studies konden ze dan met een fikse lening en met wat financiële hulp van de ouders een eigen labo beginnen. Want als er nu iets mij een lucratieve bezigheid lijkt, is het wel een labo runnen. En dan vooral een labo voor de controle van landbouwactiviteiten, zoals grondontleding, voedselcontrole of residucontrole.
Omdat wij met ons bedrijf in waterwingebied liggen, hebben we hier ieder jaar het spek aan ons been, namelijk nitraatresiducontrole van op zijn minst één van onze percelen. Twee jaar geleden was de uitslag niet goed. We kregen wel geen boete, maar er kwam een audit, uitgevoerd door twee sympathieke dames van de Mestbank die ons een hele namiddag hebben beziggehouden. Enfin, het betekende heel wat papierwerk (alweer een boom gesneuveld), heel wat uurtjes extra schrijfwerk en veel stress. We werden verplicht om in 2008 zelf staalnames te financieren van drie percelen, die dan wel goed waren. In 2009 volgde weerom een staalname van één perceel. Ditmaal zitten we weer te hoog, namelijk 130 waar het maar 90 mag zijn. Door de aanhoudende droogte groeiden de aardappelen veel te weinig en namen ze te weinig stikstof op. Dit jaar moeten we dus weer drie stalen laten nemen en komt er opnieuw een audit.
In heel dit circus stuit mij nog het ergst tegen de borst dat er – als je informeert bij akkerbouwers die dertig of veertig kilometer verder wonen en een oppervlakte bewerken die wel tweemaal de onze is – ginds nooit een staal genomen wordt en dat men daar kan bemesten zoveel men wil. De opbrengsten zijn daar uiteraard dus ook steeds hoger. Mijn mening is dat men om eerlijk te zijn op ieder bedrijf stalen moet nemen. De labo’s zullen mijn visie wel delen. Bovendien bezochten we in september tijdens een Open Dag een waterzuiveringsstation, waar ons werd verteld dat het een fluitje van een cent is om nitraten uit het water te halen!
Verder hebben wij hier ook nog drie hectare weiland waaraan een beheersovereenkomst verbonden is. Die drie hectare bestaat dan nog uit drie perceeltjes, zodat er ieder jaar ook daar drie bodemstalen worden genomen, op onze kosten uiteraard. Deze stalen worden al jarenlang genomen door een kerel die denkt dat hij met een stelletje lagereschoolkinderen te maken heeft, maar dat doet nu niks ter zake. Toen we verleden jaar de uitslag kregen van deze drie percelen, sloeg ik bijna steil achterover. Wij voeren daar geen dierlijke mest, we brengen enkel wat kunstmest aan en het gras wordt tweemaal gemaaid. Al jaren hebben wij een nitraatuitslag van hoogstens 60, maar meestal heel wat minder. Dit jaar bedroeg de uitslag van één perceel 674!!! Een ander had 131 (?) en nog een ander 17,1. Ik heb onmiddellijk het labo gebeld en gevraagd of ze ergens een komma verkeerd hadden gezet. “Nee, dat was onmogelijk”, zeiden ze. “We werken niet met komma’s.” En die 131 vonden ze door de grote droogte niet abnormaal. Maar ze wilden wel een ander staal komen nemen van het perceel met de hoogste waarde. Enkele weken later kregen we de nieuwe uitslag: 81. Toch ergens gemist met de komma’s, zeker? Je zou er een labofobie van krijgen. Wat moeten wij eigenlijk denken over de bodemontledingen in het voorjaar? We hebben niet veel zin meer om daar nog veel geld aan te spenderen, want zijn die dan wel betrouwbaar?
Om af te sluiten wil ik er nog een andere labostory aan toevoegen. In januari 2000 belde er in de vooravond een man van de Post aan de voordeur, met een aangetekende brief. Stomverbaasd las ik dat het Voedselagentschap in volle dioxinecrisis in het slachthuis van één van onze kalkoenen twee staaltjes vlees had genomen. In het ene staal vonden ze een medicament terug (de naam ervan ben ik vergeten) dat al jaren verboden was! Het was een geneesmiddel dat vroeger veel werd gebruikt in de varkenshouderij. We konden wel een tegenonderzoek laten doen op het tweede staal. Eén belangrijk detail: er was maar één labo in België dat dit onderzoek kon doen, dus moesten we het staal eigenlijk laten onderzoeken in hetzelfde lab. Gelukkig heeft de voederfirma dan het heft in handen genomen, ze heeft een koerierdienst ingeschakeld en het staal naar een labo in Duitsland gebracht. Resultaat: geen spoor van dit medicament aanwezig. Kostprijs van heel dit verhaal: 90.000 frank. Het labo in België heeft later aan de voederfirma toegegeven dat ze eigenlijk hun apparatuur allang niet meer geijkt hadden! En wij, wij riskeerden een H-statuut en een fikse boete – door een slordig labo. Vandaar mijn labofobie, die maar niet wil genezen.

