Mijn dagboeken in Boer & Tuinder

oktober 1, 2010

Duurzaam leren werken

Filed under: Carine Cornu — melkbrigade @ 9:36 pm

En? Afgelopen zondag voldaan aan je vaderlandse plicht en gaan stemmen? Wij ook, natuurlijk. Onze kinderen zijn er een pak meer in geïnteresseerd dan wij op die leeftijd. Toen ik hen zondag dus vroeg of zij geen tip hadden voor een onderwerp voor mijn dagboek, kwamen ze al snel op de proppen met het thema ‘verkiezingen’. Dat heb ik nog sneller afgeblokt met ‘te saai’, maar daarmee heb je natuurlijk nog geen onderwerp. De tijd loopt, en je hersens werken op volle toeren op zoek naar een onderwerp. Geregeld flitsen die verkiezingen toch weer eens voorbij, tot je erover begint na te denken dat er enerzijds wel wat gelijkenissen zijn tussen ons, boeren, en de politici. Aan de andere kant kunnen ze heel wat leren van ons, landbouwers. Even daarover doorbomen, dat zag ik dus wel weer zitten. Hier volgt dus een relaas van mijn gedachten.
Boeren krijgen net als politici niet altijd loon naar werken. Voor ons is het voornamelijk op financieel vlak dat de beloning het een beetje (veel soms) laat afweten, bij politici is het vaak meer de appreciatie voor al het gedane werk die ontbreekt. Het zijn nu eenmaal niet altijd de hardste werkers die het meest geapprecieerd worden. We kennen dat, het is ook niet op de momenten dat je het hardst werkt dat je daarom het meest verdient. Maar het verschil tussen ons en de politici is dat zij de stekker uit de regering trekken als ze het niet meer zien zitten – met het alom bekende gevolg. Voor ons, landbouwers, is dat natuurlijk een stuk moeilijker en gaan daar wellicht heel wat slapeloze nachten aan vooraf. Je vecht voor je bedrijf tot de laatste snik. Het is je levenswerk, en iedereen ziet dat graag voltooid – ook al is het nooit af. Misschien een ideetje voor de politici om van iedere regering een stukje levenswerk te maken dat ze o zo graag zouden voltooien.
En dan was ik er zo ongeveer met de grote gelijkenissen. Voor de rest had ik vooral de indruk dat zij heel veel kunnen leren van ons, want wij hebben door hen al met heel veel dingen moeten leren omgaan. Neem nu de term ‘duurzaamheid’ – voor ons allang geen ijdel begrip meer. We hebben dat stilaan leren invullen op allerhande vlakken. Ik spreek dan vooral voor de sectoren die ikzelf ken, namelijk de melkveehouderij en de zeugenhouderij. Stap voor stap proberen we te gaan voor duurzamere koeien en zeugen. Dieren die langer kunnen meegaan, dat is goed voor ons en onze portemonnee. Maar dat is ook goed voor alle andere normen die ze ons opleggen rond milieu, dierenwelzijn enzovoort. Ook wat onze investeringen betreft, proberen we graag wat verder vooruit te kijken dan enkele jaren. Een duurzame investering start met een goed doordachte investering die heel wat jaren haar dienst kan bewijzen. Een investering die een hele tijd meekan, eentje die klaar is voor de toekomst. Het zit ons dan ook niet altijd mee wat de wetgeving betreft. Probeer maar eens duurzaam te investeren als de normen die in de wetgeving gesteld worden om de haverklap wijzigen.
Zou het voor de komende regering – wie er ook de scepter zwaait – niet eens het moment zijn om werk te maken van duurzame wetten? Als een van onze politici dat begrip nu eens zou lanceren, wordt het misschien nog een hype. Alleen nog duurzame wetten voorstellen, het zou weer eens wat anders zijn. Dan zijn wij verlost van een heleboel onzekerheid en kunnen we ons bedrijf eens wat gemakkelijker richten op een ietwat verdere toekomst. Het zou onze algemene economie ten goede komen, een argument dat kan tellen in een postcrisistijdperk.
Och ja, ik weet het wel: de meeste politici zijn kortetermijndenkers. Maar dat langetermijndenken kan je leren. Ze kunnen misschien wat geld steken in een cursus daarrond, in plaats van te pas en te onpas allerhande commissies op te richten. Misschien ook zouden we hen wat minder vaste wedde moeten geven, met een bonus als ze op een duurzame manier hun termijn uitdoen – terwijl ze ook al een beetje voorbereiden dat er in de volgende regering misschien iemand anders op hun stoel zal zitten. Het zou in elk geval al een goede stap zijn op de weg naar een duurzaam beleid. En wie weet wordt het ooit wel wereldnieuws, een krant die bloklettert: “België boert goed met een duurzaam beleid.” Het zou toch mooi zijn, misschien wel te mooi om waar te zijn. Ook al is dromen leuk, het is waarschijnlijk een pak realistischer om te denken dat ze wel weer wat zullen aanmodderen. En als het hen ook dit keer niet lukt, dan trekken ze wel weer de stekker uit de regering.
-Carine Cornu-

september 25, 2009

Vreemde koeien

Filed under: Carine Cornu — melkbrigade @ 12:00 am

De zomer is voor ons nog altijd vakantietijd. We doen wel al het werk dat we willen doen – en dat is op sommige dagen best wel wat – maar het ritme ligt toch net iets anders. Dat heeft natuurlijk alles te maken met onze schoolgaande kinderen. Daarnaast is de zomer bij ons ook elk jaar een komen en gaan van slapers, voornamelijk van de familie. Nu ben ik hier wel al het moeilijkste door, omdat degenen die komen slapen eigenlijk allemaal hun plan kunnen trekken wat kledij betreft. Mijn deel bestaat er vooral nog uit om op tijd en stond voldoende eten op tafel te krijgen. Voor de rest probeer ik toch maar niet te veel op de slaapkamers te gaan kijken, want dat durft wel eens op een ravage te lijken. Ondertussen heb ik wel al geleerd dat het helpt om hen een wasmand te geven om hun vuile kleren in te doen, dan hoeven we die op de laatste dag enkel nog in een zak te steken. Dat vinden de kinderen best gemakkelijk en eigenlijk de moeders ook, want de propere kleren en vuile was raken niet door elkaar.
Nu hebben we deze zomer echt wel enkele leuke dingen gedaan. Heel in het begin van de vakantie hebben we ons ‘uitwisselingsproject’ gehouden. Dat kwam er eigenlijk op neer dat we al de kinderen van de kant van mijn man – en dat zijn er best heel wat – hadden herverdeeld volgens leeftijd en geslacht. Voor de kinderen bleek dat fantastisch, want dat betekende dat ze eindelijk eens een paar dagen konden doorbrengen met leeftijdsgenoten, zonder last van broers of zussen. Voor ons was dat eigenlijk ook wel plezierig. Wij kregen vier meisjes, waaronder onze eigen dochter. Dat is toch wel heel iets anders dan drie zonen en één dochter. Er werd heel wat meer afgebabbeld en de badkamer was heel wat meer uren bezet. Snel iedereen klaar om ergens naartoe te vertrekken is dan niet zo evident. Maar als je ’s avonds in huis komt en ze staan klaar met een aperitiefje en een dessertbordje, dan is dat toch echt iets om van te genieten.
Wat later in de zomer kwamen er nog eens drie kinderen slapen, van Geert zijn zus. Zij zijn de enigen in de familie (aan Geerts kant) die thuis geen landbouwbedrijf hebben. Het meisje heeft het niet direct op de boerderij begrepen. De zonen, negen en zes jaar, halen haar deel duidelijk in. Zij vinden het fantastisch om koe te spelen. Het komt er dan op neer dat er één de boer speelt en de rest zijn de koeien. Wat is er dan fantastischer dan in alle leegstaande stallen te kunnen rondlopen? Je hoort ze van een heel eind ver staan loeien. Of ze staan met hun hoofd door een voederhek en de boer moet dat weer los maken voor ze eruit kunnen. Niets zou hen beletten om er zo tussenuit te kruipen, maar wil het een beetje levensecht zijn, dan is het toch beter dat je dat met je hoofd doet. Een paar keer per dag zie je ze door de melkput gaan, want ja, koeien moeten gemolken worden. Na het melken doet de boer ze naar de weide en je ziet ze plots op de weide lopen. Ze blijven niet allemaal samen, maar verspreiden zich over de hele weide.
In het begin vroegen we ons wel eens af wat ze daar aan het zoeken waren. Maar dan bleek dat ze weer eens koe aan het spelen waren, en dat ze blijkbaar liepen te grazen. Ze gingen zo op in hun spel dat zelfs Bram (veertien jaar) mocht – of moest – meespelen. De ene keer eens als boer, en de andere keer als koe. De eerste ochtend was Bram in zijn bed blijven liggen, terwijl de andere jongens, zonder wekker, toch al vroeg wakker waren. De tweede ochtend vroeg de jongste aan Bram of hij hem niet mocht komen wakker maken, want ze gingen weer koe spelen. Bram heeft gelukkig genoeg fantasie en hij vond dat geen probleem. Het gevolg was dat er die ochtend al om zeven uur volop bedrijvigheid was in de stallen. Niet alleen wij liepen er rond, maar ook de kinderen waren alweer koe aan het spelen.
’k Moet zeggen dat we er meer dan eens naar hebben staan kijken. Het was in elk geval een mooi schouwspel. En dan beseffen we weer ten volle dat we volop moeten genieten van die mooie momenten, want de kans is groot dat dat over enkele jaren voor ons verleden tijd zal zijn.
Toen we later aan hun ouders het hele verhaal vertelden, herkenden ze dat ogenblikkelijk. Ook thuis blijkt dat hun favoriete spel; inspiratie daarvoor doen ze op bij ooms en tantes op de boerderij. Wat hun buren daarvan maken, dat zullen we waarschijnlijk nooit weten, maar hopelijk hebben ze genoeg fantasie om er met de glimlach het hunne van te denken.
En zo was het al eens een komen en gaan van kinderen. De ene keer hadden we één of twee kinderen aan tafel, en enkele dagen later acht. Het mooie weer hielp natuurlijk wel een handje om het allemaal leefbaar te houden. Op het einde van de vakantie bleek dat nog niet alles op de planning van ‘komen slapen’ en ‘gaan slapen’ ook echt is kunnen doorgaan. Dus ook volgend jaar belooft de grote vakantie weer te kort te zijn.
– Carine Cornu

juli 3, 2009

Koeien in de wei

Filed under: Carine Cornu — melkbrigade @ 10:28 am

Het klinkt voor velen onder jullie allicht bekend in de oren. Een zalige, zomerse zondagnamiddag. Wat later dan gewoonlijk naar huis gekomen van een feestje … en dan moet je nog aan het werk beginnen. Eén probleempje hebben we enkele jaren geleden al aangepakt. De koeien lopen gewoonlijk op een weide waar we met de auto voorbijrijden. Daar zetten we enkele van de kinderen af en zij kunnen de koeien zo meebrengen naar huis. Tegen dat wij thuis zijn en de melkmachine gestart is, zijn de koeien en de kinderen thuis. Die weide heeft er ondertussen al enkele jaren haar naam aan te danken: de kinderen hebben haar de ‘zondagswei’ gedoopt.
Dat was dus de voorbije zondag niet anders, maar de kinderen zaten allemaal op hun blote voeten in de auto. Mijn man Geert bood aan om dit keer de koeien mee naar huis te brengen. Omdat we dan van plaats moesten wisselen om verder te rijden, vond ik dat ik dat eigenlijk net zo goed kon doen. Ik dus uit de auto gestapt, in een rok en met mijn zonnebril op. En dat bleek nu juist het probleem. De koeien keken hun ogen uit. Ze wisten echt niet welke verschijning ze daar plots zagen. In plaats van de koeien vlot naar huis te krijgen, bleven ze allereerst al rustig staan. Je kunt ervan op aan dat ik elke hoek van de wei heb gezien, telkens een koe ophalend die het nog bijlange na niet nodig vond om gemolken te worden. Als ik dan toch wat dichter in hun buurt kwam, dan stonden ze mij eerder te bekijken als een rariteit dan dat ze rustig richting stal zouden gaan.
Na een korte tijd dacht ik eraan dat ik mijn zonnebril nog op had. Het leek me toen een goed idee om die maar af te zetten. De koeien zouden mij misschien weer herkennen en eindelijk doen wat ze moesten doen – dus naar de stal gaan. Sommige koeien vonden blijkbaar de boerin in een rok ook een zeer zeldzame vertoning (het is dan ook niet mijn gebruikelijke werktenue) en ze vonden het nog steeds nodig om mij aan te staren. Uiteindelijk zijn ze toch thuis geraakt. En met het mooie weer was het voor mij al bij al toch wel een mooie wandeling.
De koeien van de wei halen als het mooi weer is, vind ik eigenlijk best een fijne bezigheid. Het is misschien omdat ik het niet dagelijks doe, dat ik er wat meer van kan genieten. Dikwijls sturen we de kinderen om de koeien, liefst met z’n tweeën. Ook al hebben ze er niet altijd evenveel zin in, voor hen is het eigenlijk alleen maar een wandeling. Als de koeien achter ons hof lopen, zie je zeker het volgende scenario. Eerst vertrekken de kinderen, al huppelend of zigzaggend. Na een hele tijd verschijnen de koeien. Vanuit de keuken zie ik ze naar huis komen, eerst druppelsgewijs en stilaan in een lange stoet. Allemaal mooi in het gelid, na elkaar. Een prachtig gezicht, maar voor mij ook het sein dat ik kan starten met melken.
Af en toe ga ik met één van de kinderen om de koeien. Zo ging ik op een avond de koeien halen samen met Marrit, onze dochter van 11. Ze liepen toen vrij ver van het hof en we moesten toch tien minuutjes stappen voor we aan de weide waren. Zo samen stappend heb je eigenlijk wel een mooie gelegenheid om eens te babbelen. Ik vraag me af en toe wel eens af of ze het erg vinden om op een boerderij geboren te zijn. Zij zien namelijk meer de nadelen, terwijl wijzelf en ook de anderen er de voordelen van inzien. Af en toe eens moeten helpen, is zo een van die grote nadelen als kind. En stilaan ging het gesprek dan ook die richting uit. Met de grote vakantie voor de deur vroeg ik mij af of ze niet liever had dat ik uit werken zou gaan, zoals zoveel mama’s. Ik zei er dan ook in één adem bij dat ik als ik thuis was wel wat meer tijd zou kunnen vrij maken voor hen. Ik zou ook al eens gemakkelijker kunnen helpen bij hun huiswerk. Zo somde ik vooral al de voordelen op van buitenshuis te werken. Ze had haar antwoord al snel klaar: “Maar je zou dan wel veel minder thuis zijn. Neen, laat ons maar op een boerderij wonen. Zo zijn jullie altijd thuis.” Dus blijkbaar gaat ze toch wel een zalige en onbezorgde vakantie tegemoet.