– Bernadette Jonckheere

november 5, 2009

A lonely countrygirl

Filed under: Bernadette Jonckheere — melkbrigade @ 8:27 pm

Mijn tweede zus is nachtverpleegster in het Sint-Jozefsziekenhuis in Izegem, hetzelfde ziekenhuis waar ik drie jaar gewerkt heb, na mijn afstuderen in de jaren tachtig. Enkele personeelsleden geven er al jaren samen een tijdschriftje uit, Het Pilleke – van originaliteit gesproken. Bij toeval is één van die Pillekes hier bij mij terechtgekomen. Mijn moeder, die ook graag leest, is namelijk geabonneerd op Libelle en die Libelles gaan de familie rond, om als laatste bij mij terecht te komen. En laatst zat er dus een Pilleke van mijn zus tussen. Ik heb het uiteraard doorbladerd en de nieuwtjes gelezen. De algemeen chirurg was gestopt, die ene verpleegster had haar eerste kleinkind, de vader of moeder van een andere verpleegster waren gestorven enzovoort. Allemaal bekende namen, die verre herinneringen naar boven brachten. Herinneringen aan een toch wel mooie en toen nog zorgeloze tijd met collega’s van ongeveer mijn eigen leeftijd. Er stond ook een artikel in van Sis uit de operatiezaal, namelijk over die algemeen chirurg die ermee ophield. Ja, Sis, waar ik dikwijls mee zat te eten ’s middags in de refter en die vóór mijn huwelijk uitdrukkelijk beloofd had dat ze mij ooit zou komen bezoeken op mijn boerderij in de Westhoek. Die ‘ooit’ is er nog steeds niet van gekomen en ik verwacht het nu ook niet meer.
Wat mij bij het lezen het meest overviel was een gevoel van eenzaamheid en heimwee naar leeftijdsgenoten, naar collega’s waarmee je over van alles en nog wat kon praten en waar je plezier kon mee maken. Ja, ons beroep is geëvolueerd naar een zeer eenzaam beroep. Zeker voor de vrouw, en alleszins op een boerderij zoals de onze. Als er hier toch nog eens mensen het erf komen opgereden, dan hebben ze mijn man nodig. Met mij kunnen ze blijkbaar niets aanvangen.
Wanneer ik terugblik op die zesentwintig jaren die we boeren, is er toch veel veranderd! Alles steeds meer en groter, maar ook veel eenzamer. Er komt bijna niemand meer op ons erf tenzij we er zelf om gevraagd hebben. En als er toch nog eens iemand komt, dan hebben we allesbehalve veel tijd. De veehandelaar bijvoorbeeld kwam vroeger – na het onderhandelen met Bernard – binnen in de keuken. Hij dronk er een kopje koffie en praatte over koetjes en kalfjes. De voederhandelaar was ook graag gezien. Meestal kwam hij ’s avonds laat en we konden gezellig babbelen met hem. Met de veearts voor het rundvee praatte ik ook graag, over de studies van zijn en onze kinderen en over van alles en nog wat. Ook weggevallen dus.