– Carine Cornu

mei 1, 2009

Voorjaarsperikelen

Filed under: Carine Cornu — melkbrigade @ 12:00 am

Bij ons in de polder verloopt het voorjaar opmerkelijk rustiger dan in het binnenland. Omdat wij in het najaar ploegen, hoeven we nu alleen nog te bemesten, klaar te leggen en maïs te zaaien. Dat bemesten wordt bij ons maar gedeeltelijk gedaan met een gewone aalton. In het vroege voorjaar proberen wij zoveel mogelijk te werken met een ‘sleepslangensysteem’. Dat wil eigenlijk zeggen dat er een darm rechtstreeks in de mestkelder wordt gestoken, met daaraan een zware pomp. Deze pomp stuurt de mest door die darm tot aan de tractor met injecteur op het land. Daar heb je natuurlijk iets grotere percelen land voor nodig, die niet te ver van je deur gelegen zijn. Het is toch wel een redelijk werk om alle darmen uit te rollen. Gelukkig zijn ze ondertussen steeds beter voorzien van het nodige materiaal om alles vlot te laten verlopen, zodat we ook daar weeral veel tijd kunnen uitsparen. Ligt de grond toch te ver van de mestput, dan wordt er een container gezet en wordt de mest aangevoerd. Het voordeel is dat je kan injecteren met weinig structuurschade op het land en dat het vrij snel gaat. Daar staat natuurlijk een kostenplaatje tegenover. Maar het feit dat er geen structuurschade is, vergoedt de meerprijs ruimschoots in de volgende teelt.
Elk jaar starten we zo vroeg mogelijk met het grasland op die manier te injecteren. Dat wil eigenlijk zeggen dat we bemesten vanaf dat het toegelaten is en het weer en de toestand van de percelen het toelaten. Omdat we toch een beetje rekening wilden houden met de interesse van onze jongste, stond het dit jaar voor ons gepland op een woensdag – zodat hij erbij kon zijn. Maar het weer wilde niet echt mee. Plots spraken ze al een beetje vroeger van regen en dat konden we natuurlijk missen. Geert heeft toen gebeld naar de loonwerker, een buurman, om indien mogelijk nog een beetje te vervroegen en al op maandag te injecteren. Gelukkig was er nog plaats vrij.
Dus maandagochtend rond acht uur kwam de loonwerker met twee tractoren en het nodige materiaal het hof op. Senne, onze jongste van acht jaar, ging zo rap als hij kon toch nog naar buiten om zoveel mogelijk in de buut van die tractoren te zijn vóór hij uiteindelijk naar school moest. Die eerste werken na een lange winter zijn nu eenmaal altijd heel interessant. Ten minste als er met de tractor iets moet gebeuren. En zeker als de loonwerker komt, want die zijn tractoren zijn groter en indrukwekkender dan de onze – ten minste voor hem toch.
Zo rond een uur of vier was al het grasland geïnjecteerd dat we wilden doen en ze reden met hun materiaal naar huis. Rond die tijd is ook de school uit, dus toen Senne thuiskwam was de loonwerker al weg. De ontgoocheling was navenant. Stampvoetend en behoorlijk kwaad liep hij door het huis. Ik trok hem even op mijn schoot – misschien is dat wel een voordeel van de jongste te zijn. Daar kalmeerde hij dan toch gedeeltelijk van, maar zijn boosheid was wel nog niet helemaal weg. Ertegenin proberen te gaan en hem proberen te overtuigen dat ze nog moesten terugkomen om op de tarwe te injecteren en dat ook het maïsland nog aan de beurt was, hielp allemaal niet. Je kent dat wel, meerijden op grasland is anders dan meerijden over de tarwe of op bloot land. Eigenlijk was hij gewoon niet voor rede vatbaar. En dan kwam het er uiteindelijk toch uit: “Ik had veel beter naar onze buurman geluisterd.” Ik wilde wel eens graag weten wat die buurman dan had voorgesteld. “Wel,” was zijn antwoord, “ik moest de school maar afgebeld hebben. En volgende keer doe ik dat.”
Uiteindelijk is alles nog goed gekomen. Na een tijdje is hij helemaal gekalmeerd. Hij heeft ondertussen al kunnen meerijden toen de tarwe bemest werd. Vorige zaterdag was het maïsland aan de beurt. Hij heeft zijn wekker gezet om vroeg genoeg op te zijn om te kunnen meerijden. Zijn huiswerk is er dit weekend bij ingestoken, maar je kan natuurlijk niet alles hebben. Voor één keer heb ik hem dan maar verontschuldigd. Ik had hem trouwens ook niet gevraagd om het te maken. Dat kan nu eenmaal gebeuren.
En nu is het hopen dat we deze week niet te veel regen krijgen, zodat we verder kunnen klaarleggen en mais zaaien. En hopelijk krijgen we daarna ook nog enkele uitzonderlijk mooie dagen, zodat ook het gras gemaaid kan worden en op een goede manier in de kuil gestoken kan worden.
Een nieuw seizoen is duidelijk begonnen. Na een te lange, koude winter zijn we er weer helemaal klaar voor. Laat die mooie, warme zomer nu maar komen.
– Carine Cornu

maart 20, 2009

Jong, jonger, jongst

Filed under: Carine Cornu — melkbrigade @ 9:29 pm

Het is alweer heel wat jaren geleden dat we geconfronteerd werden met de vraag: tot wanneer ben je eigenlijk jong? Stopt dat plots met ouder worden? Stopt dat met te trouwen, of hoe zit dat eigenlijk? Wel, het volgende voorvalletje bracht ons destijds in elk geval veel duidelijkheid.
Waar ik vroeger werkte, hadden we regelmatig stagiaires en ook dit keer was dat zo. We waren met die stagiair wat aan het praten over allerhande dingen. Uiteindelijk kwam de nieuwe uitbater van de schoolhoeve ter sprake. Natuurlijk waren we wel een beetje nieuwsgierig naar wie dat nu eigenlijk was. We wilden wel weten of we de persoon in kwestie kenden of ten minste er een gezicht op konden kleven. En zo kwamen we bij de vraag of het nog een jong iemand was. Wijzelf waren toen begin de dertig en we voelden ons nog behoorlijk jong. We stonden even paf toen we zijn antwoord hoorden, namelijk: “Oh ja, jong? Iets zoals jullie zeker?” En wij die dachten dat we toen nog bij de jonge gasten behoorden. Nadien konden we dat natuurlijk wel plaatsen, want voor iemand van zestien à zeventien jaar is begin de dertig behoorlijk oud, natuurlijk. Maar het was wel de eerste keer dat we zomaar met de neus op de feiten gedrukt werden: je blijft niet eeuwig jong.
Anderzijds merken we zelf soms ook dat de jaren hun tol wel eisen. En dan heb ik het namelijk over ons eigen recuperatievermogen. Zo merk je al heel goed dat je na een avondje stappen eigenlijk meer dan één nachtje nodig hebt om te recupereren en je opnieuw kiplekker te voelen. Of als het eens heel druk is geweest op het bedrijf en in het gezin, dan kan je er best tegen om eens een half dagje aan een heel wat lager tempo te werken. De al wat ouderen onder ons beloven ons trouwens dat dat met de jaren niet zal beteren. We zullen ons dan toch nog maar een beetje jong voelen, zeker?
Ondertussen zijn het onze eigen kinderen die er ons af en toe aan doen denken dat wij ook stilaan een jaartje ouder worden. Of, om het meer met hun woorden te zeggen: “We zijn niet meer altijd mee met onze tijd.”
En het meest van alles valt dat op als er weer eens een of ander elektronisch toestel in huis komt. Zolang we iets moeten aankopen voor ons bedrijf, dan doen we nog wel de moeite om te weten hoe het allemaal werkt en waarvoor het allemaal gebruikt kan worden. We laten ons vooraf uitvoerig inlichten en achteraf wordt het nodige uitgeprobeerd. Normaal ook, want het gaat meestal toch wel over een aanzienlijk bedrag. Maar als we letterlijk ‘iets in huis halen’, dan loopt dat eigenlijk toch wel anders. Dan zijn het meer de kinderen die zich daarover ontfermen.
Vroeger begrepen wij niet hoe het toch mogelijk was dat onze eigen ouders niet zo snel overweg konden met nieuwe apparaten – als het hen al lukte. Nu merken we dat het soms toch wel heel gemakkelijk is om het aan de jongere garde over te laten om uit te zoeken hoe die technische snufjes allemaal werken, en zelf enkel aan te leren wat je echt nodig hebt. Nog meer dan vroeger kunnen alle toestellen die je in huis haalt veel meer dingen dan wat jij er eigenlijk van vraagt.
Zo heb ik ondertussen geleerd dat een mp3-speler een interessant gebruiksvoorwerp kan zijn. Normaal gezien ben ik heel erg tegen het gebruik van zulke spullen. Maar zelf zie ik er ondertussen het nut van in, op bepaalde momenten dan toch. Je zal mij er zeer zelden mee zien rondlopen. Maar om biggen te castreren is het wel heel plezant. Dat werkje neem ik geregeld helemaal alleen voor mijn rekening, ten minste als het school is en ik geen hulp heb van de kinderen. Als ik dan toch alleen aan het werk ben – en het gaat bovendien nog over een vrij eentonig werk – dan kan een streepje muziek inderdaad voor wat verlichting zorgen. De biggen hebben er geen last van dat ik een beetje asociaal sta te doen en ze vinden het misschien nog een verzachtende omstandigheid dat ik af en toe probeer wat mee te zingen. Want ja, wat ik zoal op die mp3 heb staan, dat zijn – voor mij dan toch – overbekende liedjes die ik goed kan meezingen. En wat mijn oren betreft, ik denk niet dat die veel meer schade gaan oplopen van een mp3 in mijn oren, dan van het geschreeuw van biggen.
Maar je bent natuurlijk niets met een mp3-speler als er geen muziek op staat. En ook daarvoor is het handig om van die jonge gasten in huis te hebben. Zij vinden het helemaal niet erg als je vraagt om er nog enkele liedjes bij te zetten of er enkele te vervangen. Elke mogelijkheid om met de computer bezig te zijn, vinden zij best. En zo zie je maar, ook na zoveel jaren proberen we af en toe nog eens mee te zijn met onze tijd.

– Carine Cornu

november 7, 2008

Reorganisatie

Filed under: Carine Cornu — melkbrigade @ 12:00 am

Het was een idee dat al een tijdje rijpte. We zouden onze tuin eens reorganiseren. Enkele te groot geworden struiken uitdoen en hier en daar wat kleinere exemplaren bijzetten. We wilden ook de beplanting in de tuin een beetje verminderen, omdat in de tuin werken nu eenmaal niet een van onze specialiteiten is. Na rijp beraad over wat we wel en wat we niet zouden doen, zijn we vorig najaar en in de winter begonnen met heel wat struiken uit te trekken. Op een boerderij is veel materiaal voorhanden, dus dat konden we echt wel zelf doen. Tot daar geen enkel probleem. Het uitzicht werd er alleen maar weidser op en die natuurpracht konden we wel smaken. De wind waaide een beetje strakker, maar dat zouden we er wel bij nemen. Ergens eind maart, begin april zouden we het gazon herinzaaien en tegen dat het ooit zomer werd, zou onze tuin er heel anders uitzien.
Dat laatste is helemaal waar, maar het is nog niet geworden wat we eigenlijk voor ogen hadden. De beplanting aan de rand, die staat er ondertussen wel al; maar het gazon zelf, dat was een ander probleem. Het weer heeft (weeral) een beetje roet in het eten gegooid. Het is namelijk in maart nogal veel beginnen regenen, zodat we met de verreiker niet meer in de tuin konden. De tuin een beetje vlak krijgen – te groot geworden struiken durven wel eens een gat achterlaten als je die uittrekt – daar was helemaal geen sprake van, laat staan dat we nog maar konden denken aan gras zaaien.
Vermits het werk toch altijd moet voortgaan, kwam daarna de tijd van het landwerk. De maïs moest gezaaid en het gras ingekuild worden. Toen het weer eindelijk wat beter werd – en we eigenlijk zouden kunnen voortdoen in de tuin – ging het werk op het land natuurlijk voor. En voor wie het zich nog herinnert: alle werkzaamheden waren aan de late kant. Ondertussen was het al volop mei. Het is niet dat je dan geen gras meer kunt zaaien, maar wij rekenden op een stralend mooie en droge zomer en hadden geen zin om elke dag ons gazon te moeten besproeien. Het vervolg laat zich raden. Het gazon lag er kapot gespoten en omgewoeld bij. Het onkruid heeft welig getierd deze zomer. En van een mooie en nieuw aangelegde tuin was helemaal nog geen sprake.
Nu was er wel één iemand die dat helemaal niet erg vond – voor zover wij dat al een probleem vonden. Want kan je je nu een mooiere en grotere zandbak voorstellen dan je eigen tuin, en dan nog wel met echte aarde? Dat je daar een beetje vuiler van wordt dan van te spelen in rijnzand, dat is toch maar een bijkomend probleempje. Dus Senne heeft zich deze zomer kostelijk geamuseerd met zijn speelgoedtractoren in de tuin. Hij kreeg daarbij geregeld hulp van vriendjes en neefjes die kwamen spelen. Af en toe leek het op een echte bouwwerf, met het aan- en afrijden van tractoren, met kranen en bulldozers in actie. Elke avond zag je de hoop aarde een beetje groter worden en was de ‘gracht’ die ze aan het graven waren weer een beetje dieper.
Af en toe vonden ook Arne en Bram het niet erg dat er nog geen gazon lag – vooral als zij het gras dat we nog wel hebben, moesten maaien. Het scheelde toch wel een heel pak in het werk dat de tuin niet gemaaid hoefde te worden – een werkje dat toch elke week terugkomt.
In de loop van de zomer hebben we wel de rand van het gazon al van een steentje voorzien. Het is dus niet dat we stilgezeten hebben. De bedoeling was om ergens eind augustus, begin september het gazon in te zaaien. De nodige regenbuien gooiden onze plannen letterlijk in het water.
Ondertussen is alles gerotord en zie je van Senne zijn werkzaamheden niets meer. We hebben wel al een ‘vlak’ uitzicht, maar van zaaien is nog niet veel terechtgekomen. Oktober is bij ons vooral een maand met veel landwerk. De tarweoogst was bij ons weer eens een keertje aan de late kant, vooral het stro. En dan wil je ook nog een laatste keer maaien. En bij ons moet alles voor de winter geploegd zijn; dat hebben we graag gedaan tegen eind oktober. Daartussen komt dan ook nog in de loop van oktober het zaaien van de wintertarwe. Dus oktober is voor ons gewoonlijk een maand waarin we zo wel al weten wat gedaan, waarbij ik steeds vind dat het een rit tegen het weer is. Want als het weer omslaat, dan wordt het er nu eenmaal niet meer droger op. We hebben op dat moment dus heel wat dingen aan ons hoofd, laat staan dat we ons zorgen gaan maken over een gazon dat niet tijdig gezaaid raakt.
We hebben onze plannen dus weer een beetje bijgesteld. Volgend voorjaar zal het er hopelijk wel van komen. Geduld is nu eenmaal een schone deugd.