Toen de kinderen klein waren en ik ze naar en van school haalde, zag ik meestal ook iemand waarmee ik dan een praatje maakte. Dat hoefde daarom niet lang te zijn, maar het deed toch deugd. Later, hier in Vlamertinge, voerden de buurvrouw en ik bij slecht weer de kinderen naar de middelbare school en we zagen elkaar dus regelmatig. Dat is ondertussen ook voorbij. Diezelfde buurvrouw zit telkens een deel van het jaar omringd door maïs op haar hoeve. Ze is altijd blij als de maïs gedorst wordt, zodat ze toch weer iets van de bewoonde wereld ziet. Anders zit ze net op een eiland en als de wind goed zit, hoort ze enkel de pieptoon van onze verreiker als die achteruitrijdt. Dan zegt ze bij zichzelf: “Bernard of Mathieu zijn weer bezig met hun machine.”
Ja, veel volk zien we hier dus niet meer. Terwijl de facturen vroeger gebracht werden, worden ze nu opgestuurd. Pas op, het is niet allemaal donker, want zo worden we ook niet nodeloos beziggehouden, maar soms overvalt me toch een eenzaam gevoel. Ik ben ook niet het type dat gemakkelijk iemand opbelt om uren aan de lijn te hangen.
Gelukkig zijn onze kinderen nog niet allemaal het huis uit en zorgen die voor wat ambiance. En het is ook een geluk dat mijn man en ik goed overeenkomen, anders zou dit toch wel een beetje de hel zijn.
Wat we allebei ook aangenaam vinden, is met personeel werken voor de bloemkooloogst. Wij werken nog niet met Polen, maar met mensen uit de streek. ’s Middags maak ik nog altijd een maaltijd voor hen klaar. De ene keer soep, brood en charcuterie; als ik wat meer tijd heb een eenvoudige, warme maaltijd. Sommigen zullen dit nu stom en onnozel vinden en een vermindering van de winst. Het is inderdaad een extra kost en inspanning, dat weten wij ook wel. Maar we hebben heel aangenaam personeel en er zitten goeie vertellers tussen, zodat wij hier soms plat liggen van het lachen. En die momenten zouden Bernard en ik niet graag missen, ook al heeft het zijn prijs. Het brengt bovendien kleur in ons leven. We leven toch maar één keer en zoals men dan zegt: “Niemand neemt zijn geld mee in zijn graf!” Tenzij de farao’s in Egypte indertijd, maar dat is ook al heel lang geleden.

– Bernadette Jonckheere-

augustus 25, 2009

Sterfelijkheid

Filed under: Bernadette Jonckheere — melkbrigade @ 12:00 am

Tot mijn veertigste levensjaar waande ik mij onsterfelijk, zoals alle jonge mensen. Mijn man en ik spraken wel eens over wat de ander zou doen als één van ons vroegtijdig stierf, en vooral over wat er met de kinderen en de boerderij zou moeten gebeuren. Maar verder dan wat lacherige suggesties kwamen we niet. Ik zou een flinke boerenknecht in dienst nemen en hij waarschijnlijk een leuke meid of zo!
Zoals jullie wellicht al weten, kreeg ik in oktober 2000 een hartinfarct. De grond werd volledig onder mijn voeten weggemaaid en ik werd in één klap sterfelijk. Ja, die 16de oktober heb ik de hemelpoort gezien en dat doet wat met een mens. Sinds die dag ben ik soms in gedachten afscheid aan het nemen van de mijnen en van wie ik liefheb en mijmer ik af en toe hoe mijn gezin het verder zou doen zonder mij. In het begin had ik dat heel erg, maar stilletjes aan minderden die gedachten. Gelukkig zijn we ondertussen al weer een paar jaar verder en zijn de kinderen jongvolwassenen.
In 2006 werd ik nogmaals abrupt op mijn sterfelijkheid gewezen. Dat tweede infarct heeft me – nog meer dan het eerste – veel van mijn krachten ontnomen en het was psychisch ook heel zwaar om dragen. Sindsdien heb ik dikwijls het gevoel dat ik verder strompel in het leven, vooral in het boerenleven dan. Ik help wel mee wanneer en waar ik kan, maar ik kan behoorlijk gefrustreerd zijn door mijn beperkingen. Je ziet zoveel werk om je heen, zoveel dat je zou willen doen, maar er zijn dagen dat er eigenlijk niet veel uit mijn handen komt en dat ik anderen mijn taken moet laten opknappen. Ik kan daar heel ongelukkig om zijn … Andere dagen kan ik meer aan en doe ik dan weer te veel, zodat ik ’s avonds in de zetel plof en ik geen grammetje energie meer heb – zelfs niet om mijn mond open te doen en te praten. Ik moet soms meer dan een uur bekomen vooraleer er weer beweging te krijgen is in mij. Gelukkig kent mijn gezin ondertussen mijn gebruiksaanwijzing: met rust laten en weer tot zichzelf laten komen.
Was ik volgens mijn cardioloog destijds een werknemer geweest, dan mocht ik niet meer gaan werken en hoefde ik enkel nog mijn gezin te runnen.