– Carine Cornu

september 12, 2008

Vogelverschrikkers

Filed under: Carine Cornu — melkbrigade @ 12:00 am

Oudenburg doet mee aan de Maand van het Platteland. Het lijkt dat de Landbouwraad, KVLV, de Landelijke Gilde en nog enkele plaatselijke verenigingen daar een heel programma voor op het getouw hebben gezet, maar eigenlijk hebben ze vooral al de activiteiten die in verband staan met het platteland gebundeld in één programma. Daar hebben ze dan een tweetal dingen aan toegevoegd. Het hele programma vind je op www.oudenburg.be .
Vooreerst hebben ze een vogelverschrikkerswedstrijd uitgeschreven. Het is de bedoeling om zoveel mogelijk mensen, verenigingen, groepjes jongeren of wie dan ook een vogelverschrikker te laten maken en die dan langs een parcours uit te zetten. Dat parcours kan je met de fiets of met de auto rijden. Mensen die de route doen, kunnen de vogelverschrikkers punten geven en zo zal er een winnaar gekozen worden. Daarnaast is er ook nog een jury die prijzen zal geven.
Ikzelf ben geen lid van de Landbouwraad, maar Geert – mijn man – is dat wel. Toen hij thuiskwam met dat idee, had ik er vooral mijn twijfels over dat zoiets wel zou kunnen slagen. Maar ja, ik hoefde mij er uiteindelijk niet mee te moeien. We zouden er zelf wel eentje proberen te maken. Kwestie van toch een beetje steun te verlenen.
Dat was dus allemaal in het voorjaar. Aan kinderen hadden we er nog niet te veel over gezegd dat we in de zomer zouden proberen om een vogelverschrikker in elkaar te steken. Dat waren problemen voor later. Maar ja, die zomer was er dus veel vlugger dan we dachten. Om hen toch een beetje aan het denken te zetten over hoe we dat allemaal best voor elkaar zouden krijgen, liet ik hen het foldertje zien dat uiteenzette wat eigenlijk de bedoeling van de wedstrijd was. Het was vooral Bram, 13 jaar en de tweede in de rij, die erover begon na te denken en die met een heleboel ideeën afkwam. Het ene idee was al bruikbaarder dan het andere natuurlijk. Af en toe begon hij zelfs al eens wat materiaal bijeen te zoeken. Zo vond hij nog een oude koersfiets en hij was er vast van overtuigd dat zijn vogelverschrikker op een fiets zou zitten. Niet zo evident natuurlijk.
Veel te snel kwam die laatste week van de vakantie eraan. De vogelverschrikkers moesten klaar zijn tegen 1 september en dus moest het toen wel gebeuren. Uiteindelijk ben ik met de kinderen donderdagavond op zolder in de oude verkleeddoos gedoken om eens te zoeken wat we die vogelverschrikker zouden kunnen aantrekken. Van daaruit beginnen werken, leek mij toch iets gemakkelijker. En plots kreeg Arne, de oudste, daar een skipak in het oog. Hij zou er een skiër van maken in plaats van een wielertoerist. Maar Bram week geen duimbreed van zijn idee met de fiets; hij moest en zou een vogelverschrikker op een fiets zetten. Er restte dus maar één oplossing: er elk eentje maken.
En zo begonnen ze de volgende morgen met goede moed aan hun vogelverschrikker. Bram had wel kledij gevonden maar had die liever in een ander kleurtje, dus werden er een heleboel verfpotten bovengehaald. Er werd getimmerd, geboord, gezaagd … Het was heel plezant om ze zo bezig te zien en zo te zien werken aan hun vogelverschrikker. Met ’s avonds nog een beetje hulp, begonnen ze toch stilaan op iets te lijken.
Eigenlijk moet ik toegeven dat die wedstrijd toch wel een succes is. Over Oudenburg verspreid zijn er 66 vogelverschrikkers te bewonderen. We zijn vast van plan om zelf ook eens de route eens rijden; we wachten alleen nog wat op mooi weer. En je mag er zeker van zijn, er zitten enkele prachtexemplaren tussen.
Daarmee is de Maand van het Platteland nog maar op gang getrokken. De Landbouwraad en al die plattelandsverenigingen hebben nog een ander prachtig initiatief gepland. Op 21 september is er bij ons een tractorwijding, waar groot en klein zijn tractor kan laten zegenen. Liefst is de tractor versierd en de bestuurder verkleed. Wie weet, zitten er wel een paar prachtexemplaren tussen!
– Carine Cornu