Soms denk ik: “Kon ik maar nog lang genoeg leven, tot ik weet dat mijn kinderen hun plaats in de wereld gevonden hebben!” Maar wanneer ben je daar nog zeker van? Je kunt nu denken dat ze het alle drie goed voor elkaar hebben, maar vijf jaar later kan het al een heel ander plaatje zijn. Dus is een mens nooit gerust, hé. Maar dat geldt uiteraard voor iedereen.
Er zullen nog wel mensen zijn die zich in mijn klaagzang van hierboven herkennen. Mensen die ook één of andere ziekte met zich meedragen of doorgemaakt hebben en het ook soms verdomd lastig hebben om mee te draaien in die mallemolen van het leven. Zeker als je zelfstandig bent, is het dubbel zo zwaar – vind ik toch.
Waar ik het ook zeer moeilijk mee heb, is als er hier iemand langskomt wanneer ik net eventjes uitgeteld in de zetel lig. Als die persoon niks van me weet, dan denkt die misschien wel dat ik een luie trien ben die midden de dag zomaar in de zetel ligt en de anderen voor zich laat opdraven. Weerom voel ik dan een diepe gêne. Maar ik kan toch niet aan de eerste de beste mijn hele verhaal doen? Bovendien stuit ik ook op onbegrip. Sommigen denken dat een infarct doormaken een beetje is als een flinke griep doorstaan: eenmaal die voorbij is, is weer alles zoals voorheen. Maar zo is het helaas niet.
“Trek je dat toch niet zo aan”, zegt mijn man. “Je doet voortdurend erg hard je best.” Ik weet wel dat hij gelijk heeft. Als ik niet op een boerderij woonde, dan zou ik het toch gemakkelijker vinden om mij er niks van aan te trekken. Geen mens die erover valt als je eventjes niets doet. Maar als kind van zelfstandigen ben je van kindsbeen af zodanig geprogrammeerd dat eventjes niks doen gelijkgesteld wordt aan lui zijn. Altijd bezig willen zijn, altijd iets om handen hebben, dat werd er bij ons vroeger ingestampt en het is er dan ook moeilijk uit te krijgen. Tot het niet meer gaat, uiteraard.
“Maar ja, ik ben er toch nog”, zegt men dan. Uiteindelijk is dat wel zo. Als we hier in een straal van 1 km rond ons kijken, dan komen we tot de tragische vaststelling dat er – in de 14 jaar dat we hier wonen – al 5 jonge en zelfs heel jonge mensen die boerden, gestorven zijn. Twee heel jonge mensen door zeer tragische accidenten: iemand werd vermoord (!), een ander stierf na een hersentrauma en nu onlangs overleed een vrouw door kanker. En allemaal lieten ze een gezin achter. Dat zijn grote drama’s voor de betrokkenen. En toch draait de wereld door …
– Bernadette Jonckheere

september 26, 2008

Verdienen we geen echte Indian summer?

Filed under: Bernadette Jonckheere — melkbrigade @ 12:00 am

We zijn net halfweg september wanneer ik me toch nog maar eens aan mijn computer installeer om een dagboek te typen. Aan alles voel en zie je dat de herfst al op komst is. Het is verdorie fris ’s morgens, en rond half negen ’s avonds begint het al echt te schemeren. De bladeren beginnen te verkleuren aan de bomen. Hier en daar verschijnen al pompoenen en sierfruit ter decoratie aan de voordeur. Voor mij is dat het teken dat het zover is, de zomer is voorbij. Als die pompoenen er aankomen dan hebben we het wel gehad. Dan gluurt de winter al bijna om de hoek. Mooi konden we de zomer in ieder geval niet noemen en een Indian summer is ons blijkbaar ook niet echt gegund. Verleden week viel er hier nog maar eens een serieus pak regen, zodat het alweer behoorlijk nat is op de velden. Hopelijk is mijn huidig pessimisme ongegrond en krijgen we een najaar om te zoenen.
Morgen begint onze jongste aan zijn eerste jaar Graduaat Landbouw. Een kleine stap voor de mensheid, maar toch een grote stap voor hem en toch ook geen alledaagse, maar wel te verwachten keuze. Hij krijgt eerst een introductiedag en donderdag begint het pas echt. Bernard heeft ondertussen nog van alles bedacht wat nog moet gebeuren voor zijn definitieve start. Die drie maanden vakantie waren dus weer eens veel te kort!
En zondag voeren we onze tweede dochter naar Leuven, zodat ze vol goede moed aan haar vierde jaar kan beginnen. Daarna nog één jaar studeren en dan zal ze ook stilletjesaan rijp zijn voor de arbeidsmarkt, hopen we. Met studenten de dag van vandaag weet je het nooit. Je weet wanneer ze beginnen, maar sommigen weten van geen ophouden meer en rijven het ene diploma na het andere binnen. Zo’n vaart zal het hier wel niet lopen, zeker?
Onze oudste is straks al een jaar bezig in haar chocolaterie en ze heeft goed haar werk. Zo hoort het ook. Het is wel een hele opgave om er als jong meisje tijdens de dag alleen voor te staan. Gelukkig staat haar vriend iedere avond na zijn werk paraat om te helpen en de twee moeders en zussen – en zelfs broer – steken ook graag een handje toe waar ze kunnen. Het is eens iets anders dan tussen de kalkoenen of op de tractor, want we zijn multifunctioneel en multi-inzetbaar.
Juli was een heel drukke maand. Bloemkolen, bloemkolen en nog eens bloemkolen. Was het niet oogsten, dan was het planten en iedere dag was het ‘van dat’. Het zijn mooie dingen – als ze voorbij zijn. In augustus hebben we dan een gebouw achter ons huis gerenoveerd. Toen we hier kwamen wonen – ondertussen dertien jaar geleden – hadden we alle oude gebouwen gesloopt, behalve het woonhuis, een loods en dat gebouwtje. We hadden wel onmiddellijk een steentje errond gemetst om het wat steviger te maken en we hadden het ook een andere indeling gegeven. Het eerste deel werd bergruimte voor fietsen, voor de grasmachine en alles wat we elders niet kwijt konden; het tweede deel werd ons spuitlokaal. Het dak was wel niet meer je dat. Bij iedere storm dachten we: “Kon dit dak nu maar eens inwaaien”, maar dat gebeurde dus niet. Tot dit voorjaar opeens een heel deel pannen begonnen te schuiven en er een groot gat in het dak zat. Bernard en Mathieu probeerden nog het dak te herstellen, maar alles was rot. Terwijl ze toch bezig waren, hebben ze dan maar alle dakpannen weggenomen. Daar stond ons kot nu zonder pannen en geen tijd om eraan te werken. Angsthaas als ik ben, dacht ik: “Straks krijgen we hier nog controle voor het spuitlokaal en dat staat daar zomaar zonder dak.” Er was wel een rot, houten plafond, maar toch. En zo geschiedde … Op een ochtend in het voorjaar reed er hier een auto op het erf met een mijnheer met een map in zijn hand. Als boerin weet je al hoe laat het dan is: controle! “Goedemorgen mevrouw, ik ben van het FAVV en het is voor een controle van de sproeistoffen”, zei de man. Ik sloeg alle kleuren uit, mijn hart klopte al in mijn keel en ik begon meteen iets te stamelen van een ingestort dak, maar de man stelde me vrij gauw gerust. Hij zei dat hij enkel kwam voor de spuitmiddelen en niet voor het gebouw. De controle viel dan zelfs nog heel goed mee.
Begin augustus zijn we het gebouw dan maar beginnen leegmaken. Alles wat we indertijd nog meeverhuisd hadden met het idee van het misschien ooit nog eens nodig te hebben, stond in dat kot. We hebben bijna alles weggesmeten, er bleef haast niks meer over. Wedden dat we straks iets nodig hebben dat we wegwierpen … Maar nu staat ons kot daar, volledig vernieuwd. Laat ze maar komen voor een controle van het spuitlokaal. We zullen ze met de glimlach ontvangen!