juni 20, 2008

Over stro en zagemeel, katten en nitraat

Filed under: Carine Cornu — melkbrigade @ 12:00 am

Onlangs had ik een niet onaangename woordenwisseling met Arne, net 14 jaar. Hij had een dommigheidje begaan en ik antwoordde hem al lachend met ‘Boerke Van Hecke’. Spraakvaardig als hij is, moest hij helemaal niet naar zijn woorden zoeken. Hij antwoordde mij dat hij geen boer was en het waarschijnlijk ook nooit zou worden. En daar had hij wel een punt, want zijn interesse in de boerderij reikt niet verder dan de zuiver technische en economische kant van de zaak. Hij ging nog verder met zijn betoog. “Trouwens,” zei hij, “ik ben wel de zoon van de manager van een agrarisch bedrijf.” ‘k Moet zeggen dat die titel mij wel aansprak en ik vroeg hem dan ook of hij zich volgend schooljaar – hij start dan in het derde jaar middelbaar – op die manier ging ‘verkopen’ op school. “Natuurlijk”, was zijn antwoord. “Zeg nu zelf, dat klinkt toch wel veel beter dan zoon van een landbouwer?” Ik kon dat enkel beamen en dacht er bij mezelf bij dat hij eigenlijk veel dichter bij de waarheid was dan velen denken. ‘k Hoop alleen dat hij er enige trots voor zijn roots aan overhoudt.
En dan begin je wel eens te denken aan de ‘probleempjes’ waarmee landbouwerskinderen zoal te maken krijgen in hun schoolloopbaan. Zo kende ik er wel een paar die een van onze kinderen waren tegen gekomen. Ik moet wel zeggen dat Senne, de jongste van zeven, dan echt de kroon spant. Hij kwam een tijdje geleden heel verontwaardigd thuis. Hij zit momenteel in het tweede leerjaar en juf Mieke, de juf van de derde kleuterklas, had hem op de speelplaats gevraagd waar de koeien op slapen. Senne had waarheidsgetrouw geantwoord dat onze koeien sliepen op zagemeel. Juf Mieke had gezegd dat dat niet waar was en dat de koeien sliepen op stro. Daarop had Senne weer verontwaardigd gezegd dat onze koeien wel stro eten. “Ha ja”, zei hij, “onze droogstaande koeien eten toch stro.”
Nu ken ik juf Mieke al ettelijke jaren en weet ik dat zij, net zoals de andere juffen van de school, behoorlijk positief staan tegenover landbouw. Op het laatste schoolfeest confronteerde ik haar dan ook al lachend met de verontwaardiging waarmee Senne thuis zijn verhaal had gedaan. En zo kwam de ware toedracht van het verhaal uit. Juf Mieke wilde eigenlijk wel eens testen hoe goed de zogenaamde ‘leerstof’ die ze kinderen bijbracht in de derde kleuterklas blijft hangen in de volgende jaren. Omdat ze elk jaar wel op boerderijbezoek gaat en dan ook het verschil tussen hooi en stro probeert uit te leggen, wilde ze eens even nagaan of haar gastjes dat verschil in het eerste of tweede leerjaar ook nog kenden. Ze had dus op de speelplaats een willekeurig kindje van het eerste leerjaar bij zich geroepen en had gevraagd waar de koeien op slapen. Dat kindje bleef haar het antwoord schuldig. “Och”, dacht ze, “ik zal het even vragen aan eentje dat op een boerderij woont. Die zal het wel weten.” En zo was ze bij Senne terechtgekomen. Vermits onze koeien niet op stro slapen, kreeg ze van hem dus een heel ander antwoord. Ik heb haar al lachend gezegd dat het nog een geluk was dat ze niet gevraagd had wat de koeien eten. Waarschijnlijk had ze dan een antwoord gekregen in de zin van: voordroog en maïs en pulp en draf en zo en dat doen we dan met de verreiker in de voederkar en dan geven we het aan de koeien. En wat had ze daar dan mee moeten aanvangen? Ondertussen is de relatie tussen Senne en Juf Mieke allang terug in ere hersteld. Gelukkig maar.
Ik ging in gedachten nog een beetje verder terug en herinnerde me nog een voorvalletje dat Senne tegenkwam bij diezelfde juf Mieke in de derde kleuterklas. Ze waren aan het ‘leren’ over de huisdieren; juf Mieke vertelde aan de kindjes dat de poes een huisdier is. Voor de meeste kindjes is dat een heel evidente zaak, maar voor Senne lag dat iets moeilijker. “Juf”, zei hij, “onze poezen dat zijn geen huisdieren. Onze poezen die mogen niet in huis komen. Die moeten buiten blijven bij ons thuis.” En probeer dan als juf maar eens aan een vijfjarige uit te leggen dat katten toch huisdieren zijn, ook al mogen ze niet in huis komen. ‘k Moet zeggen dat dat ons tot op heden nog altijd niet gelukt is.
Als ik dan nog even doordenk, dan was er dit voorjaar nog een voorvalletje met Bram, 13 jaar en eerste middelbaar. Zijn klas had in de aardrijkskundeles geleerd dat de nitraatverontreiniging vooral van de landbouw afkomstig was. Natuurlijk waren wij het niet eens met zo’n uitspraak en probeerden wij Bram uit te leggen dat ook de industrie en de gezinnen er hun deel in hadden. We vertelden hem ook welke inspanningen de landbouw de laatste jaren al gedaan had. We vroegen hem om dat ook eens aan zijn leraar uit te leggen, maar dat zag hij helemaal niet zitten. Ook het voorstel om de leraar eens te laten bellen om een extra woordje uitleg te geven, viel niet in goede aarde. Alles is dus bij het oude gebleven.
Zo zou ik misschien nog wel wat door kunnen gaan. Misschien hebben jullie ook allemaal jullie verhalen. Gewoon fijn om ze weer eens uit de oude doos te halen.
– Carine Cornu