– Bernadette Jonckheere

maart 28, 2008

Hoe is dat toch mogelijk?

Filed under: Bernadette Jonckheere — melkbrigade @ 12:00 am

“Hoe is dat toch mogelijk?” zeg ik soms tegen mijn man. “Hoe bestaat het toch dat wij destijds met elkaar getrouwd zijn? Ik begrijp het niet. Hoe kan dat toch? Als er nu twee mensen fundamenteel van elkaar verschillen, dan zijn wij het wel. Hebben wij dat dan vroeger niet gezien of aangevoeld?” – “Nee, want de liefde is blind en tegenpolen trekken elkaar aan”, zegt mijn man dan, “en bovendien vullen we elkaar toch aan, niet?” – “Ja dat is waar, maar we zijn blijkbaar stekeblind geweest!” antwoord ik dan. “Zo verschillend dat wij zijn!”
Ik ben door moeder natuur spijtig genoeg veroordeeld om overal vuil en stof te zien en dat bijgevolg ook steeds te willen opruimen. Mijn man kan gemakkelijk over het vuil heen stappen. Hij ziet het gewoon niet, tot ik hem erop wijs. Is zijn hemd verkeerd dichtgeknoopt, zit zijn kraag scheef, één halve blik en ik heb het gezien. Hij zou een hele dag zo rondlopen zonder het te merken.
Zo hou ik ook van cleane, overzichtelijke ruimtes. Hij zet alles vol. Tot ik het weer opruim en hij het weer vol zet. Zo heb ik gezworen om zijn werkbank nooit meer op te ruimen. (Gelukkig doet onze zoon dit nu, want voor hem moet het ook overzichtelijk zijn.)
Wanneer we aan een werk bezig zijn en het lukt niet goed of er breekt iets, zou ik het nogal snel opgeven en eventueel hulp zoeken bij derden. Hij niet: hij houdt vol, hij valt nog liever dood dan op te geven of hulp te zoeken en is dan achteraf trots dat het hem toch gelukt is. Ik ben dan doodmoe in zijn plaats.
Zelfs onze humor is verschillend. Hij lacht zich een deuk met de vijfendertigste heruitzending van De Kampioenen, terwijl ik er met moeite nog mee kan glimlachen omdat het zo voorspelbaar is. Ik lees dan gewoonlijk een tijdschrift in plaats van tv te kijken. Is er een humoristisch programma op tv dat ik dan weer heel graag zie – zoals de conference van Geert Hoste – dan valt hij gegarandeerd al na een kwartier in slaap.
Hij houdt van Duitse en andere schlagermuziek, terwijl ik er niet mag aan denken dat we later, als we ooit ons pensioen bereiken, naar de Duitse televisie zitten te luisteren en dan kijken naar die hoempamuziek en dansen. Dat kan me echt niet bekoren. We houden gelukkig allebei van het Franse chanson – hij voor de muziek en ik voor de tekst.
Ik lees graag op tijd en stond eens een boek, hij leest eigenlijk ook wel graag maar dan tijdschriften en hij heeft enkel in de humaniora boeken gelezen – omdat het van moeten was. Kijken we samen naar een quiz, dan weet hij alle sportvragen te beantwoorden en ook veel muziekvragen. Ik bijna geen een, maar ik heb dan weer een meer algemene kennis.
Ik hou van een strak gazon, een goed verzorgde tuin, mooi geschoren buxussen enzovoort. Hij durft wel eens (per ongeluk, hoop ik toch) met de tractor of verreiker in een van mijn talrijke tuintjes te rijden en vindt dat helemaal niet erg. “Het herstelt zich wel vanzelf,” zegt hij dan.
Zo kan ik nog uren doorgaan met aan te tonen hoe verschillend wij wel zijn. En toch zijn we binnenkort vijfentwintig jaar gehuwd en kennen we elkaar al meer dan achtentwintig jaar. We zijn ook niet van plan daar verandering in te brengen. Integendeel, we willen nog eens vijfentwintig jaar en zelfs meer eraan breien, als het God belieft. We zijn ondertussen ook wel naar elkaar toe gegroeid: hij ruimt nu al eens gemakkelijker op, ik laat al eens gemakkelijker iets liggen en kijk ook al eens over wat wanorde heen. Zo gaat dat bij veel echtparen, denk ik.
En straks als het weer voorjaar is, halen we allebei het beste uit onszelf naar boven om alles weer gezaaid en geplant te krijgen. Hij ploegt, plant en zaait en ik leg het zaai- of plantbed klaar. En in diezelfde periode moeten ook weer alle paperassen netjes op tijd ingevuld en verstuurd worden. Wij zijn – net als Sofie en nog vele anderen – bij de gelukkigen die een bemestingsplan en -register moeten bijhouden voor de Mestbank. Gelukkig hebben we geen boete. Ik mag er niet aan denken tot welke agitatie en stresstoestanden dit weer zal leiden, om mijn man zo ver te krijgen dat hij alles invult. Zoiets stelt hij zo gemakkelijk uit, om op het laatste nippertje alles toch in orde te brengen. Ik loop er dan bij als een opgewonden, gestresseerde kip terwijl dat toch absoluut niet nodig is, volgens hem. En uiteindelijk heeft hij wel gelijk.
Maar samen hebben we drie leuke, gezonde kinderen. Misschien toch best dat we allebei zo blind waren destijds!