april 25, 2008

Tijd voor actie

Filed under: Carine Cornu — melkbrigade @ 12:00 am

Afgelopen vrijdag werd er in West-Vlaanderen actie gevoerd. Het draaide hem allemaal rond de voedselprijzen. We gingen niet betogen, maar gewoon actie voeren: de mensen even laten weten waar wij mee bezig zijn. Een hele week lang werden we gevraagd – vooral via e-mails – om toch zeker aan de actie mee te doen. Je kan al raden dat de tijd van het jaar niet echt bevorderlijk is om in groten getale aanwezig te zijn. Uiteindelijk waren we toch met een twintigtal land- en tuinbouwers (en -sters).
Bij ons was de keuze op mij gevallen, omdat ik mij die vrijdagmiddag het gemakkelijkst kon vrij maken. Ik geef toe dat ‘actie voeren’ nu niet mijn favoriete bezigheid is, maar voor het goede doel doe je al eens iets wat je anders niet zou doen. Toen ik aankwam in Roeselare – waar we verzamelden om daar ook actie te voeren – was ik al blij dat ik wat bekende gezichten zag. Er waren blijkbaar nog enkele vrouwen gekomen; achteraf bleek dat het bij hen om dezelfde reden was als bij ons: de vrouw kon het gemakkelijkst weg die namiddag. Ik bleek ook niet de enige te zijn die niet dolenthousiast aan de actie begon. De meesten gaven schoorvoetend toe dat ze dat eigenlijk niet zo graag deden. Maar ja, het is toch wel belangrijk en iemand moet het doen.
Wat stond er die namiddag eigenlijk op de planning? De bedoeling was om de consument even wakker te schudden. De media strooien van tijd tot tijd de boodschap rond dat alle basisproducten in de voeding alsmaar duurder worden. Niets is minder waar trouwens. Maar als je er dan ook nog bij vertelt dat dit is omdat de grondstoffen altijd maar duurder worden, dan is de link met de landbouw niet ver weg natuurlijk. En daar komt het probleem. Verschillende sectoren binnen de landbouw hebben het momenteel moeilijk omdat de prijzen veel te laag liggen. De bedoeling van de actie was enkel om dat duidelijk te maken aan de consumenten. Gewoon even zeggen dat wij niet diegenen zijn die zich rijk maken met die hoge voedselprijzen.
We zochten dus een zo groot mogelijke groep consumenten, kort bij elkaar. En waar vind je die beter dan aan de ingang van een grootwarenhuis? We viseerden geen enkele supermarkt; we zouden telkens met een groepje verschillende winkels bezoeken. Met een toch wel klein hartje trokken we met ons groepje van een vijftal mensen richting Aldi. Eens we hadden post gevat aan de ingang liep alles vrij vlot. Tot we een tien minuutjes later plots de gerant van de winkel op bezoek kregen. Ook al waren ze vooraf op de hoogte gebracht van de actie, toch bleken we niet welkom te zijn en we werden weggestuurd. Daar gingen onze namiddag en onze actie.
Maar niet getreurd want er is meer dan één Aldi in Roeselare. We zouden het bij de andere ook nog eens proberen en ons dan wat meer op de vlakte houden. We zouden niet vlak bij de ingang staan, maar de klanten proberen aan te spreken bij hun auto, voor of na het winkelen. En dan sta je daar zomaar wildvreemde mensen aan te spreken. De reacties die we kregen waren ronduit positief, op enkele uitzonderingen na. Zo sprak ik met verschillende vrouwen – want we hadden vooral vrouwen als aanspreekpunt – die er zich heel goed van bewust waren dat de landbouwers te lage prijzen krijgen voor hun producten, zeker als je daar de verkoopprijs in de winkel tegenover zet. Je hebt dan natuurlijk ook meer uitgesproken verhalen. Zoals die ene boom van een man, die ronduit geschrokken was hoe klein ons aandeel in de prijs eigenlijk is. Voorovergebogen om toch een beetje op mijn hoogte te geraken, vroeg hij zich af waar al die rest van de prijs dan naartoe ging. Omhoog kijkend probeerde ik hem zo goed en zo kwaad als het ging de verschillende tussenstappen uit te leggen. Dan heb je toch wel het idee dat je er niet voor niets hebt gestaan.
Zo’n namiddag op een parking gaat soms ook een eigen leven leiden. Ik geraakte bijvoorbeeld aan de praat met een ouder koppel dat met autopech op de parking stond te wachten op de garagist. Toen die garagist toekwam, was dat gesprek vlug gedaan natuurlijk. Blijkbaar zat enkel het stuurslot vast. Om dat vlot los te krijgen, had de garagist zijn eigen autosleutels neergelegd op de mat in de auto van dat oudere echtpaar. Het euvel was snel verholpen. Terwijl ze met zijn tweetjes van de parking aan het wegrijden waren, kwam de garagist tot de conclusie dat zijn autosleutels op de grond lagen … in de wegrijdende auto. Daar sta je dan als garagist, hulpeloos, met een auto maar zonder autosleutels. En zo werd ik weer het aanspreekpunt. ‘k moet zeggen, zo’n verhaal geeft weer wat kleur aan een verkleumde namiddag.
Om de actie helemaal af te ronden, kan ik jullie allemaal misschien een goede raad geven. Surf eens naar http://www.voedselprijzen.be. Nog het liefst met het kassaticket van je laatste aankopen bij je. Je zult af en toe versteld staan van het resultaat.

– Carine Cornu

februari 29, 2008

Een avondje stappen

Filed under: Carine Cornu — melkbrigade @ 12:00 am

Een eerder frisse avond in januari.
Ik was alleen thuis met de kinderen; Geert was naar een vergadering. De kinderen lagen allemaal al in bed en ik wou die avond ook eens een beetje op tijd gaan slapen. En als ik alleen thuis ben en er staan koeien op kalven, ga ik nog even naar de koeien kijken voor ik dan ga slapen. Maar de koe had al in de namiddag gekalfd, dus kon ik recht mijn bed in, zonder eerst nog de kou te trotseren. Ik lag maar pas in bed en begon juist in te dommelen, toen ik plots hoefgetrappel voorbij onze slaapkamervenster hoorde. Nog slaapdronken kwam ik tot de conclusie dat dat wel een koe moest zijn.
Nu slapen wij best een eindje van de straat, en hebben we zelf geen paarden. Er restte mij dus geen andere conclusie. Moeizaam zette ik alle gedachten weer terug op een rijtje. De koe die ‘s namiddags gekalfd had, hadden we na het melken terug in de strobox gestoken zodat ze comfortabel kon liggen. Mijn eerste idee was dan ook dat die strobox waarschijnlijk niet goed afgesloten was en dat die koe op zoek was gegaan naar haar kalf. Dat is eigenlijk begrijpelijk.
Vermits het pas januari was, vond ik het beter om toch maar iets warms aan te trekken. Dan ging ik maar vlug die koe terug kort steken, dat dacht ik tenminste. Toen ik in de koestal kwam, zat ik letterlijk met mijn handen in mijn haar. De koe die pas gekalfd had, stond nog braaf in de strobox. Maar de hele voergang was wel één ravage van voeder, hooi en stro dat overal rondgestrooid lag, en in de koestal zelf stonden nog amper een stuk of zes koeien. De andere 45 dames hadden er niet beter op gevonden dan een avondwandeling te maken. Blijkbaar was er een koe die het poortje waardoor ze in de zomer naar buiten gaan, open had gekregen. En de vrijheid lonkte dus.
Heel anders dan in de zomer – wanneer alles duidelijk afgezet is waar ze eigenlijk mogen lopen – is alles in de winter open. De draden van de weiden liggen her en der op de grond of liggen open. Ik zag dus koeien overal. In de voergang van de koeien lagen er een paar te slapen in het open gelopen voer en stro. In de voergang van het jongvee waren er een paar die de zakken met mineralen gevonden hadden. Een deel had de binnenkoer al verkend, een ander deel zocht zijn heil in een tweetal weiden aan het hof. En daar sta je dan heel alleen. Je kinderen liggen te slapen en je man is niet thuis.
Ik heb al mijn moed samengeraapt en ben al eerst begonnen met dat poortje waarlangs ze buiten geraakt waren, terug toe te doen en te barricaderen met enkele zandzakjes. Gelukkig was aan de ene kant de poort van de voergang toe, zodat ik kon proberen de koeien in de voergang te krijgen; als ik dan het hek kon opendoen, zou ik de koeien terug krijgen waar ze thuishoorden. En beetje bij beetje lukte dat dan ook nog.
Maar dan kwam het moeilijkste: de koeien die op de weide liepen. In de zomer weten die dieren perfect waar ze van de weide kunnen gaan en hoe ze dan de stal binnen kunnen. Nu was het echter overal pikkedonker en ik wilde bovendien dat ze via een andere kant de weide af gingen dan ze in de zomer gewend zijn. Het is ook niet gebruikelijk dat ze via de voergang de koestal binnen komen. En dan sta je daar alleen. Er is geen enkele koe die wil doen wat jij o zo graag zou willen. Je krijgt het koud, je staat er helemaal alleen voor en de moed zakt je stilaan in je schoenen.
Om een beetje meer moed te krijgen, telde ik al eens de koeien die ik wel al had weten te verzamelen. Toen bleek dat ik er nog bijna vijftien te kort had, had ik zoiets van: “Foert. Dat die koeien nu nog maar een beetje lopen waar ze willen lopen. Geert komt straks wel naar huis, en anders is het morgenvroeg tenminste terug licht.” Toen ik weer in huis was, vond ik het eigenlijk toch niet zo’n goed idee om terug in mijn bed te kruipen. Er was ondertussen al een drie kwartier verstreken en ik vermoedde – en hoopte vooral – dat Geert niet lang meer zou wegblijven. En nóg een keer uit dat warme bed moeten komen, was een gedachte die me niet echt aansprak. Dus nestelde ik me maar in de zetel en keek nog wat tv.
Een half uurtje later kwam Geert thuis. Hij had al meteen door dat er iets niet klopte. Koeien die in de wei liggen te slapen is in januari geen vertrouwd beeld. Uiteindelijk zaten een kwartiertje later alle koeien terug waar ze thuishoorden, tenminste dat dachten we toch. Wij gingen in elk geval met een gerust hart slapen. En ’s morgens stond de laatste verdwaalde koe terug thuis, na een nachtje stappen. Ze stond mooi te wachten aan de koestal om gemolken te worden. Misschien dacht ze wel: “Oost west, thuis best.”
– Carine Cornu

december 14, 2007

Brussel voor groot en voor klein(er)

Filed under: Carine Cornu — melkbrigade @ 8:48 pm

Vorige week bezochten we Agribex en we waren duidelijk niet alleen met dat idee. ‘Vroeg opstaan, om vroeg te kunnen vertrekken en zo de files trachten te vermijden’ is ons motto. Nu we ingeschreven waren om mee te rijden met de bus, hadden we nog een extra stok achter de deur om dat ook nog te doen lukken. Filevrij geraakten we aan de Expo, en we waren duidelijk niet alleen. Veel collega’s hadden er schijnbaar ook een vroege morgen opzitten.
Je hebt dan een aantal standen die je zeker wil bezoeken, waar je al eens wat informatie wenst te vragen, en die probeer je dan toch wel al vroeg te bezoeken. Zo kuierden we een beetje tussen de standen door en het viel het ons op dat er nogal wat, waarschijnlijk Brusselse, scholen naar het salon afgezakt waren. Verschillende klassen waren getooid met prachtige koe-gevlekte hoedjes. Al die zwart-witte hoofden op die al even kleurrijke gezichten, het was echt mooi om zien. Nu zou ik liever niet met een hele klas kinderen naar Agribex gaan, want uiteindelijk is het de bedoeling dat je hen ook allemaal terug meeneemt naar huis, en dan moeten ze al bijna in de rij lopen. Maar blijkbaar loopt dat goed, en genieten ze van het bezoek.
Ongewild bracht dit bij mij een andere, ook mooie herinnering naar boven. Een herinnering van zo’n viertal jaar geleden. Onze oudste, Arne, zat op dat moment in het vierde leerjaar en die klas was de enige van de school met een klassenleraar; al de anderen – de turnleraar uitgezonderd – zijn leraressen. Gewoonlijk is dat vierde leerjaar een jaar waarin ze net iets meer dan andere jaren ondergedompeld worden in de prachtige wereld van de techniek, want blijkbaar is meester Nico daarin geïnteresseerd en hij is ook een goede verteller. Meer heb je dan ook niet nodig om een klas te boeien – in het bijzonder als dat een klas is van achttien leerlingen, waarvan er maar drie meisjes zijn, en waar er bij die vijftien jongens ook nog eens een stuk of negen zijn die thuis boeren, of waar de link met ‘de stiel’ wel heel erg nauw is.
Dan vraag je je waarschijnlijk nu af wat dat allemaal te maken heeft met die schoolkinderen die Agribex bezoeken. Wel, het jaar dat Arne bij meester Nico zat, was het ook Agribex. Natuurlijk waren die negen jongens naar de beurs geweest en kwamen er natuurlijk verhalen over wat ze daar zoal gezien hadden. Je hoeft dan niet ver te zoeken naar waarover er het meest gepraat werd: hoe groter de tractor, hoe meer pk’s, hoe groter de machine, hoe mooier de verhalen. En dan heb je meester Nico, die uit zichzelf wel in techniek geïnteresseerd is, maar die zelf eigenlijk helemaal niet uit een landbouwmidden komt. Natuurlijk is hij verwonderd over wat die jongens allemaal weten te vertellen. Hij bleek helemaal niet te weten dat er zoveel merken van tractoren bestonden en dat die dan ook nog eens over zoveel pk’s konden beschikken. De jongens bleken in hem een dankbare toehoorder te hebben. Zo zie je maar hoe leraren soms ook iets van hun kinderen kunnen leren.
En dat ben ik allemaal aan de weet gekomen omdat ik in datzelfde jaar, enkele weken later, de bagage van de kinderen naar Brussel bracht omdat ze er een weekje gingen genieten van stadsklassen. Meester Nico reed met mij mee om mij de weg te wijzen. En als je zo’n uurtje samen in de auto zit met iemand die je nauwelijks blijkt te kennen, dan wordt er zowaar over van alles gepraat. En dus kwam ook Agribex ter sprake, met al zijn machines. Hij vertelde ook hoe prachtig hij het vond dat die jongens daar helemaal in opgingen, want uiteindelijk zweept de ene de andere wel een beetje op. Maar hij vertelde ook over zijn verwondering toen hij hoorde waarvoor er allemaal al machines bestonden. En je kan je best inbeelden dat die jongens daar in geuren en kleuren over vertelden.
En zo vroeg ik hem ook hoe hij ertoe was gekomen om met die derde- en vierdeklassers op stadsklassen te trekken naar Brussel, want dat was zijn idee. Hij vertelde hoe hij in het begin met zijn klas op plattelandsklassen ging, maar dat de kinderen dat thuis al allemaal gezien hadden. Zeeklassen vond hij al helemaal geen optie – de school is gelegen op hooguit een achttal kilometer van de zee – en een bosdag deden ze al elk jaar. Dus uiteindelijk viel hij eerder toevallig op die ‘stadsklassen’ in Brussel. En dat betekent voor de kinderen vijf dagen ondergedompeld worden in de wereld van metro, musea, parlement, armoede in de metro, en zoveel meer dat zo een stad te bieden heeft.
Als onze kinderen een keuze moeten maken tussen het Brussel van de stadsklassen of Agribex, ben ik helemaal niet zeker wat er boven aan hun verlanglijstje zal staan. Het zijn alle twee mooie ervaringen. Zeker weten.
– Carine Cornu

Blog op WordPress.com.