– Bernadette Jonckheere

februari 1, 2008

There is no business like boerenbusiness

Filed under: Bernadette Jonckheere — melkbrigade @ 9:06 pm

Zoals ik al vroeger geschreven heb, verblijft onze tweede dochter, Charlotte, voor haar studies al sinds september in Salamanca (Spanje) en we hadden ons vast voorgenomen om haar eens te bezoeken op het einde van het jaar. Het liefst waren we begin november geweest, omdat de kalkoenen dan nog niet al te groot zijn en niet zo veel bijgestrooid hoeven te worden. Kwestie van de thuisblijvers wat te sparen. Maar in november lukte het niet, onder andere door de bloemkolen. Het was bijna december eer we ze geoogst hadden en dan nog in vijfendertig keren. Man, wat kan dat tegenstaan als het zo lang aansleept en bovendien is het dan ook kostelijk omwille van de daguren, de brandstof enzovoort. We konden erdoor blijven rijden. Voor de fabrieken was het natuurlijk ook lastig, maar ik vrees dat ze niet beseffen dat het voor de boer helemaal geen pretje is. Maar wat doe je er aan. Het weer kunnen we dus nog altijd niet commanderen, zo blijkt.
Charlotte, die we geregeld bellen via Skype (dus met de computer) en ook in beeld zien, had dan zelf maar de knoop doorgehakt en een datum vastgelegd waarop we op bezoek zouden gaan. En ze had meteen de vliegreis geboekt en betaald. Allemaal via de computer en met ‘onze Visakaart’. Wij zijn volslagen leken op dat gebied. Ik had toegezegd met gemengde gevoelens, want in mijn achterhoofd zag ik weeral een boel doemscenario’s opduiken. Vooral de knolselder lag op mijn lever. We hadden er nog bijna geen geleverd aan de fabrieken. Ja, die laten eerst alle andere groenten voorgaan en het stiefkindje is dan de knolselder.
Wat ik vooraf gevreesd had, werd dus ook waarheid. Het begon eerst te regenen — veel te regenen —en dan te vriezen, harder te vriezen dan ze voorspeld hadden! En de knolselder stond nog op het land. Die maandag tijdens het eerste vriesweer hebben we nog een boel knolselder gerooid en we mochten onmiddellijk beginnen leveren. Oef, die waren gered. Van één fabriek kregen we echter de (slechte) raad dat we de knolselder beter konden laten staan. Bernard durfde die dus niet te rooien. Toen het moment van het vertrek naar Spanje naderde, begon het te dooien en hij wilde niet meer mee op reis. Lap, daar was mijn doemscenario: mijn man bleef thuis om te redden wat er nog te redden viel, Op zo’n ogenblik kan ik echt wel sakkeren op de boerenstiel. ‘There is no business like boerenbusiness.’ Je kan zo moeilijk iets vooraf regelen, want alles kan altijd in het water vallen. Onze buren hebben zo eens een geboekte vliegtuigreis naar Amerika moeten laten schieten door dat verdomde Belgische weer. Gelukkig vond ik snel een andere kandidaat-reiziger, namelijk mijn oudste zus. Honderd euro kostte het me om het vliegticket van naam te laten veranderen. (Bijna meer dan de reis zelf) Ik heb het voor één keer niet aan mijn hart laten komen en mijn man thuis gelaten.
Bernard voerde ons de donderdagmorgen naar de luchthaven van Charleroi. Om 12 uur landden we al in Madrid. Daar wachtte ons een blij weerzien met de dochter, die nog geen haar veranderd is (behalve haar haren, die een flink pak gegroeid zijn!). Samen moesten we nog tweemaal de metro nemen onder Madrid (toch wel eens aan de terreuraanslag gedacht, daar diep onder de grond), nog een lange busreis en een fikse wandeling en we waren om 18 uur in haar appartementje.
Doodmoe, reizen is dus lastiger dan werken.
Omdat Salamanca bergachtig is, hebben we nogal mogen sleuren aan de valiezen (gelukkig hebben die wieltjes tegenwoordig) in die steile straten. Enja, onze fysiek is ook niet meer wat hij ooit geweest is.
Tijdens de busreis naar Salamanca reden we door landbouwgebied. We kwamen langs heel veel pas gezaaide tarwevelden. Soms zagen we wat weiden met koeien en gebouwen, maar het was net of er geen woonhuis bij was. Verder stond er daar eind vorig jaar ook nog heel veel mais. Er waren een paar ronden afgereden, en de rest stond er nog. Blijkbaar kunnen ze de maïs daar laten drogen op het veld. We zagen onderweg ook nogal wat beregeningsinstallaties en landbouwwerktuigen die midden de velden stonden terwijl er in de verste verte geen boerderij te bespeuren was.
Salamanca zelf is heel mooi. Heel veel oude gebouwen, maar jammer genoeg overal en op alles graffiti. Dat is heel spijtig de jeugd heeft er blijkbaar geen respect voor al dat moois, ‘s Middags zaten we op de Plaza Major een ijsje te lepelen in volle zon, dicht bij een grote kerstboom. Dat was nogal wat anders dan mijn ventje die in de Ieperse klei aan het zwoegen was of zat te zweten in zijn kalkoenenhok.
De dochter spreekt nu al van na haar studies een jaar in Mexico te gaan werken. Benieuwd of ze dat voor elkaar krijgt en of het ons dan zal lukken om haar eens samen te bezoeken.

— Bernadette Jonckheere–

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.